Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BH0886

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
26-01-2009
Datum publicatie
27-01-2009
Zaaknummer
24-001387-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt voor een mishandeling en het voorhanden hebben van een vuurwapen veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren en een werkstraf voor de duur van honderd uren, subsidiair te vervangen door 50 dagen hechtenis. Voorts wordt het inbeslaggenomen vuurwapen onttrokken aan het verkeer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-001387-07

Parketnummer eerste aanleg: 07-607065-07

Arrest van 26 januari 2009 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 29 mei 2007 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1974] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. M.W. Bouwman, advocaat te Amsterdam.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het onder 1 primair ten laste gelegde zal vrijspreken en hem ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof het in beslag genomen vuurwapen zal onttrekken aan het verkeer.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Het hof heeft ter terechtzitting de tenlastelegging gewijzigd overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal, zodat verdachte thans ten laste is gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 14 februari 2007 in de gemeente [gemeente 1] [naam], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, in ieder geval alleen, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een pistool, in ieder geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, gericht op het lichaam van die [naam] en/of die [naam] meermalen, in ieder geval éénmaal, op/tegen/in het gezicht geslagen/gestompt en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd: "Of moet ik schieten.", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

althans, indien het bovenstaande niet leidt tot een veroordeling,

hij op of omstreeks 14 februari 2007 in de gemeente [gemeente 1] opzettelijk mishandelend een persoon genaamd [naam] met zijn hand of vuist in of tegen het gezicht heeft geslagen, tengevolge waarvan genoemde [naam] pijn en/of letsel ondervond;

2.

hij op één of meer tijdstippen op of omstreeks 14 februari 2007 in de gemeente [gemeente 1] en/of in de gemeente[gemeente 2], in ieder geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een andere of anderen in ieder geval alleen, een of meer wapens van categorie III, te weten een pistool (merk: FN) (samengesteld uit type 10 en type 22), en/of munitie van categorie III, te

weten 5 kogelpatronen (kaliber 7,65 mm, bodemstempel: S&B) (horende bij voornoemd pistool) voorhanden heeft gehad.

Vrijspraak

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 1 primair aan verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht ten aanzien van verdachte bewezen dat:

1.

hij op 14 februari 2007 in de gemeente [gemeente 1] opzettelijk mishandelend een persoon genaamd [naam] met zijn hand of vuist in of tegen het gezicht heeft geslagen, tengevolge waarvan genoemde [naam] pijn ondervond;

2.

hij op 14 februari 2007 in de gemeente [gemeente 1] en in de gemeente [gemeente 2] een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk: FN) (samengesteld uit type 10 en type 22), en munitie van categorie III, te weten 5 kogelpatronen (kaliber 7,65 mm, bodemstempel: S&B) (horende bij voornoemd pistool) voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 subsidiair en onder 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

onder 1 subsidiair: mishandeling;

onder 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft een vuurwapen en daarbij behorende munitie voorhanden gehad. In zijn algemeenheid kan het voorhanden hebben van een wapen een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich meebrengen en een gevoel van onveiligheid in de maatschappij veroorzaken. Verdachte heeft daaraan bijgedragen.

Daarnaast heeft verdachte [naam] mishandeld. Door zijn handelen heeft verdachte de lichamelijke integriteit van [naam] aangetast. Het hof rekent het verdachte zwaar aan dat hij bewust de confrontatie met [naam] heeft gezocht terwijl hij het boven genoemde vuurwapen in zijn auto had liggen en dit derhalve in een conflictueuze situatie voorhanden had, met alle risico's van dien.

Het hof heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 27 oktober 2008 niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting van het hof betoogd dat er na het instellen van het hoger beroep veel tijd is verstreken en dat hiermee rekening dient te worden gehouden bij de strafoplegging. Het hof begrijpt haar betoog aldus dat zij stelt dat er sprake is van schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Op 30 mei 2007 is namens verdachte hoger beroep ingesteld, terwijl het dossier op 3 april 2008 bij het ressortparket in Leeuwarden is ontvangen. Daarmee is de voor deze zaak geldende jurisprudentiële inzendtermijn van 8 maanden overschreden. Het hof is van oordeel dat deze overschrijding van de inzendtermijn wordt gecompenseerd door de afdoening van de strafzaak in twee instanties binnen twee jaren. Het hof zal derhalve volstaan met het constateren van voormelde overschrijding.

Het hof ziet geen aanleiding om bij de straftoemeting af te wijken van de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting, die indicatief zijn voor de straffen die het hof in soortgelijke zaken pleegt op te leggen, en zal derhalve afwijken van de strafeis van de advocaat-generaal. Het hof zal aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf van na te melden duur opleggen.

De voorwaardelijke gevangenisstraf is mede bedoeld te voorkomen dat verdachte zich opnieuw aan (soortgelijke) strafbaar feiten schuldig zal maken.

Onttrekking aan het verkeer

Het door het hof aan het verkeer te onttrekken inbeslaggenomen vuurwapen is daarvoor vatbaar. Immers, met dat vuurwapen is het hiervoor onder 2 bewezen verklaarde feit begaan en het is van zodanige aard, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c (oud), 22d, 36b (oud), 36c, 57 (oud) en 300 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het verdachte onder 1 subsidiair en onder 2 ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 subsidiair en onder 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden;

beveelt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

veroordeelt verdachte tevens tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van honderd uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van vijftig dagen zal worden toegepast;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de voormelde werkstraf geheel in mindering wordt gebracht, berekend naar de maatstaf van twee uren werkstraf per dag;

verklaart aan het verkeer onttrokken:

een vuurwapen (pistool), kaliber 7,65.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H.M.E. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg, voorzitter, mr. F. Vellinga-Schootstra en mr. B.F. Keulen, in tegenwoordigheid van mr. M. Koster als griffier, zijnde mrs. Vellinga-Schootstra en Keulen voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.