Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BH3765

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
20-02-2009
Datum publicatie
23-02-2009
Zaaknummer
24-000383-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte is vrijgesproken ter zake van overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, nu gelet op de omstandigheden waaronder verdachte in zijn woning is aangetroffen en het feit dat tevens geen herberekening van het alcoholgehalte heeft plaatsgevonden naar het oordeel van het hof aannemelijk is geworden dat verdachte ook ná het ongeval alcohol heeft genuttigd.

Verdachte is evenwel ter zake van overtreding van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994 veroordeeld tot een geldboete van € 500, -.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 7
Wegenverkeerswet 1994 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Jwr 2009/26 met annotatie van WR
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000383-08

Parketnummer eerste aanleg: 07-490121-07

Arrest van 20 februari 2009 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 4 februari 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1956] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf en een bijkomende straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen ter zake het hem onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde tot een geldboete van € 750, -, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 dagen hechtenis, alsmede tot een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 5 februari 2007 te [plaats] in de gemeente [gemeente], als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 640 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 5 februari 2007 te [plaats] in de gemeente [gemeente], als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van alcohol, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;

2.

hij op of omstreeks 5 februari 2007 te [plaats] in de gemeente [gemeente], als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval of door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de [straat], de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten de gemeente [gemeente]) letsel en/of schade was toegebracht.

Vrijspraak

Onder 1 wordt verdachte - zakelijk weergegeven - verweten dat hij onder invloed van alcohol in een personenauto heeft gereden.

Uit een ambtelijk verslag is gebleken dat verbalisanten op 5 februari 2007 om 21.30 uur een melding kregen dat er op de [straat] te [plaats] een verkeersongeval had plaatsgevonden, waarbij de bestuurder van het motorrijtuig de plaats van het ongeval had verlaten. Het opgegeven kenteken [kenteken] bleek op naam van de echtgenote van verdachte te staan. Bij de woning van verdachte gekomen, wees verdachtes schoonzus verdachte als bestuurder van de auto aan. Toen de verbalisanten omstreeks 22.15 uur verdachte daadwerkelijk aantroffen in zijn woning, had verdachte vier lege bierflesjes voor zich op tafel staan. Omstreeks 23.28 uur verleende verdachte zijn medewerking aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, waarvan het resultaat 640 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht was.

Verdachte heeft verklaard dat hij vóór de beweerdelijke aanrijding met het verkeersbord twee glazen bier heeft genuttigd. Tussen het moment van thuiskomst - naar eigen zeggen rond een uur of 20.30 uur - en het moment dat de verbalisanten verdachte hebben aangetroffen in zijn woning, heeft hij nog vijf à zes flesjes bier gedronken.

Gelet op de omstandigheden waaronder verdachte in zijn woning is aangetroffen, is het naar het oordeel van het hof aannemelijk geworden dat verdachte ook ná het ongeval alcohol heeft genuttigd. Nu geen herberekening van het alcoholgehalte heeft plaatsgevonden, kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte op 5 februari 2007 in zijn personenauto heeft gereden, terwijl hij meer alcohol had genuttigd dan voor de bestuurder van een dergelijk voertuig is toegestaan.

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 1 aan verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Onder 2 wordt verdachte - zakelijk weergegeven - verweten dat hij als bestuurder van een motorrijtuig na betrokkenheid bij een verkeersongeval, waarbij schade aan een ander het gevolg is geweest, is doorgereden.

Door verdachte is ontkend dat hij op 5 februari 2007 betrokken is geweest bij een verkeersongeval waarbij aan een verkeersbord schade is toegebracht. Ter onderbouwing van dit verweer stelt verdachte dat hij gedurende het tijdstip waarop het ongeval zou hebben plaatsgevonden, te weten omstreeks 21.15 uur, in zijn woning was.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de verklaring van getuige [getuige] blijkt dat op 5 februari 2007 omstreeks 21.15 uur de bestuurder van een auto met kenteken [kenteken] op de [straat] te [plaats] in botsing is gekomen met een op een middengeleider bevindend verkeersbord, waardoor dit verkeersbord is omgevallen. De getuige is duidelijk in zijn verklaring voor wat betreft het tijdstip waarop het voorval heeft plaatsgevonden, nu de getuige op dat moment onderweg was naar zijn wekelijkse volleybaltraining en altijd op een vast tijdstip van huis vertrekt. Het hof acht mede om die reden de verklaring van getuige [getuige] betrouwbaar.

Verdachte heeft verklaard op 5 februari 2007 vanaf 20.30 uur thuis te zijn geweest, nu op dat moment zijn echtgenote weg moest en hij thuis moest zijn om op hun kinderen te passen. Echter, uit de processtukken is gebleken dat niemand kan bevestigen dat verdachte vanaf 20.30 uur tot het moment waarop volgens getuige [getuige] het ongeval heeft plaatsgevonden, steeds thuis is geweest.

Daarnaast heeft verdachte ter zitting van het hof ondubbelzinnig verklaard omtrent het feit dat alleen hij in de auto met vorengenoemd kenteken rijdt, zo ook op die bewuste avond in februari. Vanaf het moment van thuiskomst van verdachte, is hij - naar eigen zeggen - steeds in het bezit geweest van de sleutels van de betreffende auto en heeft niemand anders in de auto gereden.

Voorts blijkt uit een ambtelijk verslag dat er schade is geconstateerd aan de rechtervoorzijde van de betreffende auto, waarbij verfsporen zijn aangetroffen die overeenkomen met de kleuren van vorenbedoeld verkeersbord. De verklaring van verdachte dat deze schade eerder op de avond zou zijn ontstaan toen hij de betreffende middengeleider zou hebben geschampt, acht het hof niet aannemelijk gelet op de hoogte waarop de verfsporen te zien zijn, de kleuren van deze sporen en de omvang van de schade zoals dit te zien is op de zich in het proces-verbaal bevindende foto van de auto van verdachte gemaakt op de dag waarop de aanrijding heeft plaatsgevonden.

Het hof is op grond van al het voorgaande van oordeel dat verdachte op 5 februari 2007 omstreeks 21.15 uur als bestuurder van een auto met kenteken [kenteken] bij een verkeersongeval betrokken is geweest, waarna hij de plaats van het ongeval heeft verlaten.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen:

2.

hij op 5 februari 2007 te [plaats] in de gemeente [gemeente], als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval op de [straat], de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist aan een ander te weten de gemeente [gemeente] schade was toegebracht.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

overtreding van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte is op 5 februari 2007 als bestuurder van een personenauto betrokken geweest bij een verkeersongeval. Hierbij heeft verdachte schade toegebracht aan een verkeersbord.

Verdachte is ondanks deze aanrijding weggereden van de plaats van het ongeval, waardoor de mogelijkheden voor de benadeelde om verdachte aansprakelijk te stellen voor zijn handelen zijn bemoeilijkt.

Uit een verdachte betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d.

24 november 2008 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld wegens het plegen van strafbare feiten.

Gelet op al het voorgaande is het hof van oordeel dat een geldboete van na te melden hoogte een passende straf is.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 23 (oud), 24 (oud) en 24c (oud) van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 7 en 176 (oud) van de Wegenverkeerswet 1994.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het verdachte onder 2 ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een geldboete van vijfhonderd euro;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van tien dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. O. Anjewierden, voorzitter, mr. J.J. Beswerda en mr. K. Lahuis, in tegenwoordigheid van mr. L. Keekstra als griffier, zijnde mr. Lahuis en mr. Keekstra voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.