Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BH1400

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
21-01-2009
Datum publicatie
30-01-2009
Zaaknummer
07-00444
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Algemeen.

Uitspraak op niet bestaand bezwaar vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2009/425
FutD 2009-0286
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

sector belasting

nummer 07/00444

uitspraakdatum: 21 januari 2009

tweede meervoudige belastingkamer

op het beroep van X (hierna: belanghebbende)

inzake de door de heffingsambtenaar van de gemeente Almere (hierna; de Ambtenaar) opgelegde aanslag onroerende zaakbelasting 2002 met nummer 01.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Op 30 augustus 2007 is bij het Hof ingekomen een door de griffier van de Rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de Rechtbank) op de voet van art. 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) doorgezonden beroepschrift van belanghebbende van 2 januari 2007, welk beroepschrift was gericht aan de Rechtbank. Het beroepschrift vermeldt als aanslagnummer 01. Blijkens de stukken van het geding betreft dit nummer het aanslagbiljet met dagtekening 31 mei 2002 met daarop ver-meld de aan belanghebbende opgelegde aanslagen onroerende-zaakbelasting 2002 en rioolrecht 2002.

1.2. De Ambtenaar heeft een verweerschrift met bijlagen ingediend.

1.3. Bij brief van 2 december 2007 heeft belanghebbende verzocht om een mondelinge behande-ling van het beroep.

1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad op 11 december 2008 te Arnhem. Bij fax van 10 december 2008 heeft de Ambtenaar laten weten verhinderd te zijn de zitting bij te wonen. Ook belanghebbende, hoewel daarvoor uitgenodigd bij per aangetekende post verzonden brief van 3 november 2008 gericht aan het laatste van belanghebbende bekende adres a-straat 1, te Q, is zonder bericht niet verschenen. Uit een tot de stukken van het geding behorende ontvangstbevesti-ging blijkt dat de uitnodiging op 10 november 2008 op het adres van belanghebbende is uitgereikt aan een persoon die voor ontvangst heeft getekend. Na aanvang van de behandeling ter zitting heeft de voorzitter het onderzoek ter zitting meteen gesloten.

1.5. Na de zitting van 11 december 2008 is ter griffie van het Hof een brief, gedagtekend 7 decem-ber 2008, van belanghebbende ontvangen. Deze brief is geadresseerd ‘Paleis van Justitie, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem’. Dit is het postadres voor zowel de Rechtbank te Arnhem als het Gerechts-hof te Arnhem. De brief vermeldt: ‘Uw ref.: BK/M2-07/00444’. De brief bevat overigens geen verwijzing naar de onderhavige procedure. De brief is blijkens een daarop geplaatst stempel op 10 december 2008 binnengekomen bij de griffie van de Rechtbank te Arnhem. Nadat de griffie van de Rechtbank gewaar was geworden dat de brief was bestemd voor de belastingkamer van het Ge-rechtshof is de brief doorgezonden aan het Hof. De brief is op 23 december 2008 ter griffie van het Hof ontvangen. In de brief schrijft belanghebbende dat zij al geruime tijd een zoon in huis heeft die in psychose is geraakt, dat de zoon voorlopig op haar adres blijft wonen, dat zij uitstel verzoekt van de behandeling van haar zaak ter zitting en dat zij vanwege de omstandigheden voorlopig niet kan komen om haar zaak toe te lichten.

1.6. Het Hof vindt in het gestelde in de brief geen aanleiding de behandeling van de zaak te hero-penen. Eerst ongeveer vier weken na de ontvangst van de uitnodiging voor de mondelinge behande-ling van de zaak doet belanghebbende een verzoek om uitstel. Uit de brief van 7 december 2008 blijkt niet dat een verzoek om uitstel niet eerder kon worden gedaan of dat sprake is van een omstan-digheid op grond waarvan een reden voor een verzoek om uitstel eerst kort voor de zitting van 11 december 2008 is opgekomen. Het Hof heeft bij zijn beslissing om geen uitstel te verlenen ook in aanmerking genomen de feiten en omstandigheden alsmede de overwegingen die ten grondslag liggen aan de hierna opgenomen beslissing.

2. Vaststaande feiten

2.1. Volgens mededeling van belanghebbende in een aan de Rechtbank gerichte brief van 1 augustus 2007 is de onroerende zaak b-straat 2 te R (hierna: de onroerende zaak) op 26 maart 1998 gekocht voor € 158.823 en verkocht voor € 245.000. In de brief worden met betrekking tot de verkoop als data vermeld augustus 2002 dan wel 2003.

2.2. De Ambtenaar heeft bij beschikking van 31 januari 2001 de WOZ-waarde van de onroe-rende zaak voor het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004 naar de peildatum 1 januari 1999 vastgesteld op € 315.831. Tegen deze beschikking is geen bezwaarschrift ingediend.

2.3. Bij aanslagbiljet gedagtekend 15 december 2001 is aan belanghebbende de voor het jaar 2001 opgelegde aanslagen onroerende zaakbelasting (eigenaar) en rioolrecht (eigenaar) bekend-gemaakt. Op het biljet is als WOZ-waarde vermeld: € 315.831. Tegen deze aanslagen is geen bezwaarschrift ingediend.

2.4. Bij aanslagbiljet gedagtekend 31 mei 2002 met aanslagnummer 2108210 zijn aan belang-hebbende de voor het jaar 2002 opgelegde aanslagen onroerende zaakbelasting (eigenaar) en rioolrecht (eigenaar) bekendgemaakt. Op het biljet is als WOZ-waarde vermeld: € 315.831.

2.5. Naar belanghebbende stelt en de Ambtenaar eerst in het geding voor het Hof erkent, heeft belanghebbende op 4 juni 2002 bezwaar gemaakt tegen de aanslag onroerende-zaakbelasting 2002 en daarbij tevens verzocht om kwijtschelding.

2.6. Bij een aan de Ambtenaar gerichte brief van 17 november 2002 heeft belanghebbende het bezwaar tegen de aanslag onroerende zaakbelasting 2002 en het verzoek om kwijtschelding herhaald.

2.7. Bij uitspraak van 20 maart 2003 heeft de Ambtenaar het bezwaar van 17 november 2002 tegen de aanslag onroerende-zaakbelasting 2002 niet-ontvankelijk verklaard in verband met overschrijding van de bezwaartermijn. Tegen deze uitspraak op bezwaar is geen beroepschrift ingediend.

2.8. Op 22 maart 2005 is aan belanghebbende een dwangbevel met betrekking tot het niet betalen van de aanslag onroerende-zaakbelasting 2002 betekend. Daarbij zijn kosten van een aanmaning en van het dwangbevel in rekening gebracht alsmede invorderingsrente.

2.9. Bij een aan de gemeente Almere gerichte brief van 22 maart 2005, aldaar ingekomen op 24 maart 2005, verzoekt belanghebbende enkel om intrekking van het dwangbevel.

2.10. Op 25 november 2006 doet de Ambtenaar uitspraak op het bezwaar van belanghebbende van 22 maart 2005 tegen het dwangbevel. In de uitspraak verklaart de Ambtenaar het bezwaar niet-ontvankelijk en deelt mee dat de waardebeschikking en de aanslag onroerende zaakbelastin-gen, onder verwijzing naar aanslagnummer 01 van de aanslag onroerende-zaakbelasting 2002, terecht aan belanghebbende zijn gezonden. In de uitspraak wordt niet ingegaan op het dwangbe-vel waartegen het bezwaar van 22 maart 2005 zich richtte.

2.11. Op 4 januari 2007 is bij de Rechtbank een beroepschrift van belanghebbende ingekomen dat blijkens vermelding in het opschrift betrekking heeft op de aanslag met nummer 01, te weten de aanslag onroerende zaakbelasting voor het jaar 2002.

2.12. Tijdens de procedure bij de Rechtbank heeft de Ambtenaar verklaard dat hij het dwangbe-vel van 22 maart 2003 en de daarbij in rekening gebrachte kosten en rente heeft ingetrokken.

2.13. Bij uitspraak van 29 augustus 2007 heeft de Rechtbank (1) het beroep niet-ontvankelijk verklaard voor zover betrekking hebbend op het dwangbevel en de daarbij in rekening gebrachte kosten en rente, (2) zich voor het overige onbevoegd verklaard kennis te nemen van het beroep, en (3) gelast dat de Ambtenaar aan belanghebbende het voor het instellen van het beroep betaalde griffierecht vergoedt. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld bij het Hof.

3. Geschil, standpunten en conclusies van partijen

Tussen belanghebbende en de Ambtenaar bestaat, naar het Hof begrijpt, verschil van mening over de naar de peildatum 1 januari 1999 in aanmerking te nemen waarde voor de onroerende zaak.

Belanghebbende bepleit, naar het Hof begrijpt, een lagere waarde voor de onroerende zaak naar de peildatum 1 januari 1999.

De Ambtenaar concludeert primair tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep en subsidiair tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Vast staat dat belanghebbende geen bezwaar heeft gemaakt tegen de WOZ-beschikking van 31 januari 2001. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende deze beschikking niet heeft ontvangen.

4.2. Indien al zou moeten worden aangenomen dat belanghebbende de WOZ-beschikking niet heeft ontvangen, dan heeft belanghebbende uiterlijk bij de aanslag onroerende zaakbelasting 2001 met dagtekening 15 december 2001 van de WOZ-waarde kennis kunnen nemen. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende deze aanslag niet heeft ontvangen of dat belanghebbende tegen deze aanslag bezwaar heeft gemaakt.

4.3. Volgens de tot 1 januari 2005 geldende wetgeving kon alleen bezwaar worden gemaakt tegen de in een WOZ-beschikking opgenomen waarde van een onroerende zaak in een bezwaar-schrift tegen die beschikking. Bezwaar tegen een nadien in een aanslagbiljet genoemde WOZ-waarde was toen niet mogelijk. Nu belanghebbende tegen de eerdere vaststelling van de WOZ-waarde geen bezwaar heeft gemaakt kan het in het aan de Rechtbank gerichte beroepschrift van 2 januari 2007 vervatte beroep tegen de voor het jaar 2002 als heffingsmaatstaf gehanteerde WOZ-waarde van € 315.831 reeds daarom niet slagen.

4.4. De uitspraak op bezwaar van 25 november 2006 betrof het bezwaarschrift van belangheb-bende van 22 maart 2005 tegen het dwangbevel met betrekking tot het niet betalen van de aansla-gen voorkomende op het aanslagbiljet gemeentelijke belastingen 2002. In het bezwaarschrift vraagt belanghebbende enkel om intrekking van het dwangbevel. In het bezwaarschrift wordt met geen enkel woord gerept over een bezwaar tegen de aanslag waarop het dwangbevel ziet.

4.5. Het door de Rechtbank aan het Hof doorgezonden beroepschrift van belanghebbende van 2 januari 2007 is klaarblijkelijk een reactie op de uitspraak op bezwaar van de Ambtenaar van 25 november 2006. Het beroep tegen die uitspraak is tijdig ingesteld.

4.6. Gelet op de feiten en op hetgeen hiervoor is overwogen komt het Hof tot de volgende conclusies.

4.6.1. Belanghebbende heeft niet tijdig bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van de WOZ-waarde in de WOZ-beschikking van 31 januari 2001.

4.6.2. Belanghebbende heeft op 4 juni 2002 tijdig bezwaar gemaakt tegen de aanslag onroerende zaakbelasting 2002. Bij uitspraak op bezwaar van 20 maart 2003 heeft de Ambtenaar dit bezwaar terecht niet ontvankelijk verklaard. De motivering voor het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar is evenwel onjuist. Van een overschrijding van de termijn voor het instellen van bezwaar is geen sprake. Het bezwaar is niet-ontvankelijk omdat het is gericht tegen de als heffingsmaat-staf in aanmerking genomen WOZ-waarde in de aanslag onroerende zaakbelasting 2002.

4.6.3. Voor het geval het ervoor moet worden gehouden dat de Ambtenaar in de uitspraak van 20 maart 2003 belanghebbende met de niet-ontvankelijkverklaring wegens termijnoverschrijding op het verkeerde been heeft gezet, kan dit belanghebbende niet baten. Indien de Ambtenaar juist had gehandeld had hij, zoals hiervoor overwogen, het bezwaar met betrekking tot de WOZ-waarde als vermeld in de aanslag onroerende zaakbelasting 2002 niet-ontvankelijk moeten verklaren.

4.6.4. Voor zover het bezwaarschrift van 22 maart 2005 tegen het dwangbevel als een bezwaar tegen de uitspraak op bezwaar van 20 maart 2003 zou moeten worden aangemerkt, had de Amb-tenaar dit tweede bezwaar op de voet van art. 6:15 Awb als beroepschrift aan het Hof moeten doorzenden. Dit beroep zou dan wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

4.6.5. Voor zover het door de Rechtbank aan het Hof doorgezonden beroepschrift van 2 januari 2007 betrekking heeft op de WOZ-waarde zoals vermeld in het aanslagbiljet over het jaar 2002 is het beroepschrift, gelet op de dagtekening van 20 maart 2003 van de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de aanslag over het jaar 2002, te laat ingediend en zou het niet-ontvankelijk moe-ten worden verklaard.

4.6.6. Voor zover het door de Rechtbank aan het Hof doorgezonden beroepschrift van 2 januari 2007 betrekking heeft op de uitspraak van de Ambtenaar van 25 november 2006 op het bezwaar tegen het dwangbevel is de belastingrechter onbevoegd kennis te nemen van het geschrift.

4.6.7. Het door de Rechtbank aan het Hof doorgezonden beroepschrift van 2 januari 2007 is naar het oordeel van het Hof niet gericht tegen de aanslag onroerende-zaakbelasting voor het jaar 2002. Uit het bezwaarschrift tegen het dwangbevel valt niet af te leiden dat het is gericht tegen deze aanslag. De Ambtenaar heeft daarmee uitspraak gedaan op een niet bestaand bezwaar. De uitspraak op bezwaar moet daarom worden vernietigd. Het beroep is daarom gegrond.

4.7. Ten overvloede merkt het Hof nog het volgende op. De Ambtenaar heeft naar aanleiding van de ingediende bezwaarschriften geen nader onderzoek naar de waarde van de onroerende zaak van belanghebbende laten verrichten, omdat hij de bezwaarschriften niet-ontvankelijk achtte. De Ambtenaar had de bezwaarschriften echter ook als verzoeken om toepassing van artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit Wet waardering onroerende zaken kunnen aanmerken. Nu belanghebbende de onroerende zaak op 26 maart 1998 heeft aangekocht voor € 158.823 en de Ambtenaar de onroe-rende zaak per 1 januari 1999 heeft gewaardeerd op € 315.831, lijkt een nader onderzoek naar de waarde per die datum op z’n plaats.

5. Slotsom

Het beroep is gegrond.

6. Kosten

Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht vindt het Hof geen termen aanwezig.

7. Beslissing

Het Gerechtshof

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de Ambtenaar.

Aldus gedaan te Arnhem door mr. Röben, voorzitter, mrs. Spek en Kromhout, in tegenwoordigheid van mr. Egberts als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2009.

(J.L.M. Egberts) (J.B.H. Röben)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

postbus 20303, 2500 EH Den Haag

(bezoekadres: Kazernestraat 52).

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassa-tie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.