Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BH1403

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
05-08-2008
Datum publicatie
30-01-2009
Zaaknummer
200.008.553
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Andalusia, die niet bestrijdt dat het café op grond van deze laatste wetsbepaling is gesloten, voert als bezwaar tegen het vonnis aan, dat van geen van de geconstateerde feiten vaststaat dat deze in strijd zijn met artikel 2 of 3 van de Opiumwet en dat de strafzaken tegen [A.] en [B.] zijn geseponeerd.

Het hof kan Andalusia in dat bezwaar niet volgen. Het handelen in strijd met artikel 3 van de Opiumwet blijkt uit de brief van de burgemeester (strijd met artikel 2 wordt in de brief niet als grond genoemd) en vormt uitgangspunt in deze civiele procedure. Heineken mocht de overeenkomst daarom ontbinden.

Ten overvloede: de strafrechtelijke sepots waarop Andalusia doelt doen niet af aan de bestuursrechtelijk vaststaande overtreding van de Opiumwet. Nog daargelaten dat in het strafrecht niet de officier van justitie, maar de rechter beslist of de overtreding heeft plaatsgevonden is de beslissing van de officier om niet te vervolgen wat betreft [A.] niet gebaseerd op gebrek aan bewijs, en heeft Andalusia wat betreft [B.] niet gesteld welke de sepotgrond is geweest. Andalusia stel in ieder geval niet dat die reden gebrek aan bewijs is geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer 200.008.553

arrest van de vijfde civiele kamer van 5 augustus 2008

inzake

de commanditaire vennootschap Andalusia C.V.,

gevestigd te Nijmegen,

appellante,

procureur: mr. J. van Delft,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Heineken Nederland B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

procureur: mr. F.J. Boom.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 28 mei 2008, dat de kantonrechter (rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Nijmegen) tussen appellante en [A.] als gedaagden en geïntimeerde (hierna ook te noemen: Heineken) als eiseres heeft gewezen; van dat vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Appellante (verder: Andalusia) heeft bij exploot van 23 juni 2008 Heineken aangezegd van dat vonnis in hoger beroep te komen, met dagvaarding van Heineken voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft Andalusia drie grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht en heeft zij een nieuwe productie in het geding gebracht. Zij heeft gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, Heineken alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vorderingen althans haar die vorderingen zal ontzeggen, met haar veroordeling in de kosten van het geding in beide instanties.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft Heineken de grieven bestreden, en heeft zij een aantal producties in het geding gebracht. Zij heeft geconcludeerd dat het hof appellanten niet- ontvankelijk zal verklaren in hun hoger beroep, althans dit hoger beroep als ongegrond zal afwijzen, onder bekrachtiging en zonodig aanvulling van gronden van het bestreden vonnis, met veroordeling van appellanten in de kosten van het hoger beroep.

2.4 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

2.5 Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

3. De grieven

Grief 1 is gericht tegen hetgeen de kantonrechter heeft overwogen onder 5, tweede alinea, van het vonnis, grief 2 tegen hetgeen de kantonrechter heeft overwogen onder 6 en grief 3 tegen hetgeen de kantonrechter heeft overwogen onder 7 en 8.

4. De vaststaande feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis feiten vastgesteld. Aangezien daartegen geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, zal het hof in hoger beroep ook van die feiten uitgaan.

Op grond van hetgeen verder is gesteld en niet of onvoldoende weersproken, kan hieraan als vaststaand worden toegevoegd, dat de officier van justitie bij brief van 6 december 2007 [A.] heeft meegedeeld dat deze niet zal worden vervolgd, omdat naar het oordeel van de officier de feitelijk leidinggevende vervolgd dient te worden, en dat de officier de strafzaak tegen een zekere [B.] (wiens naam in de stukken voorkomt als feitelijk leidinggevende) volgens een mededeling van diens advocaat eveneens heeft geseponeerd.

5. De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1 Het hof bespreekt eerst grief 1.

Op grond van de bevoegdheid, gegeven in artikel 13b van de Opiumwet, heeft de burgemeester van Nijmegen het café voor de duur van zes maanden gesloten met ingang van 29 oktober 2007, zoals de kantonrechter heeft vastgesteld. De burgemeester verwijst in zijn, op 12 oktober 2007 verzonden, brief naar een aantal feiten die de politie heeft geconstateerd. Uit het overgelegde politierapport, dat de feitelijke basis van de brief vormt, blijkt dat de politie in de periode van maart 2006 tot 13 juni 2007 verschillende incidenten die met drugs te maken hebben heeft gerapporteerd. Het gaat om een verklaring over verkoop van soft drugs in het café, het daar aantreffen van tippen (drugsgerelateerd materiaal) en het gebruik van hard drugs (cocaïne). Deze laatste gebeurtenis betreft het volgende. Op 3 november 2006 heeft de politie (ter plaatse gearriveerd wegens een melding van geluidsoverlast) geconstateerd dat in het café cocaïne werd gesnoven; de daarop door de politie aangesproken leidinggevende van het café antwoordde dat hij daarvan op de hoogte was maar niet bij machte was er tegen op te treden omdat het ging om bekenden van hem. Op 13 juni 2007 heeft de politie (ter plaatse aanwezig wegens een gemelde vechtpartij) een verdachte aangehouden en 0,2 gram cocaïne aangetroffen; de verdachte verklaarde de cocaïne te hebben gekocht van een dealer op het terras. Op 18 juni 2007 heeft de politie waargenomen dat personen met een auto met Duitse kentekenplaten in het café 50 gram hennep kochten, waarbij werd aangeven dat in het café een geschatte voorraad van 500 gram aanwezig was en dat 50 gram de minimaal te kopen hoeveelheid was. De exploitant ([A.]) kon niet worden gehoord, de leidinggevende ([B.]) ontkende de transactie, maar voldeed wel aan het door de kopers verstrekte signalement, aldus de politie.

Zoals de kantonrechter heeft overwogen heeft [A.] niet binnen de gestelde termijn bezwaar gemaakt tegen deze sluiting en heeft het besluit formele rechtskracht verkregen, wat betekent dat de civiele rechter van de juistheid van de inhoud ervan heeft uit te gaan.

Op grond van artikel 7: 231 lid 1 BW, voor zover hier van belang, kan de verhuurder, zoals Heineken heeft gedaan, de overeenkomst ontbinden op de grond dat door gedragingen in het gehuurde in strijd met artikel 2 of 3 van de Opiumwet is gehandeld en het desbetreffende gebouw deswege op grond van artikel 13b van die wet is gesloten. Heineken had het recht van die bevoegdheid gebruik te maken.

5.2 Andalusia, die niet bestrijdt dat het café op grond van deze laatste wetsbepaling is gesloten, voert als bezwaar tegen het vonnis aan, dat van geen van de geconstateerde feiten vaststaat dat deze in strijd zijn met artikel 2 of 3 van de Opiumwet en dat de strafzaken tegen [A.] en [B.] zijn geseponeerd.

5.3 Het hof kan Andalusia in dat bezwaar niet volgen. Het handelen in strijd met artikel 3 van de Opiumwet blijkt uit de brief van de burgemeester (strijd met artikel 2 wordt in de brief niet als grond genoemd) en vormt uitgangspunt in deze civiele procedure. Heineken mocht de overeenkomst daarom ontbinden.

Ten overvloede: de strafrechtelijke sepots waarop Andalusia doelt doen niet af aan de bestuursrechtelijk vaststaande overtreding van de Opiumwet. Nog daargelaten dat in het strafrecht niet de officier van justitie, maar de rechter beslist of de overtreding heeft plaatsgevonden is de beslissing van de officier om niet te vervolgen wat betreft [A.] niet gebaseerd op gebrek aan bewijs, en heeft Andalusia wat betreft [B.] niet gesteld welke de sepotgrond is geweest. Andalusia stel in ieder geval niet dat die reden gebrek aan bewijs is geweest. Grief 1 faalt.

5.4 Andalusia heeft aangevoerd dat Heineken geen spoedeisend belang heeft bij de vordering tot betaling van schadevergoeding. Nu Heineken dit niet heeft weersproken gaat het hof daarvan uit. Dit deel van de veroordeling kan niet in stand blijven.

Het hof behoeft daarom niet meer in te gaan op de stelling van Andalusia, dat ter zitting van de kantonrechter de vertegenwoordiger van Heineken heeft erkend dat de eigenaar van het pand de sloten van het gehuurde, althans het slot van de toegangsdeur naar de bovenwoning heeft veranderd. Grief 2 slaagt.

5.5 Grief 3 betreft de kostenveroordeling. Andalusia wordt op het belangrijkste punt, de ontruiming, in beide instanties in het ongelijk gesteld. Het hof zal haar daarom in hoger beroep veroordelen in de kosten van het hoger beroep.

5.6 [A.] was in eerste aanleg de tweede gedaagde. Hij heeft geen hoger beroep ingesteld. Wel is hoger beroep ingesteld door Andalusia, ‘in deze vertegenwoordigd door haar beherend vennoot [A.]’. De beslissing in hoger beroep vindt daarom plaats voor zover hoger beroep is ingesteld.

6. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep, voorzover hoger beroep is ingesteld:

bekrachtigt het bestreden vonnis, voor zover gewezen tussen Heineken en Andalusia, behoudens voor zover Andalusia onder b is veroordeeld tot betaling van de daar genoemde bedragen, vernietigt het bestreden vonnis in zoverre en in zoverre opnieuw recht doende:

wijst de vordering tot betaling (onder b van het petitum van Heineken) ten opzichte van Andalusia alsnog af;

veroordeelt Andalusia in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Heineken begroot op € 632,- voor salaris van de procureur en op € 254,- voor griffierecht;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.P. Fokker, D.J. van der Kwaak en R. Prakke- Nieuwenhuizen en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 augustus 2008.