Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BH0079

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
07-01-2009
Datum publicatie
16-01-2009
Zaaknummer
07-00557
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Algemeen.

Bezwaar in boetezaak terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding omdat falend toezicht op werknemer voor risico van werkgever komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/18.7 met annotatie van Redactie
BA 2009/29
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belasting

nummer 07/00557

uitspraakdatum: 7 januari 2009

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

BV X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank te Arnhem (hierna: de Rechtbank) van 16 oktober 2007, nummer AWB 07/424, in het geding tussen belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst P (hierna: de Inspecteur)

betreffende na te melden boetebeschikkingen.

1. Ontstaan en loop van het geding bij de Rechtbank

1.1. Aan belanghebbende zijn over tijdvakken gelegen in de jaren 2005 en 2006 diverse naheffingsaanslagen in de omzetbelasting opgelegd. Daarbij zijn gelijktijdig even zo vele verzuimboeten opgelegd wegens het niet (tijdig) doen van de aangifte en/of niet (tijdig) betalen van de verschuldigde omzetbelasting.

1.2 Belanghebbende heeft bij brief van 1 augustus 2006, ontvangen door de Inspecteur op 3 augustus 2006, onder meer bezwaar aangetekend tegen de bij bedoelde naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegde boeten met de volgende aanslagnummers:

• 1 (tijdvak juni 2005)

• 2 (tijdvak juli 2005)

• 3 (tijdvak augustus 2005)

• 4 (tijdvak januari 2006)

• 5 (tijdvak februari 2006)

• 6 (tijdvak maart 2006)

• 7 (tijdvak maart 2006)

Bij in één geschrift vervatte uitspraken van 4 oktober 2006 heeft de Inspecteur voornoemde bezwaren wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.

1.3 Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft op 16 oktober 2007 uitspraak gedaan in een zevental zaken betreffende aan belanghebbende en/of aan haar gelieerde BV’s opgelegde naheffingsaanslagen in de omzetbelasting en loonbelasting. Het beroep van belanghebbende in de onderhavige zaak (rechtbanknummer Awb 07/424) is daarbij ongegrond verklaard.

2. Geding voor het Hof

2.1. Bij brief van 23 november 2007, ingekomen bij de Rechtbank op 27 november 2007, is door de directeur van belanghebbende in zijn hoedanigheid van directeur van BV Y tegen alle zeven uitspraken van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Bij brief van 3 maart 2008 aan de griffier van dit Hof heeft belanghebbende aangegeven vanwege de verschuldigde griffierechten af te willen zien van het doorzetten van het hoger beroep in de zes overige zaken en slechts het hoger beroep in de onderhavige zaak 07/424 te willen voortzetten.

2.2. De Inspecteur heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 26 november 2008 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen de gemachtigde/directeur van belanghebbende en de Inspecteur.

2.4. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

3. De feiten

3.1. Belanghebbende staat in de jaren 2005 en 2006 bij de Belastingdienst geregistreerd als belastingplichtig ondernemer voor de omzetbelasting met de verplichting om per tijdvak van een maand aangifte te doen. Geconstateerd is dat belanghebbende met betrekking tot de onder 1.2. genoemde tijdvakken verzuimd heeft tijdig aangifte omzetbelasting te doen dan wel de verschuldigde omzetbelasting niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet–tijdig heeft betaald, dan wel dat zich een combinatie van beide verzuimen heeft voorgedaan.

3.2. De Inspecteur heeft na constatering daarvan de onder 1.2. vermelde naheffingsaanslagen met verzuimboeten opgelegd. Belanghebbende en de desbetreffende aan haar gelieerde BV’s zijn in een gecombineerd bezwaarschrift dat op 3 augustus 2006 ter inspectie is binnengekomen in bezwaar gekomen tegen met name de opgelegde boeten.

3.3. Bij brief van 4 september 2006 heeft de Inspecteur belanghebbende medegedeeld dat het voornemen bestond om haar bezwaar af te wijzen maar haar tevens de gelegenheid gegeven om nadere informatie te verstrekken en/of te worden gehoord. Hierop is van belanghebbende geen reactie ontvangen.

4. Geschil, standpunten en conclusies van partijen

4.1. In geschil is uitsluitend het antwoord op de vraag of belanghebbende door de Inspecteur terecht niet-ontvankelijk is verklaard in haar bezwaren tegen de haar bij de onder 1.2. vermelde naheffingsaanslagen opgelegde verzuimboeten. Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend en de Inspecteur bevestigend.

4.2. Elk van de partijen heeft voor haar standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van haar afkomstige stukken. Met name benadrukt belanghebbende in hoger beroep dat haar op grond van recente rechtspraak in redelijkheid geen verwijt kan worden gemaakt dat zij in verzuim is geweest nu haar verantwoordelijke werknemer wegens privé-omstandigheden niet naar behoren functioneerde. De Inspecteur verdedigt primair dat aan de beoordeling of de verzuimen verschoonbaar zijn niet wordt toegekomen nu het bezwaar niet tijdig is ingediend en belanghebbende voor de verschoonbaarheid van de beroepstermijn zelf niets heeft aangevoerd. Subsidiair acht hij de door belanghebbende aangevoerde feiten en omstandigheden voor de bestaande verzuimen met betrekking tot haar aangifte- en betalingsverplichtingen onvoldoende om te spreken van afwezigheid van alle schuld.

4.3. Daaraan is mondeling toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

4.4. Belanghebbende verzoekt in hoger beroep om vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en de Inspecteur en de vernietiging van de onderhavige boetebeschikkingen.

4.5. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

5. Beoordeling van het geschil

5.1 Niet in geschil is dat het bezwaarschrift is ingediend na afloop van de wettelijke termijn. Op grond van artikel 6:11 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Nu het bezwaar een aan belanghebbende opgelegde boete betreft en zij stelt dat de termijnoverschrijding te wijten is aan een niet aan haar toe te rekenen omstandigheid, kan de niet-ontvankelijkheid slechts worden uitgesproken indien de onjuistheid van deze stelling wordt bewezen (HR 22 juli 1988, nr. 24.998, BNB 1988/292).

5.2. Belanghebbende stelt dat de termijnoverschrijding het gevolg is van het tekortschieten van een werknemer in diens taakuitoefening. Naar het oordeel van het Hof ligt het op de weg van belanghebbende als werkgever toezicht te houden op de werkzaamheden van haar werknemer. Uit de gedingstukken en hetgeen belanghebbende in dit verband bij de behandeling van de zaak ter zitting naar voren heeft gebracht, concludeert het Hof dat belanghebbende onvoldoende toezicht heeft gehouden op de werkzaamheden van haar werknemer die verantwoordelijk was voor het indienen van de aangiften omzetbelasting en het betalen van de verschuldigde belasting. Het is belanghebbende aan te rekenen dat zij onvoldoende toezicht heeft gehouden. Daarom is het haar ook aan te rekenen dat – als gevolg daarvan – de onderhavige aangiften en betalingen niet, althans niet tijdig, zijn gedaan. Daarmee is de onjuistheid bewezen van belanghebbendes stelling dat de termijnoverschrijding haar niet is toe te rekenen. De Inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk verklaard. De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende terecht ongegrond verklaard.

6. Proceskosten

Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb vindt het Hof geen termen aanwezig.

7. Beslissing

Het Gerechtshof: bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan te Arnhem door mr. M.C.M. de Kroon, voorzitter, mr. R. den Ouden en mr. J. van de Merwe, in aanwezigheid van mr. A. Vellema als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2009.

De griffier De voorzitter

(A. Vellema) (M.C.M. de Kroon)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

postbus 20303, 2500 EH Den Haag

(bezoekadres: Kazernestraat 52).

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.