Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BH5088

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
09-12-2008
Datum publicatie
06-03-2009
Zaaknummer
200.006.081
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Alimentatie, limitering oud geval, verzoek tot beëindiging na 15 jaar wordt afgewezen en op verzoek van de vrouw wordt de termijn verlengd, zonder de mogelijkheid van verdere verlenging. Art II lid 2 Overgangsregeling wet limitering alimentatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2009, 22
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer 200.006.081

beschikking van de familiekamer van 9 december 2008

inzake

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster, verder te noemen “de vrouw”,

advocaat: mr. G.H.J. Spee,

tegen:

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder, verder te noemen “de man”,

advocaat: mr. A.T. Bolt.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Arnhem van 28 januari 2008, uitgesproken onder zaak/rekestnummer 156297 / FA RK

07-11296.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift en aanvullend beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 28 april 2008 respectievelijk 10 juni 2008, is de vrouw in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Zij verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek tot limitering af te wijzen, althans de door de man te betalen bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw trapsgewijs te verminderen, althans de ingangsdatum op een later tijdstip vast te stellen, kosten rechtens.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 27 juni 2008, heeft de man het verzoek in hoger beroep van de vrouw bestreden. Hij verzoekt het hof de vrouw in haar verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar verzoeken af te wijzen met bekrachtiging van de bestreden beschikking, kosten rechtens.

2.3 De mondelinge behandeling heeft op 18 november 2008 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, de vrouw bijgestaan door haar advocaat en de man bijgestaan door mr. A.S. Sanders-Sijbom, advocaat te Eindhoven.

2.4 Het hof heeft kennis genomen van de overige stukken, waaronder een brief van de advocaat van de vrouw van 5 november 2008 met bijlagen.

3. De vaststaande feiten

Ten aanzien van partijen

3.1 Partijen zijn op 19 december 1970 met elkaar gehuwd. Bij vonnis van 9 februari 1984 heeft de rechtbank Arnhem echtscheiding tussen hen uitgesproken, welk echtscheidingsvonnis op 14 maart 1984 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2 Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

- [kind 1], op [geboortedatum] 1975,

- [kind 2], op [geboortedatum] 1978, en

- [kind 3], op [geboortedatum] 1981.

3.3 In voormeld echtscheidingsvonnis is onder meer overwogen dat de man, zolang de vrouw de woning [adres] bewoont, bij wijze van alimentatie voor de vrouw en de minderjarige kinderen zal betalen de maandelijkse vaste lasten van die woning, exclusief het gebruikersgedeelte van de onroerendgoedbelasting en exclusief gas, elektriciteit en water, alsmede de premies van de toenmalig lopende WA-verzekering en ongevallen verzekering.

3.4 Bij beschikking van 22 mei 1990 heeft de rechtbank Arnhem, op verzoek van de vrouw, voor zover thans van belang, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud met ingang van 1 april 1990 vastgesteld op ƒ 1.500,- (€ 680,67) per maand en het verzoek van de man zijn alimentatieverplichting in tijd te beperken afgewezen.

3.5 Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 22 augustus 1995 heeft de rechtbank Arnhem de bij beschikking van 22 mei 1990 vastgestelde bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw gewijzigd en deze bijdrage met ingang van 1 december 1994 nader vastgesteld op ƒ 2.750,- (€ 1.247,90) per maand, onder uitsluiting van de wettelijke indexering per 1 januari 1995. Voorts heeft de rechtbank in die beschikking het verzoek van de man tot limitering van voormelde onderhoudsbijdrage afgewezen. Voormelde onderhoudsbijdrage bedraagt ingevolge de wettelijke indexering per 1 januari 2008 € 1.697,32 per maand.

3.6 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank op 24 mei 2007, heeft de man verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van 22 augustus 1995 te wijzigen in die zin, dat de alimentatieverplichting ten opzichte van de vrouw op nihil wordt gesteld met ingang van 15 maart 2007, althans op een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist acht.

3.7 Bij de bestreden uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking heeft de rechtbank de verplichting van de man om een bijdrage te leveren in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw, zoals laatstelijk vastgesteld bij beschikking van 22 augustus 1995, met ingang van 1 mei 2008 beëindigd, met afwijzing van het meer of anders verzochte.

Ten aanzien van de man

3.8 De man, geboren op 8 mei 1946, heeft blijkens het door hem in eerste aanleg als productie 10 bij zijn verzoekschrift overgelegde pensioenoverzicht een pensioengevend jaarsalaris van € 82.317,65. De man is voornemens om met prepensioen te gaan. Vanaf dat moment bedraagt zijn inkomen blijkens voormeld pensioenoverzicht € 26.616,78 bruto per jaar.

Ten aanzien van de vrouw

3.9 De vrouw, geboren op 16 september 1947, is alleenstaand. De vrouw had tot 1 mei 2008 naast de door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud, geen andere bron van inkomsten. Vanaf 1 mei 2008 ontvangt zij een WWB-uitkering van € 850,36 netto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag. Na pensionering van de man op 8 mei 2011 kan de vrouw aanspraak maken op de helft van het door de man gedurende het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen.

3.10 De lasten van de vrouw bedragen per maand:

- € 527,76 aan huur;

- € 92,37 aan ziektekosten in 2007:

- € 146,37 premie basisverzekering ZVW,

verminderd met in 2008 de in de bijstandsnorm begrepen nominaal deel premie

ZVW € 54,- per maand;

- € 19,46 aan premie begrafenisverzekering;

- € 80,- aan aflossing op een schuld bij de Stichting Nijmeegs Universiteitsfonds Noodfonds.

Op grond van voormelde inkomensgegevens kan de vrouw recht doen gelden op een huurtoeslag en een zorgtoeslag.

4. De motivering van de beslissing

4.1 Ingevolge artikel II Overgangsrecht van de Wet van 28 april 1994, Staatsblad 324, zoals gewijzigd bij de Wet van 28 april 1994, Staatsblad 325 (Wet limitering alimentatie na echtscheiding), verder “het overgangsrecht bij de WLA”, beëindigt de rechter op verzoek van degene, die op grond van een voor de inwerkingtreding van deze wet gewezen rechterlijke uitspraak verplicht is een uitkering tot levensonderhoud te verstrekken, de verplichting indien deze op of na dat tijdstip vijftien of meer jaren heeft geduurd, tenzij hij van oordeel is dat de beëindiging van deze uitkering van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van degene die tot uitkering is gerechtigd kan worden gevergd. In dat geval stelt de rechter op verzoek van de alimentatiegerechtigde alsnog een termijn vast.

4.2 Tussen partijen is niet in geschil dat de man sinds 14 maart 1984 meer dan vijftien jaar bijdraagt in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. Immers vanaf dat moment draagt de man krachtens het onder 3.1 genoemde vonnis bij in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw. Dit heeft tot gevolg dat het verzoek van de man tot beëindiging van de onderhoudsverplichting met ingang van 15 maart 2007 in beginsel toewijsbaar is.

4.3 De vrouw stelt dat beëindiging van de door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud zo ingrijpend is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar gevergd kan worden. Zij verzoekt het verzoek van de man af te wijzen, dan wel de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw trapsgewijs te verminderen, althans de ingangsdatum op een later tijdstip vast te stellen. Het hof begrijpt hieruit dat de vrouw verzoekt een termijn vast te stellen gedurende welke de onderhoudsverplichting van de man voortduurt.

4.4 Allereerst moet worden beoordeeld of beëindiging van de alimentatie voor de vrouw ingrijpend is. De vrouw ontving tot 1 mei 2008 van de man een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud van € 1.697,32 bruto per maand. Daarnaast had zij geen andere bron van inkomsten. Rekening houdend met de voor haar geldende tarieven en heffingskortingen becijfert het hof het besteedbaar inkomen van de vrouw op dat moment op € 1.443,- per maand. Vanaf 1 mei 2008 ontvangt de vrouw enkel een WWB-uitkering van thans € 850,36 netto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag. Beëindiging van de alimentatieverplichting van de man betekent voor de vrouw dat zij alleen haar WWB-uitkering ontvangt, waardoor haar inkomensachteruitgang neerkomt op ongeveer € 550,- netto per maand. Een dergelijke terugval acht het hof gezien de hoogte van haar totale inkomen en haar lasten zoals in 3.10 vermeld voor de vrouw ingrijpend.

4.5 Bij de beoordeling van de vraag of beëindiging zo ingrijpend is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw gevergd kan worden dient de rechter in ieder geval rekening te houden met:

a. de leeftijd van de vrouw;

b. de omstandigheid dat uit het huwelijk kinderen zijn geboren;

c. de datum en de duur van het huwelijk en de mate waarin zulks de verdiencapaciteit van de betrokkenen heeft beïnvloed;

d. de omstandigheid dat de vrouw geen recht heeft op uitbetaling van een deel van het ouderdomspensioen van de man.

Voorts dient de rechter rekening te houden met alle omstandigheden van het geval, niet alleen aan de zijde van de vrouw maar ook aan die van de man, waarbij op de vrouw alleen de stelplicht en de bewijslast rust van de omstandigheden aan haar zijde.

4.6 Het hof overweegt hieromtrent als volgt. De vrouw is thans 61 jaar oud. Uit het huwelijk van partijen dat ruim 13 jaar heeft geduurd zijn drie kinderen geboren, die ten tijde van de echtscheiding 9, 6 en 3 jaar jong waren. De vrouw was op dat moment 36 jaar. De vrouw is in het bezit van een MULO-diploma. Na haar opleiding heeft de vrouw 2 jaar op kantoor gewerkt bij AKZO, waarna zij vervolgens 6 jaar heeft gewerkt als medisch secretaresse. Na haar huwelijk met de man is de vrouw in 1971 tot aan de geboorte van [kind 1] in 1975 halve dagen gaan werken. Na de geboorte van [kind 1] heeft zij haar werkzaamheden gestaakt. Tussen partijen was sprake van een traditioneel huwelijk, waarbij de vrouw grotendeels de verzorging en opvoeding van de kinderen op zich heeft genomen, terwijl de man fulltime werkte. Na de echtscheiding is de vrouw, na vanaf 1989 een vooropleiding te hebben gevolgd, in 1994 gestart met een theologie-opleiding. Nadat in 2000 bij de vrouw een schildklierafwijking is gediagnosticeerd is zij in 2002 tijdelijk gestopt met haar studie. Naast haar schildklierproblemen had zij in 2002 en 2003 ook psychische problemen, welke problemen in haar optiek een gevolg waren van de echtscheiding. De vrouw verwachtte haar theologie-opleiding in 2008 af te ronden, echter bij haar is in 2008 kanker geconstateerd waarvoor zij inmiddels is geopereerd. Zij heeft haar studie hierdoor wederom tijdelijk moeten staken. De vrouw heeft vanaf het moment dat de man de pensioengerechtigde leeftijd bereikt (mei 2011) aanspraak op pensioenverrekening.

4.7 Met de man is het hof van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft aangetoond dat zij zich na de echtscheiding voldoende heeft ingespannen om in haar levensonderhoud te voorzien. Uit de onder 3.4 en 3.5 genoemde beschikkingen blijkt dat de vrouw ook door de rechtbank er meermaals op is gewezen dat van haar verlangd en verwacht wordt dat zij al het mogelijke doet om zoveel als mogelijk in eigen levensonderhoud te voorzien. Voor de vrouw had derhalve in ieder geval vanaf mei 1990 duidelijk moeten zijn dat de bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud eindig zou kunnen zijn. Desondanks heeft de vrouw er voor gekozen om een (voor)opleiding theologie te doen en naast haar opleiding niet (al dan niet in deeltijd) te gaan werken. In de beschikking van de rechtbank van 24 februari 1995 is overwogen dat van de vrouw verwacht mag worden dat zij alles in het werk stelt om financieel onafhankelijk te worden. Niet gebleken is dat de vrouw aan deze verwachting heeft voldaan. De vrouw heeft weliswaar gesteld dat bij haar in 2000 een schildklierafwijking is gediagnosticeerd, en zij daarnaast met psychische klachten werd geconfronteerd, maar zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze schildklierafwijking en psychische klachten toentertijd aan het deelnemen aan het arbeidsproces, geheel of gedeeltelijk, in de weg hebben gestaan. Gelet op haar leeftijd, gelet op de leeftijd van de kinderen, het opleidingsniveau van de vrouw en haar werkervaring, had van de vrouw eind jaren negentig, begin 2000 verwacht mogen worden dat zij geheel of gedeeltelijk aan het arbeidsproces zou hebben deelgenomen. De keuze van de vrouw om niet te werken dient daarom volledig voor haar risico te komen en kan niet aan de man worden tegengeworpen. Dat bij de vrouw in 2008 kanker is geconstateerd maakt dat niet anders. Weliswaar wordt de verdiencapaciteit van de vrouw hierdoor negatief beïnvloed, maar het hof is van oordeel dat dit niet voor risico van de man dient te komen, nu de ziekte zich meer dan 24 jaar na de echtscheiding heeft geopenbaard. De vrouw heeft voldoende gelegenheid gehad om een carrière op te bouwen om zodoende in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien waardoor een eventuele inkomensachteruitgang door arbeidsongeschiktheid op andere wijze had kunnen worden opgevangen, maar zij heeft hiervan om haar moverende redenen geen gebruik gemaakt. De ziekte van de vrouw kan dan ook niet in relatie worden gebracht met de echtscheiding.

4.8 Ten aanzien van de omstandigheden van de man overweegt het hof dat de draagkracht van de man om de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw van thans € 1.697,32 bruto per maand te blijven betalen, voor zover de man aan het arbeidsproces blijft deelnemen, niet in geschil is. De man wenst na een termijn van ruim 24 jaar alimentatiebetaling van deze financiële last bevrijd te worden, zodat hij met prepensioen kan gaan. Onweersproken is gesteld dat de man een drukke baan heeft die veel van hem vergt en dat het voor hem steeds moeilijker wordt om zijn werkzaamheden goed uit te oefenen. De vrouw heeft niet weersproken dat het bruto jaarinkomen van de man alsdan ingrijpend zal wijzigen van € 82.317,65 naar € 26.616,78, zodat het hof het aannemelijk acht dat de man vanaf dat moment niet langer in staat zal zijn om de geldende onderhoudsbijdrage voor de vrouw te voldoen. Gezien het voorgaande is het hof van oordeel dat het, met name gezien het arbeidsverleden van de man van ruim 43 jaar alsmede gelet op zijn leeftijd en de inzet en energie die zijn huidige baan van hem vergen, alleszins redelijk is dat de man gebruik maakt van de mogelijkheid om met prepensioen te gaan.

4.9 Rekening houdend met de omstandigheden van zowel de vrouw als de man is het hof van oordeel dat beëindiging van de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud met ingang van 15 maart 2007 te ingrijpend en dat dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd. Beëindiging van de uitkering in de kosten van haar levensonderhoud kan alle bovenstaande factoren in aanmerking nemend en gelet op het belang van de man dat hij na een termijn van ruim 24 jaar alimentatiebetaling van deze financiële last bevrijd wordt, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid met ingang van 1 mei 2008 wel van de vrouw gevergd worden. Gelet op het voorgaande zal het hof het inleidend verzoek van de man tot beëindiging van zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw met ingang van 15 maart 2007 afwijzen, de termijn van de onderhoudsverplichting verlengen tot 1 mei 2008 en daarbij bepalen dat verdere verlenging van deze termijn na ommekomst daarvan niet mogelijk is.

4.10 Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de man -onweersproken- gesteld dat hij nog geen gebruik heeft gemaakt van het prepensioen omdat dat een onomkeerbare situatie zou zijn, en hij in verband met het hoger beroep niet het risico wilde lopen, niet aan zijn financiële verplichtingen te kunnen voldoen. Gelet op hetgeen het hof hiervoor omtrent de omstandigheden van de vrouw en de man heeft overwogen, maakt de enkele omstandigheid dat de man nog geen gebruik heeft gemaakt van het prepensioen het oordeel van het hof dat de onderhoudsverplichting met ingang van 1 mei 2008 beëindigd zal worden, niet anders.

4.11 Nu het hof de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw zal verlengen tot 1 mei 2008 zonder de mogelijkheid van verdere verlenging, ziet het hof geen aanleiding de bijdrage van de man in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw af te bouwen. Het hof zal dit onderdeel van het verzoek van de vrouw daarom afwijzen.

5. De slotsom

5.1 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, te vernietigen als hierna te vermelden.

5.2 Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

6. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Arnhem van 28 januari 2008, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het verzoek van de man tot beëindiging van zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw met ingang van 15 maart 2007;

verlengt de termijn gedurende welke de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw voortduurt tot 1 mei 2008, zonder de mogelijkheid van verdere verlenging daarvan na ommekomst van die termijn;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J. van Zutphen, C.W.P. van Gelder en J.H. Lieber, bijgestaan door S. van Eijk als griffier, en is op 9 december 2008 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.