Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BH3098

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
27-01-2009
Datum publicatie
17-02-2009
Zaaknummer
107.002.638/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding.

Familierecht.

Straatverbod.

Reële dreiging van gevaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 27 januari 2009

Zaaknummer 107.002.638/01

HET GERECHTSHOF TE ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats appellant],

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: [appellant],

toevoeging,

advocaat: mr. P. Veenhoven,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats geïntimeerde],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

toevoeging aangevraagd,

advocaat: mr. F.J. Boom.

De inhoud van het op 7 oktober 2008 tussen partijen gewezen arrest wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.

Het verdere procesverloop

Ingevolge 's hofs arrest van 7 oktober 2008 heeft [appellant] een akte (met één productie) genomen. [geïntimeerde] heeft afgezien van het nemen van een akte.

Ten slotte heeft [appellant] de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest.

De verdere beoordeling

1. De spoedeisendheid van de zaak vloeit voort uit de aard van de vordering.

2. Vooropgesteld wordt dat voor de beoordeling van de vraag of het door [appellant] in dit kort geding gevorderde contact-, straat- en wijkverbod toewijsbaar is, allereerst van belang zijn de artikelen 12 IVBPR en 2 van het Vierde Protocol bij het EVRM. Deze verdragsbepalingen luiden in de Nederlandse vertaling als volgt:

- art. 12 IVBPR:

"1. Een ieder die wettig op het grondgebied van een Staat verblijft, heeft, binnen dit grondgebied, het recht zich vrijelijk te verplaatsen en er zijn verblijfplaats vrijelijk te kiezen.

2. (...)

3. De bovengenoemde rechten kunnen aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die welke bij de wet zijn voorzien, nodig zijn ter bescherming van de nationale veiligheid, de openbare orde, de volksgezondheid of de goede zeden of van de rechten en vrijheden van anderen en verenigbaar zijn met de andere in dit Verdrag erkende rechten."

- art. 2 van het Vierde Protocol bij het EVRM:

"1. Een ieder die wettig op het grondgebied van een Staat verblijft, heeft binnen dat grondgebied het recht zich vrijelijk te verplaatsen en er vrijelijk zijn verblijfplaats te kiezen.

2. (...)

3. De uitoefening van deze rechten mag aan geen andere beperkingen worden gebonden dan die die bij de wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid of van de openbare veiligheid, voor de handhaving van de openbare orde, voor de voorkoming van strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of van de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

4. (...)".

3. Het recht van bewegingsvrijheid kan derhalve worden ingeperkt ter bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Voor het treffen van een voorlopige voorziening als in dit kort geding gevorderd, is het voldoende dat - voorshands - blijkt van een dreigende onrechtmatige daad jegens degene die het verbod vordert.

4. De voorzieningenrechter heeft de vordering van [appellant] afgewezen. Daartoe heeft zij met name overwogen dat voorshands onvoldoende is gebleken dat de veiligheid van [appellant] en/of de kinderen thans nog werkelijk in gevaar is.

4.1 [appellant] heeft het kortgedingvonnis met een tweetal grieven bestreden.

5. Het hof leest in de grieven en in de daarop gegeven toelichting geen andere relevante stellingen of verweren dan die reeds in eerste aanleg waren aangevoerd en door de voorzieningenrechter gemotiveerd zijn verworpen.

Het hof onderschrijft hetgeen de voorzieningenrechter ter motivering van haar beslissing heeft overwogen en neemt die motivering over.

5.1 Ter toelichting voegt het hof daar nog aan toe dat [appellant] bij haar akte ter zitting van 4 november 2008 desverzocht weliswaar het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad d.d. 10 april 2008 in de strafzaak tegen [geïntimeerde] heeft overgelegd, doch in die akte niet - ook - is ingegaan op de mogelijke consequenties van dit strafvonnis voor de uitslag van het onderhavige geschil. Tot het aangeven van die (mogelijke) consequenties waren partijen door het hof expliciet uitgenodigd.

5.2 [appellant] heeft volstaan met het volharden in haar stelling dat zij zich nog steeds ernstig bedreigd voelt door [geïntimeerde] en dat zij en de kinderen er recht op hebben een flinke tijd met rust te worden gelaten. Concrete aanwijzingen welke erop zouden duiden dat er thans nog van een reële dreiging sprake is, heeft [appellant] niet verstrekt.

Slotsom

6. De slotsom moet luiden dat de grieven falen. Het kortgedingvonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

In de omstandigheid dat partijen gewezen echtelieden zijn, ziet het hof aanleiding de kosten van het geding in hoger beroep te compenseren als na te melden.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het kortgedingvonnis waarvan beroep;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep aldus dat partijen ieder met de eigen kosten belast blijven.

Aldus gewezen door mrs. Keur, voorzitter, Rowel-van der Linde en Willems, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 27 januari 2009 in bijzijn van de griffier.