Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BH1612

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
02-02-2009
Datum publicatie
03-02-2009
Zaaknummer
24-002954-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 350 Sr. / art. 36 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.

Betreft OM-appel tegen vrijspraak in eerste aanleg.

In hoger beroep eveneens vrijspraak, op grond van het ontbreken van opzet. Aangenomen is dat, zoals de verdachte heeft aangevoerd, sprake is van een ongelukkige samenloop van omstandigheden, als gevolg waarvan een op de golfbaan rondrennende jonge hond in aanraking is gekomen met de golfclub van verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 24-002954-07

parketnummer eerste aanleg: 07-480946-06

Arrest van 2 februari 2009 van het gerechtshof Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 14 november 2007 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1940] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman, mr. J. Vlug, advocaat te Deventer.

Het vonnis waartegen het beroep is gericht

De politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het hierboven genoemde vonnis vrijgesproken en heeft beslist op de vordering van de benadeelde partij, zoals in dat vonnis is omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De officier van justitie is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen. Hij heeft dit hoger beroep aan de verdachte kenbaar gemaakt.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 19 januari 2009, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte vrijspreekt ter zake van het primair ten laste gelegde en ter zake van het subsidiair ten laste gelegde veroordeelt tot een geldboete van € 300,- subsidiair 6 dagen vervangende hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk wordt toegewezen tot een bedrag van

€ 33,- en dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vordering.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Het hof heeft ter terechtzitting de vordering van de advocaat-generaal tot wijziging van de tenlastelegging toegewezen. Een fotokopie van die vordering is aan dit arrest gehecht.

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 13 oktober 2006 te [plaats], in de gemeente [gemeente], opzettelijk en wederrechtelijk een dier, te weten een hond, geheel of ten dele

toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

subsidiair, zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

hij op of omstreeks 13 oktober 2006 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar was, opzettelijk bij een dier, te weten een hond, pijn en/of letsel heeft veroorzaakt en/of de gezondheid van die hond heeft benadeeld, immers heeft hij opzettelijk met een golfclub/golfstick, althans een hard (slag)voorwerp, die hond tegen de kop, althans tegen het lichaam, heeft geslagen.

Vrijspraak

De verdachte heeft ter terechtzitting van het hof aangevoerd dat er sprake is geweest van een ongelukkige samenloop van omstandigheden. De verdachte heeft hierover het volgende verklaard.

Tijdens het golfspel dat de verdachte op 13 oktober 2006 beoefende, is op een gegeven moment een aantal honden het golfparcours opgelopen, waaronder de in de tenlastelegging bedoelde hond, genaamd [naam hond]. Twee van de honden, waaronder genoemde [naam hond], renden spelenderwijs achter elkaar aan in de buurt van de verdachte en lieten zich moeilijk verwijderen van de golfbaan. Op een gegeven moment zijn deze twee honden van de verdachte vandaan gelopen en bevonden deze honden zich voorbij de kop van de green. De verdachte heeft daarop het golfspel hervat. De verdachte stond op dat moment aan de rand van de green, vlakbij een bunker, en maakte zich op om met zijn golfclub, een zogenaamde putter, zijn speelbal over een afstand van ongeveer 10 tot 15 meter in de hole te plaatsen althans zo dicht mogelijk in de buurt van de hole te plaatsen. Tijdens het oefenen van een daartoe geëigende korte slagbeweging, waarmee de verdachte zijn bal in de richting van de hole wilde slaan, verkeerde de verdachte in de veronderstelling dat de twee honden zich niet meer in zijn buurt bevonden. Terwijl verdachte aldus aan het oefenen was met die putter, is de hard rennende hond [naam hond] in aanraking gekomen met de golfclub/putter van de verdachte op het moment waarop de verdachte bij wijze van oefenslag doende was een achterwaartse beweging met zijn golfclub te maken.

Gelet op de inhoud van het strafdossier zijn er naar het oordeel van het hof onvoldoende gronden om te twijfelen aan de juistheid van de lezing van de verdachte omtrent de feitelijk toedracht van hetgeen is gebeurd zodat het hof daarvan uit gaat.

Dit leidt tot de conclusie dat het ten laste gelegde opzet op zowel het primair als subsidiair ten laste gelegde ontbreekt en dat daarom vrijspraak van zowel het primair als subsidiair ten laste gelegde moet volgen.

Vordering van de benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde] zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat de benadeelde partij in eerste aanleg niet-ontvankelijk is verklaard in de vordering en dat de benadeelde partij zich binnen de grenzen van de eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

De benadeelde partij dient in verband met de vrijspraak van de verdachte niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering. Gelet op het vorenstaande dient de benadeelde partij, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waartegen het beroep is gericht, en opnieuw recht doende:

verklaart het aan de verdachte primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. S.H. Wachter, voorzitter, mr. K.J. van Dijk en

mr. J.P. van Stempvoort, in tegenwoordigheid van H. Kingma als griffier.

Mrs. Van Dijk en Van Stempvoort zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.