Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BH2676

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
10-02-2009
Datum publicatie
12-02-2009
Zaaknummer
TBS 2008/194
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlenging van de terbeschikkingstelling met één jaar.

Het hof acht een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging nog te vroeg gelet op het feit dat op dit moment nog onvoldoende is geregeld voor een verantwoorde en succesvolle terugkeer van betrokkene in de samenleving.

Het hof is met de kliniek en de reclassering van oordeel dat een geleidelijke fasering van de uitstroom uit de terbeschikkingstelling de meest aangewezen en veilige weg is voor betrokkene. Het hof is van oordeel dat het concreet toewerken naar een resocialisatietraject thans niet langer uitgesteld moet worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

TBS 2008\194

Beslissing d.d. 10 februari 2009

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[terbeschikkinggestelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

verblijvende in [verblijfplaats].

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank te Breda van 4 april 2008, houdende verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar.

Het hof beschouwt als hier herhaald en ingelast de inhoud van de tussenbeslissing van het hof van 28 oktober 2008, waarbij onder meer is overwogen dat het hof een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging overwoog, zodat het hof het noodzakelijk achtte zich nader te doen voorlichten omtrent de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de terugkeer van betrokkene in het maatschappelijk verkeer zou kunnen geschieden.

Overwegingen:

• Het hof zal de beslissing van de rechtbank dienen te vernietigen, daar het recht doet mede op grond van nieuwe stukken en hetgeen de getuige-deskundige ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard.

• Het hof is van oordeel dat in casu van een spoedige behandeling van het beroep in de zin van artikel 5, vierde lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden geen sprake is geweest. Immers is op het beroep uiteindelijk tien maanden na het instellen van het hoger beroep beslist. Het hof neemt daarbij in ogenschouw dat de eerste behandeling van de zaak ruim zes maanden na het instellen van het hoger beroep plaatsvond, waarna de behandeling van de zaak is aangehouden, teneinde een reclasseringsrapportage op te laten maken omtrent de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de terugkeer van betrokkene in het maatschappelijk verkeer zou kunnen geschieden. Gelet op het bovenstaande oordeelt het hof dat in de voorliggende zaak de beslissing om een verdragsrechtelijke schending aan te nemen in zichzelf voldoende bevrediging van het geschonden rechtsgevoel inhoudt.

• In het bijzonder gelet op de advisering is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de verlenging van de terbeschikkingstelling eist als in de hierna te vermelden beslissing vervat.

Uit het verlengingsadvies, de aanvullende informatie, het maatregelrapport en hetgeen de getuige-deskundige ter terechtzitting heeft verklaard, volgt dat bij betrokkene sprake is van een persoonlijkheidsstoornis met vooral antisociale trekken. De persoonlijkheidsstoornis is milder geworden, maar nog steeds aanwezig. Daarnaast is sprake van een verslavingsgeschiedenis. Betrokkene is druk bezig met zijn toekomst. Hij kan bij zijn moeder gaan wonen, waar hij een eigen woonruimte krijgt. Daarnaast heeft hij een sprinkhanenhandel opgezet en is hij ingeschreven bij een uitzendbureau, zodat hij naast de sprinkhanenhandel kan gaan werken. Voorts wil betrokkene gedurende een eventuele voorwaardelijke beëindiging contact hebben met een forensische psychiatrische polikliniek (De Omslag) voor een psychotherapeutische behandeling om de problemen te bespreken waar hij tegenaan loopt.

Met het oog op hetgeen reeds door betrokkene is geregeld en op grond van het door de reclassering opgestelde maatregelrapport hebben betrokkene en zijn raadsman ter zitting subsidiair bepleit de dwangverpleging voorwaardelijk te beëindigen. Het hof acht een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging echter nog te vroeg gelet op het feit dat op dit moment nog onvoldoende is geregeld voor een verantwoorde en succesvolle terugkeer van betrokkene in de samenleving. Het primair bepleite verzoek tot beëindiging van de terbeschikkingstelling komt dan ook niet in aanmerking.

Weliswaar heeft betrokkene reeds enkele praktische voorbereidingen getroffen voor zijn terugkeer in de maatschappij, maar een poliklinische forensisch psychiatrische behandeling is nog niet ingevuld; een intakegesprek daartoe moet nog plaatsvinden. Evenmin is er werk van enige omvang geregeld. Voor betrokkene staat er veel op het spel. De voorgeschiedenis van betrokkene laat zien dat een snelle overgang van klinische naar ambulante behandeling grote risico’s kan opleveren. Een plotselinge terugkeer in de maatschappij, zoals bij de voorwaardelijke beëindiging in 2003, zou maatschappelijke integratie, evenals toen, kunnen doen stranden waarbij mogelijk de maatschappelijke veiligheid gevaar loopt.

Wanneer de structuur en het kader van de terbeschikkingstelling op dit moment wegvallen, zal betrokkene bloot gesteld worden aan spanningen en frustraties. Het risico bestaat dat hij dan terugvalt in oude gedragspatronen en druggebruik, waarbij de kans op recidive niet wordt uitgesloten. Mocht betrokkene weer in de fout gaan dan zou dit betekenen dat hij na een lange passantentijd in een huis van bewaring weer terug zou gaan naar de geslotenheid van de kliniek. Daarna zal het heel lang duren voordat wederom een resocialisatiepoging zal worden ondernomen. Daar staat tegenover dat betrokkene op dit moment erg dicht bij een terugkeer in de maatschappij is. Bijzondere zorgvuldigheid is derhalve, met name ook gelet op het belang van betrokkene zelf, geboden.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is het hof met de kliniek en de reclassering van oordeel dat een geleidelijke fasering van de uitstroom uit de terbeschikkingstelling de meest aangewezen en veilige weg is voor betrokkene. Een dergelijk traject stelt betrokkene in staat om, in zorgvuldig gecontroleerde omstandigheden, de geleerde vaardigheden in de praktijk te brengen en om te leren gaan met de vergrote vrijheden en verantwoordelijkheden van het leven buiten een klinische setting. Het hof is van oordeel dat het concreet toewerken naar een resocialisatietraject thans niet langer uitgesteld moet worden. Nu er kennelijk geen inhoudelijke bezwaren bestaan tegen onbegeleide verloven verwacht het hof dat de kliniek met grote voortvarendheid daarnaar toewerkt. In dat verband moet uitdrukkelijk worden opgemerkt dat organisatorische problemen het uitblijven van de aanvraag van onbegeleid verlof voor betrokkene aan niet kunnen rechtvaardigen.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen en teneinde zicht te houden op het resocialisatietraject van betrokkene is het hof van oordeel dat een verlenging van de terbeschikkingstelling voor de duur van een jaar is geïndiceerd. Dit alles betekent overigens niet dat het hof reeds nu van oordeel is dat na ommekomst van dit jaar de tbs-maatregel niet meer verlengd zou moeten worden.

Beslissing:

Het hof:

Vernietigt de beslissing van de rechtbank te Breda van 4 april 2008 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde [terbeschikkinggestelde].

Verlengt de terbeschikkingstelling met een termijn van één jaar.

Aldus gedaan door

mr Wery als voorzitter,

mrs Stikkelbroeck en Van der Vaart als raadsheren,

en drs Boon en drs Harmsen als raden,

in tegenwoordigheid van mr Ten Elshof als griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2009.

De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.