Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BH2114

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
28-01-2009
Datum publicatie
05-02-2009
Zaaknummer
07-00536
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Heffingsrente.

Geen (extra) heffingsrente bij duidelijk en volledig verzoek om een voorlopige aanslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/18.12 met annotatie van Redactie
FutD 2009-0318
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belasting

nummer 07/00536

uitspraakdatum: 28 januari 2009

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst te P (hierna: de Inspecteur)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank) van 3 oktober 2007, nummer AWB 07/1046, in het geding tussen de Inspecteur

en

X, wonende te Z (hierna: belanghebbende)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is gelijktijdig met de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2004 bij beschikking heffingsrente berekend ten bedrage van € 4.403.

1.2 Belanghebbende is tegen de beschikking heffingsrente in bezwaar gekomen. De Inspecteur heeft de beschikking bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.

1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 3 oktober 2007 gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de berekende heffingrente verminderd tot € 1.626 en de Inspecteur in de proceskosten veroordeeld.

1.4 De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. De Inspecteur heeft een conclusie van repliek ingediend.

1.5 De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 12 november 2008 te Arnhem door de eerste meervoudige belastingkamer. Daarbij zijn verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende alsmede de Inspecteur.

1.6 De gemachtigde van belanghebbende heeft bij deze mondelinge behandeling een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan met een bijlage, zonder bezwaar van de wederpartij, overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota wordt als hier ingelast aangemerkt.

1.7 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Een afschrift hiervan is aan deze uitspraak gehecht.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting de volgende feiten vast:

2.1 Bij faxbericht met dagtekening 16 oktober 2003 is namens belanghebbende verzocht om de vaststelling van voorlopige aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2003 van € 35.000 en voor het jaar 2004 van € 50.000.

2.2 In afwijking van belanghebbendes verzoek is met dagtekening 14 november 2003 een voorlopige aanslag voor het jaar 2003 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.000. Na ontvangst van de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2002 is deze voorlopige aanslag herroepen en terugbetaald. De definitieve aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2003 resulteerde in een bedrag aan verschuldigde inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen van € 45.945. Belanghebbende is tegen de gelijktijdig in rekening gebrachte heffingsrente in bezwaar gekomen en in het gelijk gesteld.

2.3 Met dagtekening 31 januari 2004 is aan belanghebbende een voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2004 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.000. Met dagtekening 29 december 2004 is een nadere voorlopige aanslag opgelegd van € 16.386, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 50.000.

2.4 Belanghebbende heeft de Inspecteur er niet van in kennis gesteld dat de voorlopige aanslagen – gelet op zijn eerder gedane verzoek – op een te laag bedrag zijn vastgesteld.

2.5 Met dagtekening 8 november 2005 is aan belanghebbende de definitieve aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2004 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 153.067, resulterend in een bedrag aan verschuldigde inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen van € 69.691. Gelijktijdig is aan belanghebbende bij beschikking heffingsrente berekend, uitgaande van de nadere voorlopige aanslag.

2.6 Belanghebbende is tegen de beschikking heffingsrente in bezwaar gekomen.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 Tussen partijen is in geschil of aan belanghebbende terecht heffingsrente in rekening is gebracht over het verschil tussen € 16.386 (de hoogte van de nadere voorlopige aanslag) en € 50.000 (de hoogte van de voorlopige aanslag indien deze overeenkomstig belanghebbendes verzoek zou zijn vastgesteld). De Inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend, belanghebbende ontkennend.

3.2 De Inspecteur stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat de bij de voorlopige aanslagregeling gemaakte fout niet van dien aard is dat de Belastingdienst dermate onzorgvuldig heeft gehandeld dat de heffingsrente moet worden beperkt. Hij heeft zijn standpunt ter zitting aldus verwoord dat belanghebbende weliswaar tijdig en voldoende duidelijk een verzoek om vaststelling van een voorlopige aanslag heeft gedaan, maar dat

– omdat het een ongebruikelijk verzoek betrof – op belanghebbende de inspanningsverplichting rustte de Inspecteur ervan in kennis te stellen dat een onjuiste voorlopige aanslag was opgelegd. Nu belanghebbende dat niet heeft gedaan, dient – volgens de hoofdregel – voor het volle bedrag heffingsrente in rekening te worden gebracht.

3.3 Belanghebbende stelt onder verwijzing naar het besluit van 24 oktober 2001, nr. CPP 2001/2110, VN 2001/60.1.1, en de handelwijze van de Inspecteur met betrekking tot de jaren 2003 en 2007, dat hij erop mocht vertrouwen dat over het verschil tussen de in 3.1 genoemde bedragen geen heffingsrente in rekening zou worden gebracht. Tevens beroept hij zich op het door de Inspecteur in acht te nemen zorgvuldigheidsbeginsel.

3.4 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.5 De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot ongegrondverklaring van het beroep bij de Rechtbank.

3.6 Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Ingevolge artikel 30f, eerste en derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), zoals die bepaling luidde in 2004, wordt met betrekking tot de inkomstenbelasting heffingsrente berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag na het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven en eindigt op de dag van de dagtekening van het aanslagbiljet. Artikel 30h van de AWR bepaalt dat de heffingsrente in rekening wordt gebracht over het positieve bedrag van de belastingaanslag.

4.2 De heffingsrente beoogt te neutraliseren het voor- of nadeel dat voortvloeit uit het later betalen respectievelijk het later terugontvangen van belasting. Het in rekening brengen van heffingsrente is uitdrukkelijk niet bedoeld als een sanctie. Dientengevolge staat, gelijk de Rechtbank heeft geoordeeld, aan de berekening van heffingsrente in beginsel niet in de weg de omstandigheid dat het niet aan de schuld van belanghebbende is te wijten dat een aanslag pas op een zeer laat tijdstip wordt opgelegd waardoor heffingsrente in rekening is gebracht.

4.3 In zijn besluit van 24 oktober 2001, nr. CPP 2001/2110, nr. VN 2001/60.1.1 (hierna: het Besluit) heeft de staatssecretaris van Financiën het volgende standpunt ingenomen:

Standpunt

Mijn hiervoor aangehaalde uitlatingen wettigen, in onderlinge samenhang gelezen, de conclusie dat ook wanneer een aangifte niet binnen drie maanden is gevolgd door voorlopige of definitieve aanslag heffingsrente in rekening kan worden gebracht.

Uit mijn woorden blijkt wel dat de afhandeling van aangiften zo veel mogelijk binnen drie maanden zal plaatsvinden en dat moet worden voorkomen dat onnodig heffingsrente wordt berekend doordat niet binnen een redelijke termijn een voorlopige of een definitieve aanslag wordt opgelegd.

Wel heb ik toegezegd dat wanneer een duidelijk en volledig verzoek om een voorlopige aanslag is gedaan, het in rekening brengen van heffingsrente op verzoek van belastingplichtige beperkt kan worden.

4.4 Het hiervoor vermelde besluit is inmiddels vervangen door het Besluit van 7 maart 2008, nr. CPP2007/3267M, Stcrt. nr. 55. In dat besluit staat onder meer het volgende:

Een belastingplichtige die na afloop van het tijdvak een bedrag aan belasting moet betalen, kan de in rekening te brengen heffingsrente beperken door de Belastingdienst te verzoeken een (nadere) voorlopige aanslag vast te stellen voor het bedrag dat hij verschuldigd zal worden. De Belastingdienst zal steeds zo snel mogelijk, maar in elk geval binnen drie maanden na binnenkomst van een duidelijk en volledig verzoek om de vaststelling van een (nadere) voorlopige aanslag, deze (nadere) voorlopige aanslag vaststellen. Indien de Belastingdienst vervolgens niet binnen drie maanden een (nadere) voorlopige aanslag vaststelt, zal de heffingsrente berekend over de periode van de aan de Belastingdienst te wijten vertraging op verzoek van de belastingplichtige worden verminderd.

4.5 Naar oordeel van het Hof dient het Besluit mede in het licht van het besluit uit 2008 aldus te worden uitgelegd dat wanneer een duidelijk en volledig verzoek om een voorlopige aanslag is gedaan het in rekening brengen van heffingsrente op verzoek van belanghebbende kan worden beperkt tot het bedrag dat zou zijn berekend indien de door een belanghebbende gevraagde voorlopige aanslag drie maanden na het verzoek zou zijn vastgesteld.

4.6 Hierbij neemt het Hof mede in aanmerking dat niet valt in te zien waarom in dezen een onderscheid zou moeten worden gemaakt tussen een verzoek naar aanleiding waarvan in het geheel geen voorlopige aanslag wordt vastgesteld en een verzoek naar aanleiding waarvan een onjuiste voorlopige aanslag wordt vastgesteld.

4.7 Gelet op het hiervoor overwogene kon en mocht belanghebbende aan het Besluit het in rechte te honoreren vertrouwen ontlenen dat indien hij tijdig en voldoende duidelijk zou verzoeken om de vaststelling van een voorlopige aanslag hetgeen door de Inspecteur niet wordt bestreden - de heffingsrente zou worden beperkt tot het bedrag dat zou zijn geheven indien de voorlopige aanslag overeenkomstig zijn verzoek zou zijn vastgesteld.

4.8 De inspanningsverplichting die de Inspecteur verlangt bij een ongebruikelijk verzoek vindt zijn grondslag noch in de wet- en regelgeving noch in het beleid. Het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 13 oktober 1995 waarnaar de Inspecteur in dat verband verwijst, is naar oordeel van het Hof in een geval als het onderhavige geval niet van toepassing. Dit besluit heeft immers slechts betrekking op de beperking van heffingsrente bij navordering in gevallen waarin de Belastingdienst bij de aanslagregeling een schrijf- of tikfout of daarmee gelijk te stellen fout heeft gemaakt.

4.9 Het hoger beroep is ongegrond.

5. Kosten

Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep voor het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken tot een bedrag van € 644 (2 proceshandelingen maal € 322 maal wegingsfactor 1) aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

6. Beslissing

Het Gerechtshof:

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 644 en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

- verstaat dat van de Staat een griffierecht wordt geheven van € 428 na het onherroepelijk worden van deze uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan te Arnhem door mr. J. van de Merwe, voorzitter, mr. M.C.M. de Kroon en mr. W.A.P. Nieuwenhuizen in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.

De beslissing is op 28 januari 2009 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(S. Darwinkel)

(J. van de Merwe)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 29 januari 2009

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.