Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BH1931

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
04-02-2009
Datum publicatie
09-02-2009
Zaaknummer
24-001058-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opzettelijke overtreding van art 8.1 lid 1 Wet milieubeheer. Afvalstoffen. De enkele omstandigheid dat stoffen waarvan afstand wordt gedaan nog commerciële waarde hebben, betekent niet dat die stoffen niet als afvalstoffen kunnen worden beschouwd. Het toepassingsgebied van het begrip afvalstof hangt samen met de betekenis van de term zich ontdoen. Het zwaartepunt ligt bij de intentie en gedragingen van de houder van de stoffen die daarvan afstand doet. Daaraan doet niet af of de ontvanger van de stoffen deze al dan niet als afvalstoffen ziet en of deze er nog iets mee kan. De houder van het materiaal heeft de intentie gehad daarvan afstand te doen. Het aangetroffen materiaal betrof zeefafval en wordt als afvalstof aangemerkt.

Verdachte is veroordeeld tot een geldboete van € 3.000 subsidiair 45 dagen vervangende hechtenis, waarvan € 1.500 subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer 8.1
Wet op de economische delicten
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest van 4 februari 2009 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, economische kamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 17 april 2007 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1951] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon.

Het vonnis waarvan beroep

De economische politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het verdachte impliciet subsidiair ten laste gelegde bewezen zal verklaren en hem ter zake zal veroordelen tot een geldboete van € 3.000,00 subsidiair 45 dagen vervangende hechtenis, waarvan € 1.500,00 subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Hieronder is opgenomen het verdachte ten laste gelegde, zoals verwoord in de inleidende dagvaarding. Het hof heeft ter terechtzitting de tenlastelegging gewijzigd overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal.

Verdachte wordt (na die wijziging) ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 3 augustus 2006 t/m september 2007 in de gemeente [gemeente], al dan niet opzettelijk, zonder daartoe verleende vergunning, een aan of nabij de [straat] te [plaats] gelegen afvalstoffeninrichting (voor de opslag van zeefafval), zijnde een inrichting als bedoeld in Categorie 28 van de bij het Inrichtingen - en vergunningenbesluit milieubeheer behorende Bijlage I, in werking heeft gehad, althans een aan of nabij de [straat] te [plaats] gelegen inrichting als bedoeld in categorie 1.1 en/of categorie 7.1 en/of categorie 9.1 van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende Bijlage I, te weten een pompoenenkwekerij annex handel en opslag van bemestingsstoffen en tuinartikelen en stalling van caravans, heeft veranderd of de werking daarvan heeft veranderd door in deze inrichting (tevens) zeefafval op te slaan.

(art 8.1 lid 1 Wet milieubeheer)

Verweer

Door verdachte is gesteld dat het aangetroffen materiaal geen zeefafval maar houtsnippers betrof en dat het materiaal niet als afvalstof kunnen worden aangemerkt.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

In het artikel 1.1 (oud) van de Wet milieubeheer worden afvalstoffen als volgt gedefinieerd: 'alle stoffen, preparaten of andere producten die behoren tot de categorieën die zijn genoemd in bijlage I bij richtlijn nr. 75/442/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.'

Artikel 1, onder a, van de Richtlijn 75/442/EEG omschrijft afvalstoffen als volgt: 'elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage I genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.'

Uit jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie - voor zover hier van belang - leidt het hof het volgende af.

Het begrip afvalstof moet niet zo beperkt worden opgevat dat daaronder niet de stoffen vallen die voor hergebruik geschikt zijn. De enkele omstandigheid dat stoffen waarvan afstand wordt gedaan nog commerciële waarde hebben, betekent niet dat die stoffen niet als afvalstoffen kunnen worden beschouwd. Het toepassingsgebied van het begrip afvalstof hangt samen met de betekenis van de term zich ontdoen. Bij de uitleg van die term moet rekening worden gehouden met de doelstellingen van de Richtlijn 75/442/EEG; voorkomen moet worden dat daaraan afbreuk wordt gedaan.

Een factor die niet van belang is voor beantwoording van de vraag of er sprake is van een afvalstof, is of de stof op een milieuhygiënisch verantwoorde manier en zonder ingrijpende bewerking nuttig kan worden toegepast.

Een aanknopingspunt kan voorts zijn of en, zo ja, welke vergoeding de ontvanger voor de desbetreffende stoffen betaalt.

Het zwaartepunt ligt derhalve bij de intentie en de gedragingen van de houder van de stoffen die daarvan afstand doet. Daaraan doet niet af of de ontvanger van de stoffen die stoffen al dan niet als afvalstoffen ziet en of die er nog iets mee kan. Een andere opvatting zou een effectieve controle op de naleving van de onderhavige regelgeving illusoir maken.

Uit de stukken is gebleken dat het aangetroffen materiaal afkomstig was van [bedrijf 1] en dat dit materiaal door [bedrijf 2] bij verdachte was afgeleverd. [bedrijf 1] wilde, zo blijkt uit de verklaring van [naam], directeur van [bedrijf 3]. (waaronder [bedrijf 1] valt) van het materiaal af. [bedrijf 2] heeft van [bedrijf 1] een financiële vergoeding voor het afnemen van het materiaal ontvangen. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt tevens dat verdachte op zijn beurt van [bedrijf 2] een financiële vergoeding heeft ontvangen voor de afname van het materiaal.

[naam] heeft verklaard dat het op de foto's getoonde materiaal dat bij verdachte is aangetroffen, afval betrof. Hij heeft voorts aangevoerd dat bij [bedrijf 1] schoon groenafval wordt verwerkt en dat het restproduct dat overblijft wordt afgevoerd als bouw- en sloopafval. Het bij verdachte aangetroffen materiaal wordt door [naam] geduid als 'zeefafval'.

Uit het voorgaande volgt dat de houder van het materiaal de intentie heeft gehad daarvan afstand te doen. Voorts betreft het bij verdachte aangetroffen materiaal naar het oordeel van het hof zeefafval.

Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat verdachte afvalstoffen, te weten zeefafval, aanwezig heeft gehad in zijn inrichting.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat:

hij in de periode van 3 augustus 2006 t/m september 2007 in de gemeente [gemeente], opzettelijk, zonder daartoe verleende vergunning, een aan of nabij de [straat] te [plaats] gelegen inrichting als bedoeld in categorie 1.1 en/of categorie 7.1 en/of categorie 9.1 van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende Bijlage I, te weten een pompoenenkwekerij annex handel en opslag van bemestingsstoffen en tuinartikelen en stalling van caravans, heeft veranderd of de werking daarvan heeft veranderd door in deze inrichting (tevens) zeefafval op te slaan.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd en de persoon van verdachte. Voorts heeft het hof rekening gehouden met verdachtes financiële draagkracht, voor zover deze ter terechtzitting is gebleken. Het hof heeft in het bijzonder gelet op het navolgende.

Verdachte heeft in zijn inrichting, een pompoenenkwekerij annex handel en opslag van bemestingsstoffen en tuinartikelen en stalling van caravans, zeefafval opgeslagen terwijl deze opslag niet vergund was. Door aldus te handelen heeft hij zich schuldig gemaakt aan overtreding van de Wet milieubeheer.

Het hof heeft acht geslagen op een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 3 november 2008, waaruit is gebleken dat verdachte eerder is veroordeeld wegens strafbare feiten.

Gelet op het voorgaande acht het hof het opleggen van een geldboete van na te melden duur aangewezen. Het hof zal een gedeelte van de geldboete voorwaardelijk opleggen, mede om te voorkomen dat verdachte zich opnieuw schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23 (oud), 24 (oud) en 24c (oud) van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a (oud), 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 8.1 (oud) van de Wet milieubeheer.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een geldboete van drieduizend euro;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van vijfenveertig dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

beveelt, dat van de geldboete een gedeelte van duizend vijfhonderd euro, subsidiair dertig dagen hechtenis, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. J.J. Beswerda, voorzitter, mr. H.M.E. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg en mr. E. Pennink, in tegenwoordigheid van mr. I.N. Koers als griffier, zijnde mr. Pennink voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.