Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BH2333

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
09-02-2009
Datum publicatie
10-02-2009
Zaaknummer
24-002077-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afpersing. Verdachte heeft een kassamedewerker bedreigd met een mes en hem bewogen tot afgifte van een bedrag van € 175,-. Gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002077-08

Parketnummer eerste aanleg: 07-607161-08

Arrest van 9 februari 2009 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 7 augustus 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1982] te [geboorteplaats],

in de gemeentelijk basisadministratie ingeschreven staande te [woonplaats],

[adres],

thans verblijvende in P.I. Noord - De Grittenborgh te Hoogeveen,

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. F.S. Boedhoe, advocaat te Almere.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van afpersing zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 26 maart 2008 in de [plaats]

- met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van 175,- euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de [benadeelde] (filiaal [straat]), in elk geval aan (een) ander(en) dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

- met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van 175,- euro, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de [benadeelde] (filiaal [straat]), in elk geval aan (een) ander(en) dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte:

- een bandana/sjaal voor zijn gezicht droeg en/of

- een mes, in ieder geval een soortgelijk voorwerp, op korte afstand van het gezicht en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft vastgehouden, in ieder geval voor die [slachtoffer] zichtbaar heeft vastgehouden en/of

- die [slachtoffer] heeft toegevoegd: "Geef me je geld" en/of "Nee, geef het papier", althans

(telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Bewijsoverweging

Verdachte heeft ter terechtzitting van het hof verklaard dat hij bij de politie een valse bekentenis heeft afgelegd, omdat dat zijn manier was om wraak te nemen op de politie, aangezien de politie tegen hem had gelogen over de komst van zijn advocaat. In werkelijkheid is hij niet degene geweest die de medewerker van de supermarkt heeft afgeperst, aldus verdachte.

De raadsvrouw heeft bepleit verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde, omdat er voor het overige geen bewijsmiddelen zijn die wijzen in de richting van verdachte.

Het hof overweegt dat uit het proces-verbaal van het vierde verhoor van verdachte (dossierpagina's 70 tot en met 74) blijkt dat verdachte emotioneel wordt als hem foto's van de overval worden getoond en dat verdachte aan de verbalisanten duidelijk maakt dat hij niet naar de foto's wilde kijken. Uit voornoemd proces-verbaal blijkt voorts dat verdachte meteen daarop tegenover de politie bekent dat hij degene is die de kassamedewerker onder bedreiging van een mes geld afhandig heeft gemaakt. Aan deze bekentenis gaan een aantal opmerkingen van verdachte vooraf. Hij begint te vragen wat er is gebeurd met de jongen die achter de kassa zat. Voorts heeft verdachte opgemerkt dat "het toen hij zeventien was een meisje was die achter de kassa zat". Verdachte heeft de volgende dag vervolgens gedetailleerd verklaard over de overval (dossierpagina 82 tot en met 86). Pas ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verdachte voor het eerst verklaard dat zijn bekentenis tegenover de politie vals was. Als reden voor het afleggen van die valse bekentenis, heeft verdachte destijds ter zitting opgegeven dat hij niet wilde dat zijn woonadres zou worden doorzocht door de politie, omdat hij zijn slaapplaats dan kwijt zou raken.

Gelet op de emoties die verdachte toonde toen verbalisanten hem foto's van de overval wilden laten zien en gelet op de opmerkingen die verdachte voorafgaand aan zijn bekennende verklaring tegenover de politie maakte, acht het hof de bekennende verklaring van verdachte geloofwaardig, te meer nu deze verklaring gedetailleerd is en verdachte ter zitting van de rechtbank en het hof wisselende redenen heeft opgegeven voor het afleggen van een valse verklaring. Het hof stoelt dit oordeel tevens op het feit dat verdachte de emoties ter zitting van het hof niet heeft ontkend en voorts dat hij aldaar heeft verklaard op zijn zeventiende inderdaad een overval te hebben gepleegd, hetgeen ook uit zijn justitiële documentatie blijkt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 26 maart 2008 te [plaats] met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van 175 euro, toebehorende aan de [benadeelde] (filiaal [straat]), welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte:

- een bandana/sjaal voor zijn gezicht droeg en

- een mes op korte afstand van het gezicht van die [slachtoffer] heeft vastgehouden en

- die [slachtoffer] heeft toegevoegd: "Geef me je geld" en "Nee, geef het papier".

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

afpersing.

Strafbaarheid

Verdachte is strafbaar. Strafuitsluitingsgronden zijn niet aanwezig.

Strafmotivering

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich op 26 maart 2008 te [plaats] schuldig gemaakt aan afpersing. Verdachte heeft een filiaal van [benadeelde] overvallen, waarbij hij de aanwezige kassamedewerker heeft bedreigd met een mes. Het slachtoffer werd hierdoor gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van € 175,--. Verdachtes handelen is gelet op het dreigende karakter daarvan angstaanjagend geweest voor het slachtoffer en heeft daarnaast gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg gebracht.

Het hof heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 22 januari 2009 eerder is veroordeeld ter zake van strafbare feiten, waaronder afpersing.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, in onderling verband en samenhang bezien,

is het hof met de advocaat-generaal en de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Een deel van de gevangenisstraf zal voorwaardelijk worden opgelegd, mede om te voorkomen dat verdachte zich opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 63 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden;

beveelt, dat van de gevangenisstraf een gedeelte van zes maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. S.H. Wachter, voorzitter, mr. H.M.E. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg en mr. J.P. van Stempvoort, in tegenwoordigheid van

mr. E.M. Mulder als griffier, zijnde mr. Van Stempvoort voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.