Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BH2152

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
17-06-2008
Datum publicatie
12-02-2009
Zaaknummer
104.003.391
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof is van oordeel dat het, gezien de gemotiveerde stellingen van [appellant], op de weg van [geïntimeerde] had gelegen gemotiveerd verweer te voeren. Dat heeft zij nagelaten. Bovendien heeft [appellant] tijdens het pleidooi onweersproken gesteld dat het omzetverlies door de verbreking van de relatie met voornoemde importeur in de jaren daarna nagenoeg is gecompenseerd, hetgeen ook volgt uit de stellingen van [geïntimeerde] op pagina 11 van de conclusie van repliek. Gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] [appellant] (meermalen uitdrukkelijk) heeft aangesproken op het verlies aan omzet en wat van [appellant] in dat kader werd verwacht. Bovendien heeft [appellant] gesteld dat onder zijn leiding [geïntimeerde], zoals opgedragen, 5% winst voor belastingen heeft behaald, hetgeen door [geïntimeerde] niet, althans onvoldoende gemotiveerd is betwist. Het hof is daarom van oordeel dat [geïntimeerde] de grond genoemd in 4.5 onder 1 niet (zonder meer) aan het ontslag ten grondslag had mogen leggen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 677
Burgerlijk Wetboek Boek 7 680
Burgerlijk Wetboek Boek 7 681
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2009/156
JIN 2009/90
AR-Updates.nl 2009-0114
XpertHR.nl 2010-366979
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 juni 2008

vijfde civiele kamer

zaaknummer 104.003.391

rolnummer (oud) 2007/356

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

procureur: mr. M.E. Bosman,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[geïntimeerde],

gevestigd te [woonplaats],

geïntimeerde,

procureur: mr. F.J. Boom.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van de vonnissen van 4 januari 2006 en 13 december 2006 die de rechtbank Zutphen (sector civiel, afdeling handel) tussen appellant (hierna ook te noemen: [appellant]) als eiser en geïntimeerde (hierna ook te noemen: [geïntimeerde]) als gedaagde heeft gewezen. Van die vonnissen is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 27 februari 2007 [geïntimeerde] aangezegd van het vonnis van 13 december 2006 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof. Bij voornoemd exploot heeft [appellant] gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht zal verklaren dat het door [geïntimeerde] op 14 april 2005 gegeven ontslag van [appellant] op grond van artikel 7: 681 van het Burgerlijk Wetboek (hierna ook: BW) kennelijk onredelijk is gegeven en dat [geïntimeerde] op die grond ten opzichte van [appellant] schadeplichtig is;

2. [geïntimeerde] zal veroordelen om aan [appellant], tegen behoorlijk bewijs van kwijting, binnen acht dagen na betekening van het arrest, te betalen een bedrag aan schadevergoeding op grond van kennelijk onredelijk ontslag op de wijze zoals in de inleidende dagvaarding, zoals op 26 oktober 2005 aangebracht bij de rechtbank te Zutphen en onder punt 5 ervan is omschreven, dan wel [geïntimeerde] zal veroordelen om aan [appellant], tegen behoorlijk bewijs van kwijting, binnen acht dagen na betekening van het arrest, een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag aan schadevergoeding aan [appellant] te voldoen;

3. [geïntimeerde] zal veroordelen in de kosten van beide instanties, het honorarium van de procureur van [appellant] daaronder begrepen.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] zestien grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht, bewijs aangeboden en een nieuwe productie in het geding gebracht. Hij heeft gevorderd conform voornoemd exploot.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden en bewijs aangeboden. Zij heeft geconcludeerd dat het hof [appellant] niet zal ontvangen in zijn grieven, althans deze ongegrond zal verklaren en, eventueel onder aanpassing van de gronden, het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van (bedoeld zal zijn:) het hoger beroep.

2.4 Ter terechtzitting van 29 februari 2008 hebben partijen de zaak doen bepleiten, [appellant] door mr. M.E. Bosman, advocaat te Arnhem, en [geïntimeerde] door mr. J.J.M. Melissen, advocaat te Apeldoorn. [appellant] heeft daarbij pleitnotities in het geding gebracht.

Mr. F.J. Boom heeft bij brief van 28 februari 2008 een faxbericht van 27 februari 2008 van

mr. Melissen voornoemd aan mr. Bosman voornoemd, aan het hof gezonden. Desgevraagd heeft mr. Bosman ter zitting meegedeeld dat hij voldoende heeft kennisgenomen van dat faxbericht.

2.5 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

De rechtbank heeft in haar vonnis van 13 december 2006 onder 2 feiten vastgesteld. Aangezien daartegen geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, zal het hof in hoger beroep ook van die feiten uitgaan. Op grond van hetgeen verder is gesteld en niet of onvoldoende weersproken, kunnen hieraan de volgende vaststaande feiten worden toegevoegd.

3.1 In de arbeidsovereenkomst tussen [appellant] en [geïntimeerde] is vermeld:

”(..)

2. Aufgaben, Rechte und Pflichten

[appellant] leitet und überwacht die Geschäfte der BV nach Massgabe der gesetzlichen Vorschriften und nach den Bestimmungen der Satzung mit der Sorgfalt eines ordentlichen und gewissenhaften Geschäftsführers.

Er berichtet direkt dem Geschäftsführer der [geïntimeerde], Nagold. Er hat diesen über alle wesentlichen Vorkommnisse laufend zu unterrichten und ihm insbesondere monatlich einen Status vorzulegen.

[appellant] hat im übrigen jeweils vor Beginn eines Kalenderjahres für das Folgejahr einen Investitionsplan und ein Budget über die Ein- und Ausgaben vorzulegen. Investitionsplan und Budget bedürfen der Genehmigung durch den Geschäftsführer der [geïntimeerde]. (..)

18. Rechtswahl

Ergänzend zu den Bestimmungen diese Vertrages gilt niederländisches Recht als vereinbart. (..)“

3.2 In een faxbericht van 22 december 1999 van [persoon 1] aan [appellant] schrijft [persoon 1]:

“(..)

[persoon 2] macht es sich etwas leicht. Wir können aber nicht erwarten, daß wir von dort Hilfe bekommen. Also bleibt nur eines: Gehen Sie aggressiv gegen [persoon 3] vor und lassen Sie sich kein Geschäft wegnehmen. Wir werden diesen Preiskrieg besser aushalten können, als [persoon 3]. (..)“

3.3 In een e-mail van 20 oktober 2004 van [persoon 4] (hierna ook te noemen: [persoon 4]) aan [appellant] schrijft [persoon 4]:

“(..)

Nun also auf diesem Weg: Beende das Jahr gut und mache bitte eine ambitionierte Planung für das nächste Jahr. Denke dabei ganz besonders an Verbinder und Dialock. Die Idee mit der Verknüpfung ZOW und Berlin gefällt mir gut. (..)“

3.4 In een e-mail van 30 december 2004 van [persoon 4] aan [appellant] schrijft [persoon 4]:

“Lieber [appellant],

Dein Budget für 2005 ist sehr konservativ geplant sowohl was Umsatz als auch was Rohertrag angeht. Es muss doch auch in den Niederlanden eine Möglichkeit für weiteres Wachstum für [geïntimeerde] geben. Was habt Ihr Euch bei [geïntimeerde] denn für nächstes Jahr vorgenommen? Lass mich bitte etwas Schriftliches darüber wissen. Bis Du mit der EPS-Einführung weiter gekommen? [persoon 5] hatte Dir ja angeboten, mit ihm die genaue Vorgehensweise der Umstellung zu besprechen.

Für Dein Engagement in der [geïntimeerde] möchte ich Dir bei dieser Gelegenheit recht herzlich danken. (..)“

3.5 In een e-mail van 24 januari 2005 van [persoon 4] aan [appellant] schrijft [persoon 4] in antwoord op een e-mail van [appellant] van 20 januari 2005:

“Meiner Meinung nach ist das der richtige Weg. Wir sollten zuerst Erfahrungen sammeln und am Anfang hohe Programmieraufwände vermeiden. (..)“

3.6 In een e-mail van 28 januari 2005 van [persoon 4] aan [appellant] schrijft [persoon 4]:

“Lieber [appellant],

(..)

Eine Einladung an die Kunden von Deiner Seite müsste sowieso zielgerichtet telefonisch erfolgen, ähnlich der Vorgehensweise Interzum-Boot. Du kannst also immer noch aktiv werden. Vieles wird aber [geïntimeerde] direkt mit HBB organisieren müssen. (..)“

3.7 [appellant] is op of omstreeks 15 maart 2005 telefonisch door [persoon 4], de andere statutair directeur van [geïntimeerde] en ook directeur van de enig aandeelhouder van [geïntimeerde], [geïntimeerde] Holding GmbH (hierna ook te noemen: de holding) uitgenodigd voor een bespreking op

22 maart 2005.

3.8 Deze bespreking, waarbij [appellant], [persoon 4], [persoon 6] en de [persoon 5] (directeur van [geïntimeerde] Duitsland) aanwezig waren, vond plaats in Nagold te Duitsland. Tijdens deze bespreking is aan [appellant] te kennen gegeven dat hij zou worden ontslagen.

3.9 Bij brief van 7 april 2005 van [persoon 4] namens [geïntimeerde] en de holding wordt [appellant] uitgenodigd voor een algemene vergadering van aandeelhouders van [geïntimeerde] op 14 april 2005. In die brief is vermeld dat tijdens voornoemde vergadering het ontslag van [appellant] als statutair bestuurder en werknemer aan de orde zal komen.

3.10 Op 14 april 2005 is [appellant] door de algemene vergadering van aandeelhouders met onmiddellijke ingang ontslagen, waarbij zowel de vennootschapsrechtelijke relatie als de arbeidsrelatie tussen [appellant] en [geïntimeerde] is geëindigd. De ontslaggronden zijn tijdens de vergadering niet aan de orde gekomen.

3.11 In het niet ondertekende verslag van voornoemde algemene vergadering van aandeelhouders van [geïntimeerde] staat vermeld:

“(..)

Vor der Beschlussfassung über den heutigen Tagesordnungspunkt is [appellant] von der Vorsitzenden gefragt worden, ob er sich hierzu äußern wolle.

[appellant] hat sich wie folgt geäußert:

Er moechte nicht mit Dreck werfen. Aber die Abfindung, die [geïntimeerde] ihm angeboten habe, sei zu niedrig fuer die hollaendischen Verhaeltnisse. Deshalb muesse man nun vor Gericht gehen.

[appellant] fragte nach den Gruenden der Entlassung. [persoon 4] antwortete, dass dies nicht Gegenstand der Versammlung sei.

(..)

Beschluss

[appellant] wird mit sofortiger Wirkung in seiner Eigenschaft als

- satzungsgemäßer Direktor un als

- Direktor-Arbeitnehmer

entlassen.

(..)

Der Inhalt des Protokolls is von [appellant] zur Kenntnis genommen worden.”

3.12 [geïntimeerde] heeft aanvankelijk als schadeloosstelling het salaris ter hoogte van twee bruto maandsalarissen betaald.

3.13 [geïntimeerde] heeft, nadat zij bij vonnis van 29 november 2005 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem was veroordeeld tot betaling van een voorschot van € 48.400,- op de schadevergoeding uit hoofde van onregelmatige opzegging, voornoemd bedrag aan [appellant] voldaan. Tegen dat vonnis is geen hoger beroep ingesteld.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4.2 Het hof stelt voorop dat [appellant] het door hem ingestelde hoger beroep heeft beperkt in die zin dat zijn bij inleidende dagvaarding van 11 oktober 2005 ingestelde primaire vordering tot – kort gezegd – het verklaren voor recht dat het ontslagbesluit nietig dan wel vernietigd is, niet ter beoordeling aan het hof voorligt. Het hof verwijst naar het petitum in de memorie van grieven in samenhang gelezen met de dagvaarding in hoger beroep van

27 februari 2007. Dit doet er echter niet aan af, dat, ook indien de ontslagen bestuurder niet de vernietiging van het ontslagbesluit heeft gevorderd, bij de beantwoording van de vraag of het ontslag kennelijk onredelijk is, niet alleen op de arbeidsrechtelijke ontslag- gronden, maar ook op de wijze, waarop het besluit vennootschapsrechtelijk tot stand is gekomen, en op de inhoud van het besluit moet worden gelet.

4.3 [appellant] heeft gesteld dat sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag in de zin van artikel 7: 681 BW. Hij baseert zijn betoog op de in artikel 7: 681 lid 2 sub a en sub b BW genoemde gronden. Daarnaast stelt [appellant] dat de wijze van totstandkoming van het ontslagbesluit zijn ontslag kennelijk onredelijk maakt. [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd.

4.4 Het antwoord op de vraag of een ontslag kennelijk onredelijk is, hangt af van de omstandigheden van het geval. Met het woord “kennelijk” wordt bedoeld dat de onredelijkheid voor een ieder duidelijk moet zijn. Bij de beoordeling hiervan moeten alle aangevoerde en juist bevonden omstandigheden gezamenlijk en in onderling verband beschouwd in aanmerking worden genomen. Hierbij mag gewicht worden toegekend aan de vraag of de werkgever en de werknemer zich tegenover elkaar conform artikel 7: 611 BW hebben gedragen. Een redelijke grond voor het ontslag moet aanwezig zijn.

4.5 De in het tweede lid van artikel 7: 681 BW gegeven voorbeelden van kennelijk onredelijk ontslag zijn niet uitputtend. Een (op een gegronde reden berustende) opzegging kan vanwege de gevolgen voor de werknemer kennelijk onredelijk zijn.

4.6 De gemachtigde van [geïntimeerde] heeft in zijn brief van 15 april 2005 de gronden voor ontslag uiteengezet. Kort gezegd zijn de volgende gronden aangevoerd:

1) teruglopen van de omzet van [geïntimeerde];

2) er is onvoldoende geïnvesteerd in het vinden van werknemers om de omzet te vergroten, alsook in het vinden van nieuwe klanten en markten;

3) onvrede bij de werknemers over hun beloning ten opzichte van de beloning van [appellant].

4.7 [appellant] heeft gesteld dat hij pas bij voornoemde brief op de hoogte is gesteld van de gronden van zijn ontslag. [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd en onder verwijzing naar een opgemaakt besprekingsverslag gesteld dat de gronden tijdens de bespreking op 22 maart 2005 uitgebreid zijn besproken (zie rechtsoverweging 3.8). [appellant] heeft het voorgaande betwist alsmede de inhoud van het besprekingsverslag. In ieder geval kan worden vastgesteld dat de derde grond genoemd in rechtsoverweging 4.5 tijdens de bespreking van 22 maart 2005 niet aan de orde is gekomen, althans als van de juistheid van het besprekingsverslag moet worden uitgegaan. Bovendien staat vast dat tijdens de algemene vergadering van aandeelhouders van 14 april 2005 de gronden voor ontslag niet zijn besproken. Aldus is het hof van oordeel dat de grond genoemd in 4.5 onder 3 niet als ontslaggrond is aangevoerd, althans pas na de ontslagaanzegging en daarom als zodanig buiten beschouwing dient te worden gelaten.

4.8 Het hof begrijpt het betoog van [appellant] zo dat hij stelt dat de aan het ontslag ten grondslag liggende redenen niet deugdelijk zijn, althans niet aan [appellant] kunnen worden verweten en aldus geen ontslag rechtvaardigen. Bovendien heeft [appellant] gesteld dat hij voorafgaand aan het aangezegde ontslag geen klachten heeft gehad over zijn functioneren noch dat hij is gewaarschuwd voor eventuele arbeidsrechtelijke gevolgen wanneer zijn functioneren niet zou verbeteren. Tijdens het pleidooi heeft [appellant] verklaard dat het ontslag voor hem als een volkomen verrassing kwam. [geïntimeerde] heeft niet betwist dat zij [appellant] niet heeft gewaarschuwd voor het dreigende ontslag.

4.9 [geïntimeerde] heeft tijdens het pleidooi betwist dat [appellant] niet is aangesproken op diens functioneren. Volgens [geïntimeerde] is [appellant] in 2002 aangesproken op zijn functioneren in het kader van de verbreking van de samenwerking met Hoecke, een importeur van leverancier [persoon 2]. Hierdoor verloor [geïntimeerde] een aanzienlijk deel van haar omzet. In dat kader heeft [persoon 1] [appellant] gewezen op het feit dat hij een meer agressief beleid moest voeren. Het hof begrijpt dat daarmee wordt gedoeld op het faxbericht van 22 december 1999 van [persoon 1] aan [appellant] zoals opgenomen in rechtsoverweging 3.2. Het hof is van oordeel dat die enkele mededeling, die ruim 5 jaren vóór de ontslagaanzegging is gedaan, niet kan worden beschouwd als (formele) kritiek op het functioneren van [appellant].

4.10 Daarnaast heeft [geïntimeerde] gesteld dat [appellant] ook in 2004 door [persoon 4] op zijn functioneren is aangesproken. Het hof begrijpt dat daarmee wordt gedoeld op de correspondentie opgenomen in de rechtsoverwegingen 3.2 tot en met 3.6. [appellant] heeft daarover tijdens het pleidooi opgemerkt dat hetgeen waarop [persoon 4] doelde hooguit als aandachtspunten kunnen worden beschouwd, maar niet als kritiek op zijn functioneren. Het hof volgt [appellant] in dat betoog. Uit voornoemde correspondentie kan niet worden afgeleid dat [persoon 4] kritiek had op het functioneren van [appellant] of op diens gevoerde beleid noch dat [appellant] daarin tekortschoot. Daarnaast heeft [geïntimeerde] tijdens het pleidooi verklaard dat voornoemde feiten – waarbij zij doelt op hetgeen zowel [persoon 1] als [persoon 4] hebben opgemerkt – onvoldoende waren voor [geïntimeerde] om tot ontslag over te gaan.

4.11 Voor het overige heeft [geïntimeerde] onvoldoende verweer gevoerd tegen de stelling van [appellant] dat hij voorafgaand aan zijn ontslag geen klachten heeft gehad over zijn functioneren. Het hof gaat er daarom van uit dat [appellant] nimmer op zijn functioneren is aangesproken, althans niet op een wijze waaruit [appellant] had moeten afleiden dat [geïntimeerde] dan wel de holding dusdanige kritiek had op zijn functioneren dat ontslag moest worden verwacht indien dat functioneren niet zou veranderen. Daarbij acht het hof ook van belang dat [geïntimeerde] niet, althans onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat zowel de investeringsplannen van [appellant] in het verleden als het door hem in december 2004 opgestelde investeringsplan (begroting) zonder (noemenswaardige) aanpassingen door [geïntimeerde] of de holding zijn goedgekeurd. Het door [appellant] gemotiveerd betwiste betoog van [geïntimeerde] dat noodzakelijke investeringen ten aanzien van het te voeren personeelsbeleid zijn uitgebleven, wordt daarom als onvoldoende onderbouwd verworpen. Mocht [geïntimeerde] dan wel de holding ten aanzien daarvan kritiek hebben gehad, dan had het op de weg van [geïntimeerde] althans van de holding gelegen [appellant] daarop aan te spreken dan wel zijn investeringsplan niet goed te keuren. Daartoe verwijst het hof naar dat wat daarover is opgenomen in paragraaf 2 van de arbeidsovereenkomst (zie rechtsoverweging 3.1). Dat dit is gebeurd, is gesteld noch gebleken. Hetzelfde geldt voor het door [appellant] gevoerde (financiële) beleid.

4.12 Ten aanzien van de ontslaggrond dat de omzet van [geïntimeerde] is teruggelopen, overweegt het hof als volgt. [appellant] heeft betwist dat het teruglopen van de omzet aan zijn functioneren te wijten is. Hij stelt dat de terugval van de omzet te maken heeft met het verbreken van de relatie met Hoecke, de importeur van [persoon 2] (zie rechtsoverweging 4.8). Daarnaast hebben conjuncturele problemen bijgedragen aan de omzetdaling. Daartoe verwijst [appellant] naar een bericht van mei 2004 van de Landesbank Baden-Württemberg.

4.13 Het hof is van oordeel dat het, gezien de gemotiveerde stellingen van [appellant], op de weg van [geïntimeerde] had gelegen gemotiveerd verweer te voeren. Dat heeft zij nagelaten. Bovendien heeft [appellant] tijdens het pleidooi onweersproken gesteld dat het omzetverlies door de verbreking van de relatie met voornoemde importeur in de jaren daarna nagenoeg is gecompenseerd, hetgeen ook volgt uit de stellingen van [geïntimeerde] op pagina 11 van de conclusie van repliek. Gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] [appellant] (meermalen uitdrukkelijk) heeft aangesproken op het verlies aan omzet en wat van [appellant] in dat kader werd verwacht. Bovendien heeft [appellant] gesteld dat onder zijn leiding [geïntimeerde], zoals opgedragen, 5% winst voor belastingen heeft behaald, hetgeen door [geïntimeerde] niet, althans onvoldoende gemotiveerd is betwist. Het hof is daarom van oordeel dat [geïntimeerde] de grond genoemd in 4.5 onder 1 niet (zonder meer) aan het ontslag ten grondslag had mogen leggen.

4.14 Onder verwijzing naar het bovenstaande is het hof van oordeel dat [geïntimeerde] onvoldoende onderbouwde en zwaarwichtige gronden aan het aan [appellant] gegeven ontslag ten grondslag heeft gelegd. [geïntimeerde] heeft onzorgvuldig gehandeld door [appellant] vóór de ontslagaanzegging niet aan te spreken op zijn vermeende disfunctioneren dan wel het door hem gevoerde (investerings)beleid. Bovendien heeft [geïntimeerde] onzorgvuldig gehandeld door [appellant] niet in de gelegenheid te stellen eventueel disfunctioneren te corrigeren of zijn (investerings)beleid aan te passen. Hierdoor heeft [geïntimeerde] onvoldoende rekening gehouden met de te verwachten nadelige gevolgen van de opzegging voor [appellant].

4.15 [geïntimeerde] heeft nog aangevoerd dat partijen met de opzegtermijn van twaalf maanden, zoals opgenomen in de arbeidsovereenkomst hebben beoogd een afvloeiingsregeling bij voorbaat overeen te komen. Gezien de betwisting van dat betoog door [appellant], is het hof van oordeel dat [geïntimeerde] haar betoog onvoldoende heeft onderbouwd. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat [geïntimeerde] in beginsel slechts bereid was het loon over twee maanden door te betalen, hetgeen moeilijk valt te rijmen met voornoemde stelling van [geïntimeerde]. Van een (riante) afvloeiings- regeling is aldus naar het oordeel van het hof geen sprake. De stelling van [geïntimeerde] dat de overeengekomen opzegtermijn nietig is, wordt verworpen. Op grond van artikel 7: 672 lid 5 BW kan een langere termijn dan de in lid 2 genoemde termijnen worden overeengekomen, hetgeen in het onderhavige geval is geschied. De stelling dat de termijn voor opzegging voor de werknemer maximaal zes maanden mag bedragen (zie artikel 7: 672 lid 6 BW) en dat de bepaling in de arbeidsovereenkomst daarmee in strijd is, zou slechts [appellant] kunnen baten, niet [geïntimeerde].

4.16 [appellant] had ingevolge de arbeidsovereenkomst geen recht op tantième gedurende de opzegtermijn en hoefde gedurende de opzegtermijn geen arbeid te verrichten. [appellant] heeft, door [geïntimeerde] onvoldoende weersproken, gesteld dat bijna de helft van zijn salaris bestond uit tantième. Doordat [appellant] werd ontslagen, is zijn inkomen daardoor aanzienlijk verminderd.

4.17 [appellant] heeft gesteld dat de meubelbranchemarkt, waarin hij ervaring heeft opgedaan, relatief klein is, hetgeen [geïntimeerde] niet, althans onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Gelet op dat feit, in samenhang met de leeftijd van [appellant] ten tijde van het ontslag (43 jaar), acht het hof voldoende aannemelijk dat, zoals [appellant] heeft gesteld, het voor hem moeilijk is om ander werk te vinden. [appellant] heeft ook nog steeds geen andere dienstbetrekking. Daarbij acht het hof in het bijzonder van belang dat voldoende aannemelijk is dat door het aan [appellant] gegeven ontslag een negatief beeld over hem is ontstaan, wat in een relatief kleine markt bezwarend kan werken bij het vinden van een nieuwe dienstbetrekking. Ook dit is onvoldoende door [geïntimeerde] betwist. Alle omstandigheden, in samenhang bezien, leiden tot het oordeel dat de gevolgen van het ontslag voor [appellant] te ernstig zijn in vergelijking met de belangen van [geïntimeerde] bij het ontslag. Aan het voorgaande doet niet af dat [geïntimeerde] aan [appellant] conform de arbeidsovereenkomst het loon over de opzegtermijn van twaalf maanden heeft betaald. Ten eerste was dit tussen partijen afgesproken, ten tweede werd hiermee niet beoogd een afvloeiingsregeling overeen te komen en ten derde kan hoewel de opzegtermijn in acht is genomen, toch sprake zijn van een kennelijk onredelijk ontslag.

4.18 Bij de vaststelling van de hoogte van een eventuele vergoeding ziet het hof, anders dan [appellant], geen reden de kantonrechtersformule (die is bedoeld om de vergoeding bij een ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7: 685 BW te bepalen) toe te passen. Het hof acht een schadevergoeding van € 25.000,- bruto op zijn plaats, waarbij het hof rekening heeft gehouden met alle omstandigheden van het geval.

4.19 Het hof ziet zonder nadere toelichting, die ontbreekt, geen grond om de proceskostenveroordeling in eerste aanleg te vernietigen. Het hof zal [geïntimeerde] conform de daartoe strekkende vordering van [appellant] wel in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

4.20 [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg verweer gevoerd tegen het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van de uitspaak. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] haar stellingen in dit verband onvoldoende heeft onderbouwd. Van een (reëel) restitutierisico is het hof niet gebleken. Gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] anderszins belang heeft bij het niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren van het arrest.

Slotsom

4.21 Voor zover de grieven zijn gericht tegen het oordeel dat geen sprake is van kennelijk onredelijk ontslag in de zin van artikel 7: 681 lid 2 sub b BW slagen deze, zodat het bestreden vonnis gedeeltelijk moet worden vernietigd, namelijk voor zover dit de beslissing onder 6.5 van het bestreden vonnis betreft. Het hof zal alsnog het hiervoor onder 4.18 genoemde bedrag toewijzen. Voor het overige zal het hof het bestreden vonnis bekrachtigen.

4.22 Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij zal [geïntimeerde] in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het tussen [appellant] en [geïntimeerde] gewezen vonnis van 13 december 2006 van de rechtbank Zutphen (sector civiel, afdeling handel), behoudens voor zover de rechtbank onder 6.5 het meer of anders gevorderde heeft afgewezen, en doet in zoverre opnieuw recht:

verklaart voor recht dat het door [geïntimeerde] op 14 april 2005 gegeven ontslag van [appellant] kennelijk onredelijk is;

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van een schadevergoeding van

€ 25.000,- bruto;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant] begroot op € 7.896,- voor salaris van de procureur en op € 300,- voor griffierecht;

verklaart de betalingsveroordeling en proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. Katz-Soeterboek, Prakke-Nieuwenhuizen en Bronzwaer en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 juni 2008.