Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BH4284

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
13-01-2009
Datum publicatie
17-03-2009
Zaaknummer
104.003.659
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet uitdrukkelijk en gemotiveerd betwist is dat de tekst van de arbeidscontracten destijds van de zijde van JB Quality Consult GmbH in Duitsland is opgesteld door een of meer personen die de Nederlandse taal niet, althans niet in voldoende mate, beheerste(n). Zeker in het oosten van Nederland is algemeen bekend te veronderstellen dat met een term als “landelijk” in de Duitse taal en verhoudingen niet wordt gedoeld op het nationale nivo maar op het nivo van de deelstaten, dus dat van de zogenoemde Bundesländer. Waar hun arbeidscontracten bovenaan elke pagina steeds de vermelding “Object Hattem (NL)” bevatten en de bewoordingen van die contracten niet alleen verwijzen naar een CAO met landelijke gelding maar ook nadrukkelijk wijzen op de toepasselijkheid van Nederlands recht, mochten [appellant sub 1] en [appellante sub 2] bij gebreke van nadere vermeldingen of toelichtingen - die ook niet zijn gesteld of gebleken - uit die van werkgeverszijde gebruikte bewoordingen evenwel in ieder geval begrijpen dat in de artikelen 4 en 5 van hun arbeidscontracten werd gedoeld op enige Nederlandse CAO. Dat daarbij aan de verwoorde verwijzing naar de landelijke gelding verder geen belangrijke betekenis mag worden toegekend en dat JB Quality Services stelt zelf in latere - in Nederland opgestelde - arbeidscontracten steeds uitdrukkelijk te hebben opgenomen dat er geen CAO van toepassing is, kan er niet aan afdoen dat [appellant sub 1] en [appellante sub 2] er op basis van de door de werkgever gebruikte bewoordingen bij het sluiten van hun arbeidsovereenkomsten gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat, gelet op de artikelen 4 en 5 van hun arbeidscontracten, in ieder geval enige Nederlandse CAO op hun arbeidsverhoudingen van toepassing is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2009-0208
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer 104.003.659

arrest van de vijfde civiele kamer van 13 januari 2009

inzake

1. [appellant sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [appellante sub 2],

wonende te [woonplaats],

appellanten

advocaat: mr. P.M. Wilmink,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

J.B. Quality Services B.V.,

gevestigd te Apeldoorn, kantoorhoudende te Beelen (Bondsrepubliek Duitsland),

geïntimeerde,

advocaat: mr. R. Plieger.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 19 januari 2005, 3 augustus 2005, 26 oktober 2005, 19 april 2006, 31 mei 2006, 23 augustus 2006 en 13 december 2006 die de kantonrechter te Apeldoorn (rechtbank Zutphen, sector kanton, locatie Apeldoorn) tussen appellanten (hierna ook te noemen: [appellant sub 1] respectievelijk [appellante sub 2]) als eisers en geïntimeerde (hierna ook te noemen: JB Quality Services) als gedaagde heeft gewezen; van die vonnissen is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant sub 1] en [appellante sub 2] hebben bij exploot van 8 maart 2007, hersteld bij exploot van 28 maart 2007, JB Quality Services aangezegd van die vonnissen van de kantonrechter te Apeldoorn in hoger beroep te komen, met dagvaarding van JB Quality Services voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven tevens akte wijziging eis, hebben [appellant sub 1] en [appellante sub 2] negentien grieven tegen de bestreden vonnissen van 26 oktober 2005, 19 april 2006, 31 mei 2006, 23 augustus 2006 en 13 december 2006 aangevoerd en toegelicht, en hebben zij bewijs aangeboden en producties in het geding gebracht. Kort samengevat en zakelijk weergegeven hebben zij gevorderd dat het hof, opnieuw recht doende, bij arrest JB Quality Services zal veroordelen:

a. primair, subsidiair, meer subsidiair, uiterst subsidiair en tertiair tot betaling aan [appellant sub 1] van steeds verschillende bedragen wegens onder meer achterstallig loon, 25% nachttoeslag, 15%-toeslag en/of vakantietoeslag met betrekking tot de jaren 2001, 2002, 2003, 2004 en 2005,

b. primair, subsidiair, meer subsidiair, uiterst subsidiair en tertiair tot betaling aan [appellante sub 2] van steeds verschillende bedragen wegens onder meer achterstallig loon, 25% nachttoeslag, 15%-toeslag, vakantietoeslag en/of onterecht ingehouden loon met betrekking tot de jaren 2001, 2002, 2003, 2004 en 2005,

c. tot betaling aan [appellant sub 1] en [appellante sub 2] van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW, de wettelijke rente en de buitengerechtelijke (incasso)kosten, en

d. tot betaling van de proceskosten in beide instanties,

alsmede dat het hof in het arrest bij voorbaat een bevelschrift ex artikel 237, vierde lid, Rv zal opnemen voor de nakosten.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft JB Quality Services de grieven bestreden en verweer gevoerd, en heeft zij bewijs aangeboden. Zij heeft geconcludeerd dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest [appellant sub 1] en [appellante sub 2] niet-ontvankelijk zal verklaren in hun vordering althans deze zal afwijzen, met veroordeling van [appellant sub 1] en [appellante sub 2] in de kosten van het hoger beroep.

2.4 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3. De vaststaande feiten

3.1 Tussen partijen staan in hoger beroep als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken en op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde producties dan wel als door de kantonrechter vastgesteld en in hoger beroep niet bestreden, de navolgende feiten vast.

3.2 J.B. Quality Consult G.m.b.H. & Co. KG (hierna ook te noemen: JB Quality Consult GmbH) is een vennootschap naar Duits recht. JB Quality Services werd per 3 mei 2001 opgericht als vennootschap naar Nederlands recht. JB Quality Services is een Nederlandse dochtervennootschap van de Duitse vennootschap JB Quality Consult GmbH.

3.3 Op grond van een arbeidsovereenkomst trad [appellante sub 2], geboren op [datum], met ingang van 15 februari 2001 in dienst van JB Quality Consult GmbH. Het daarvan op schrift gestelde arbeidscontract werd op 15 februari 2001 door die vennootschap ondertekend. Sinds de overneming van het dienstverband door JB Quality Services medio 2001, verrichtte [appellante sub 2] op grond van die arbeidsovereenkomst in dienst van JB Quality Services tegen loon arbeid.

3.4 Op grond van een arbeidsovereenkomst trad [appellant sub 1], geboren op [datum], met ingang van 19 februari 2001 in dienst van JB Quality Consult GmbH. Het daarvan op schrift gestelde arbeidscontract werd op 19 februari 2001 door die vennootschap en [appellant sub 1] ondertekend. Sinds de overneming van dat dienstverband door JB Quality Services medio 2001, verrichtte [appellant sub 1] op grond van die arbeidsovereenkomst in dienst van JB Quality Services tegen loon arbeid.

3.5 De voornoemde arbeidscontracten van [appellant sub 1] en [appellante sub 2] bevatten ieder bovenaan elke pagina steeds de vermelding “Object Hattem (NL)” en bepalen ieder onder meer in:

- artikel 1 dat de werknemer in dienst treedt in de functie van productiemedewerker,

- artikel 2, eerste lid, dat de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd op basis van 37,5 uren per week wordt aangegaan,

- artikel 4, eerste lid, dat op de arbeidsovereenkomst “de landelijke CAO” van toepassing is, en

- artikel 5 dat de werknemer voor de uren na 18.00 uur “een onregelmatigheidstoeslag conform de Landelijke CAO” ontvangt,

- artikel 6 dat het bruto-uurloon van de werknemer 18,00 Nederlandse guldens bedraagt, exclusief toeslagen, en

- artikel 9, eerste lid, dat op deze arbeidsovereenkomst het Nederlandse recht van toepassing is.

Het arbeidscontract van [appellant sub 1] bepaalt daarnaast in artikel 6 verder nog dat het bruto-uurloon na drie maanden 19,00 Nederlandse guldens bedraagt, exclusief toeslagen.

3.6 [appellant sub 1] en [appellante sub 2] zijn op basis van hun arbeidsovereenkomsten met JB Quality Services steeds op basis van detachering werkzaam geweest bij en ten behoeve van Saturn Petfood B.V. te Hattem (hierna ook te noemen: Saturn Petfood).

3.7 JB Quality Services verzocht aan de Centrale organisatie werk en inkomen (hierna ook te noemen: CWI) om voorafgaande toestemming voor de opzegging van de arbeidsverhoudingen met [appellant sub 1] en [appellante sub 2]. Bij beslissing van 21 april 2005 werd die verzochte toestemming door de CWI verleend. Als gevolg van de door JB Quality Services bij de brieven van 25 april 2005 aan [appellant sub 1] en [appellante sub 2] gedane opzeggingen zijn hun arbeidsovereenkomsten per 1 juni of juli 2005 geëindigd.

3.8 Bij dagvaarding van 10 maart 2006 hebben [appellant sub 1] en [appellante sub 2] een vordering tegen JB Quality Services ingesteld, gebaseerd op een kennelijk onredelijke opzegging van de arbeidsovereenkomst. Bij vonnis van 30 mei 2007 is die vordering door de kantonrechter te Apeldoorn afgewezen.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Tegen de tussenvonnissen van 19 januari 2005 en van 3 augustus 2005 zijn geen grieven aangevoerd, zodat [appellant sub 1] en [appellante sub 2] in zoverre niet-ontvankelijk zullen worden verklaard in het hoger beroep.

4.2 De tegen de bestreden vonnissen van 26 oktober 2005, 19 april 2006, 31 mei 2006, 23 augustus 2006 en 13 december 2006 aangevoerde negentien grieven beogen de in die vonnissen gegeven beslissingen en de thans in hoger beroep geformuleerde vordering in volle omvang aan het hof voor te leggen. Kort samengevat is bij laatstgenoemd (eind)vonnis de inleidende vordering van [appellant sub 1] en [appellante sub 2] afgewezen en zijn [appellant sub 1] en [appellante sub 2] in de proceskosten van JB Quality Services veroordeeld. Die grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

De (on)toepasselijkheid van enige CAO

4.3 [appellant sub 1] en [appellante sub 2] leggen aan de primair gevorderde betalingen ten grondslag de toepasselijkheid van de collectieve arbeidsovereenkomst (verder ook te noemen: CAO) Saturn Petfood en zij baseren het subsidiair gevorderde op artikel 8, eerste lid, van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (hierna ook te noemen: Waadi), het meer subsidiair gevorderde op de toepasselijkheid van de Schoonmaak CAO, het uiterst subsidiair gevorderde op de CAO voor Uitzendkrachten, en het tertiair gevorderde op hun loonstroken en arbeidsovereenkomsten waarop geen enkele CAO van toepassing is.

4.4 Uit de stellingen van partijen volgt dat (de rechtsvoorganger van) JB Quality Services niet op grond van haar lidmaatschap van enige vereniging en ook niet vanwege een algemeen verbindendverklaring aan enige CAO was gebonden. Dat laat onverlet dat (de rechtsvoorganger van) JB Quality Services en [appellant sub 1] en [appellante sub 2] als niet-CAO-gebonden partijen de toepasselijkheid van enige CAO kunnen zijn overeengekomen. Partijen twisten over de vraag of en welke CAO op grond van hun arbeidscontracten op hun arbeidsverhoudingen van toepassing is en daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag welke CAO is aan te merken als de landelijke CAO zoals bedoeld in de artikelen 4 en 5 van hun arbeidscontracten.

4.5 Voor zover [appellant sub 1] en [appellante sub 2] zich voor de (bepaling van de) rechtsgevolgen van hun arbeidsovereenkomsten beroepen op de wijze waarop daaraan door (de rechtsvoorganger van) JB Quality Services na het sluiten van die overeenkomsten uitvoering is gegeven, kan aan die uitvoering wel enige betekenis toekomen maar is dat als zodanig niet beslissend voor de beantwoording van de vraag wat partijen bij het sluiten van hun overeenkomsten zijn overeengekomen. De rechtsgevolgen van hun arbeidsovereenkomsten worden bepaald door hetgeen zij bij het sluiten van die overeenkomsten zelf zijn overeengekomen, waarvoor niet alleen de taalkundige uitleg van de gebruikte bewoordingen in de arbeidscontracten bepalend zijn maar ook hetgeen partijen bij die overeenkomst over en weer uit elkaars verklaringen of gedragingen mochten afleiden en redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

4.6 Niet uitdrukkelijk en gemotiveerd betwist is dat de tekst van de arbeidscontracten destijds van de zijde van JB Quality Consult GmbH in Duitsland is opgesteld door een of meer personen die de Nederlandse taal niet, althans niet in voldoende mate, beheerste(n). Zeker in het oosten van Nederland is algemeen bekend te veronderstellen dat met een term als “landelijk” in de Duitse taal en verhoudingen niet wordt gedoeld op het nationale nivo maar op het nivo van de deelstaten, dus dat van de zogenoemde Bundesländer. Waar hun arbeidscontracten bovenaan elke pagina steeds de vermelding “Object Hattem (NL)” bevatten en de bewoordingen van die contracten niet alleen verwijzen naar een CAO met landelijke gelding maar ook nadrukkelijk wijzen op de toepasselijkheid van Nederlands recht, mochten [appellant sub 1] en [appellante sub 2] bij gebreke van nadere vermeldingen of toelichtingen - die ook niet zijn gesteld of gebleken - uit die van werkgeverszijde gebruikte bewoordingen evenwel in ieder geval begrijpen dat in de artikelen 4 en 5 van hun arbeidscontracten werd gedoeld op enige Nederlandse CAO. Dat daarbij aan de verwoorde verwijzing naar de landelijke gelding verder geen belangrijke betekenis mag worden toegekend en dat JB Quality Services stelt zelf in latere - in Nederland opgestelde - arbeidscontracten steeds uitdrukkelijk te hebben opgenomen dat er geen CAO van toepassing is, kan er niet aan afdoen dat [appellant sub 1] en [appellante sub 2] er op basis van de door de werkgever gebruikte bewoordingen bij het sluiten van hun arbeidsovereenkomsten gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat, gelet op de artikelen 4 en 5 van hun arbeidscontracten, in ieder geval enige Nederlandse CAO op hun arbeidsverhoudingen van toepassing is.

4.7 Niet uitdrukkelijk en gemotiveerd betwist is verder dat bij het sluiten van de arbeidsovereenkomsten al bekend was dat [appellant sub 1] en [appellante sub 2] op basis daarvan steeds krachtens detachering werkzaam zouden zijn bij en ten behoeve van de te Hattem gevestigde Nederlandse onderneming van Saturn Petfood, die zelf een bedrijfseigen CAO had. Waar de beide arbeidscontracten van [appellant sub 1] en [appellante sub 2] met JB Quality Services ieder bovenaan elke pagina ook steeds de vermelding “Object Hattem (NL)” bevatten en in die contracten verder werd verwezen naar de CAO, mochten [appellant sub 1] en [appellante sub 2] uit de van werkgeverszijde gebruikte bewoordingen opmaken dat in de artikelen 4 en 5 van hun arbeidscontracten werd gedoeld op de Nederlandse bedrijfseigen Saturn Petfood CAO. Niet gesteld of gebleken is dat [appellant sub 1] en [appellante sub 2] destijds op grond van verklaringen of gedragingen van JB Quality Consult GmbH duidelijk had kunnen zijn dat die veronderstelling onjuist was.

4.8 In het midden kan blijven het twistpunt of de externe accountant van JB Quality Services begin 2004 telefonisch heeft gezegd dat de Saturn Petfood CAO van toepassing is. Ook hoeft geen beoordeling in hoeverre betekenis kan toekomen aan de onbestreden omstandigheid dat aan [appellant sub 1] en [appellante sub 2] feitelijk de in de Saturn Petfood CAO neergelegde nachttoeslag is uitbetaald. Al uit het hiervoor overwogene volgt dat de Saturn Petfood CAO ingevolge de gesloten arbeidsovereenkomsten van toepassing is op de arbeidsverhoudingen tussen [appellant sub 1] en [appellante sub 2] en (de rechtsvoorganger van) JB Quality Services, zelfs indien dat destijds door JB Quality Consult GmbH niet mocht zijn gewild.

De verdere grondslagen en de vordering

4.9 Voor zover hier van belang baseren [appellant sub 1] en [appellante sub 2] hun vordering verder op een schending van de werkgeversverplichtingen om het loon correct en overeenkomstig de Saturn Petfood CAO te voldoen en tot loondoorbetaling bij arbeidsongeschiktheid wegens ziekte. Zij leggen daaraan verder nog ten grondslag dat het recht op loon is behouden voor zover de overeengekomen arbeid niet werd verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de JB Quality Services behoort te komen, zoals het niet voorhanden hebben van genoeg werk en een stopzetting van de productie door JB Quality Services. Met betrekking tot [appellante sub 2] is hieraan nog ten grondslag gelegd dat sprake is van een schending van de werkgeversverplichtingen om geen onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen althans om zich als een goed werkgever te gedragen.

- onderscheid maken tussen mannen en vrouwen

4.10 Voor zover [appellant sub 1] en [appellante sub 2] stellen dat ten aanzien van [appellante sub 2] sprake is van een schending van de werkgeversverplichtingen om geen onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen althans om zich als een goed werkgever te gedragen, wordt betoogd dat [appellante sub 2] ook nog recht heeft op de aan [appellant sub 1] vanaf drie maanden na indiensttreding toekomende verhoogde beloning van 19,00 Nederlandse guldens zoals die in artikel 6 van het arbeidscontract wel met [appellant sub 1] maar niet met [appellante sub 2] was overeengekomen. Dat betoog kan echter niet worden gehonoreerd.

Voor zover [appellant sub 1] en [appellante sub 2] daartoe stellen dat Saturn Petfood er ingevolge de bedrijfseigen Saturn Petfood CAO op moest toezien dat ingeleende of gedetacheerde arbeidskrachten dezelfde beloning ontvingen dan de eigen Saturn Petfood-werknemers, levert een eventuele schending van die verplichting door Saturn Petfood nog geen aan JB Quality Services toerekenbare tekortkoming tegenover [appellant sub 1] en/of [appellante sub 2] op. Nog daargelaten in hoeverre [appellant sub 1] en [appellante sub 2] zelf aan die bedrijfseigen CAO in zoverre rechten kunnen ontlenen, kan dat aan Saturn Petfood gemaakte verwijt [appellant sub 1] en [appellante sub 2] al daarom tegenover JB Quality Services niet baten.

[appellant sub 1] en [appellante sub 2] stellen daartoe verder nog dat zij op grond van hun arbeidsovereenkomsten dezelfde werkzaamheden en verantwoordelijkheden hadden maar dat [appellante sub 2] desondanks minder werd beloond dan [appellant sub 1]. Waar die verschillende beloning niet in geschil is en [appellant sub 1] en [appellante sub 2] zich beroepen op de rechtsgevolgen van de ingeroepen gelijke arbeid, rust in beginsel op [appellant sub 1] en [appellante sub 2] de bewijslast van de betwiste stelling dat [appellant sub 1] en [appellante sub 2] op grond van hun arbeidsovereenkomsten dezelfde werkzaamheden en verantwoordelijkheden hadden. Voor zover [appellant sub 1] en [appellante sub 2] menen dat op JB Quality Services de bewijslast rust van haar stelling dat [appellant sub 1] na drie maanden andere werkzaamheden als machineoperator verrichtte, is dat standpunt dus onjuist. De kantonrechter heeft [appellante sub 2] toegelaten tot het bewijs van de gestelde gelijke werkzaamheden en verantwoordelijkheden, maar de kantonrechter heeft de op 5 oktober 2006 door [appellant sub 1], [appellante sub 2] en [persoon A] als getuigen afgelegde verklaringen - mede gelet op bij die getuigenverhoren verkregen indrukken - vervolgens niet voldoende betrouwbaar en onvoldoende overtuigend geacht en daarom dat bewijs niet geleverd geoordeeld. Naar het oordeel van het hof blijkt uit die getuigenverklaringen niet of nauwelijks in hoeverre de bewuste getuigenverklaringen eigenlijk mededelingen, conclusies, eigen bevindingen of waarnemingen betreffen. Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft [appellante sub 2] als (partij)getuige haar aanvankelijke verklaring omtrent door [appellant sub 1] gegeven opdrachten bovendien later tijdens het getuigenverhoor gecorrigeerd op basis van conclusies en niet op basis van eigen herinneringen. Nu voorts niets is gesteld ten aanzien van de door de kantonrechter verwoorde indrukken die bij de getuigenverhoren werden verkregen, ziet het hof geen aanleiding om tot een andere bewijswaardering te komen dan de kantonrechter.

Verder stellen en motiveren [appellant sub 1] en [appellante sub 2] niet, althans onvoldoende uitdrukkelijk en gemotiveerd, tot welke nadere berekening en optelling de gestelde ongelijkheid precies leidt. Een vergelijking van de verschillende uitvoerige ten behoeve van [appellante sub 2] geformuleerde vorderingen maakt dat ook geenszins duidelijk en daaruit kan alleen worden afgeleid dat honorering van hun betoog volgens [appellant sub 1] en [appellante sub 2] voor de primaire vordering slechts zou leiden tot een verschil voor het jaar 2005, maar bijvoorbeeld voor de tertiaire vordering voor alle onderhavige jaren tot een compleet andere vordering zou leiden. Zonder de ontbrekende onderbouwing en toelichting is echter niet duidelijk hoe en op grond waarvan dan tot die verschillen zou kunnen of moeten worden gekomen.

Reeds het voorgaande brengt mee dat de ten behoeve van [appellante sub 2] ingestelde vordering niet toewijsbaar is voor zover daarbij de verhoogde beloning wordt geclaimd zoals die in artikel 6 van het arbeidscontract wel met [appellant sub 1] maar niet met [appellante sub 2] was overeengekomen.

- de relevante vordering

4.11 Gelet op de toepasselijkheid van de Saturn Petfood CAO en de niet-toewijsbaarheid van de gevorderde betaling aan [appellante sub 2] gebaseerd op het beweerde beloningsverschil, spitst het geschil zich vervolgens toe op de door [appellant sub 1] en [appellante sub 2] primair gevorderde betaling:

a. aan [appellant sub 1]:

- inzake 2001: € 519,44 bruto wegens achterstallig loon, € 87,30 bruto wegens 25% nachttoeslag, € 1.635,76 bruto wegens 15%-toeslag, en € 179,40 bruto wegens vakantietoeslag,

- inzake 2002: € 2.341,83 bruto wegens achterstallig loon, € 158,20 bruto wegens 25% nachttoeslag, € 2.247,20 bruto wegens 15%-toeslag, en € 379,78 bruto wegens vakantietoeslag,

- inzake 2003: € 2.806,72 bruto wegens achterstallig loon, € 278,81 bruto wegens 25% nachttoeslag, € 2.088,47 bruto wegens 15%-toeslag, en € 413,92 bruto wegens vakantietoeslag,

- inzake 2004: € 3.582,82 bruto wegens achterstallig loon, € 13,24 bruto wegens 25% nachttoeslag, € 2.719,95 bruto wegens 15%-toeslag, en € 505,27 bruto wegens vakantietoeslag, en

- inzake 2005: € 2.110,61 bruto wegens achterstallig loon, € 1.111,04 bruto wegens 15%-toeslag, en € 158,98 bruto wegens vakantietoeslag,

b. aan [appellante sub 2]:

- inzake 2001: € 622,94 bruto wegens achterstallig loon, € 16,46 bruto wegens 25% nachttoeslag, € 1.771,24 bruto wegens 15%-toeslag, en € 195,40 bruto wegens vakantietoeslag,

- inzake 2002: € 3.233,20 bruto wegens achterstallig loon, € 742,76 bruto wegens 25% nachttoeslag, € 2.925,57 bruto wegens 15%-toeslag, en € 552,12 bruto wegens vakantietoeslag,

- inzake 2003: € 1.739,78 bruto wegens achterstallig loon, € 5,17 bruto wegens 25% nachttoeslag, € 2.719,59 bruto wegens 15%-toeslag, en € 360,89 bruto wegens vakantietoeslag,

- inzake 2004: € 8.143,23 bruto wegens achterstallig loon, € 4.423,93 bruto wegens 15%-toeslag, € 1.185,32 bruto wegens vakantietoeslag, en € 25,00 netto wegens onterecht ingehouden loon, en

- inzake 2005: € 593,48 bruto wegens achterstallig loon, en € 47,48 bruto wegens vakantietoeslag over achterstallig loon.

Waar eerst thans blijkt dat het geschil zich uiteindelijk slechts tot die primaire vordering beperkt en de standpunten van (ieder van) partijen dienaangaande niet steeds even duidelijk, eenduidig en volledig zijn, zal worden bevolen dat ieder van partijen haar standpunt ten aanzien van de voornoemde primaire vordering op basis van de voorhanden stukken en de in dit arrest al gegeven beslissingen duidelijk, overzichtelijk en volledig weergeeft en toelicht in een memorie na tussenarrest. [appellant sub 1] en [appellante sub 2] dienen als eerste een dergelijke memorie te nemen, waarna JB Quality Services een antwoordmemorie zal kunnen nemen. Vervolgens zal het hof dan verdere beslissingen nemen.

Slotsom

4.12 Het hof zal thans bevelen dat ieder van partijen, met inachtneming van de door het hof in dit tussenarrest gegeven beslissingen, haar standpunt ten aanzien van de primaire vordering duidelijk, overzichtelijk en volledig formuleert in een memorie na tussenarrest, waarbij [appellant sub 1] en [appellante sub 2] als eerste dienen te concluderen.

5. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

beveelt dat ieder van partijen zich bij memorie na tussenarrest dient uit te laten zoals bedoeld in rechtsoverweging 4.11;

verwijst de zaak naar de roldatum 24 februari 2009 teneinde [appellant sub 1] en [appellante sub 2] in de gelegenheid te stellen als eerste een dergelijke memorie na tussenarrest te nemen;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. H. Wammes, E.J. van der Poel en M.G.W.M. Stienissen en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 januari 2009.