Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BH1187

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
03-05-2008
Datum publicatie
29-01-2009
Zaaknummer
104.004.038
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof onderschrijft het oordeel van de kantonrechter dat uit de afgelegde getuigenverklaringen niet meer kan worden afgeleid dan dat [appellant] [geïntimeerde] heeft gevraagd te komen praten, en dus niet dat hij [geïntimeerde] heeft aangeboden weer voor hem te komen werken. Zoals hiervoor overwogen, is dat onvoldoende voor het slagen van het verweer van [appellant] tegen de vordering van [geïntimeerde]. In hoger beroep heeft [appellant] nog aangeboden een aantal getuigen opnieuw te laten horen; hij heeft echter nagelaten aan te geven wat deze getuigen meer of anders zouden kunnen verklaren dan zij in eerste aanleg hebben gedaan, zodat het aanbod als onvoldoende gespecificeerd moet worden gepasseerd. Grief 1 faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 juni 2008

vijfde civiele kamer

zaaknummer 104.004.038

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

procureur: mr. J.M. Bosnak,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

procureur: mr B.J. van Drueten.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van de vonnissen van 20 januari 2006, 19 mei 2006 en 30 maart 2007 die de kantonrechter (rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Nijmegen) tussen appellant (hierna ook te noemen: [appellant]) als gedaagde en geïntimeerde (hierna ook te noemen: [geïntimeerde]) als eiser heeft gewezen; van die vonnissen is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 28 juni 2007 [geïntimeerde] aangezegd van het vonnis van 30 maart 2007 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] drie grieven aangevoerd en toegelicht. Hij heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest, de vorderingen van [geïntimeerde] in eerste aanleg alsnog zal afwijzen, met de veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in beide instanties.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden, en heeft hij bewijs aangeboden en vier producties in het geding gebracht. Hij heeft geconcludeerd dat het hof, al dan niet onder aanvulling van gronden, [appellant] in het hoger beroep tegen het bestreden vonnis niet-ontvankelijk zal verklaren, althans dat vonnis zal bekrachtigen, met de veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.

2.4 Ter zitting van 16 mei 2008 hebben partijen de zaak doen bepleiten, [appellant] door mr E.P. Schamle, advocaat te Rotterdam, en [geïntimeerde] door mr B.J. van Drueten, advocaat te Nijmegen; beiden hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht.

2.5 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De grieven

3.1 [appellant] heeft de volgende grieven aangevoerd:

Grief 1

Ten onrechte heeft de (het hof leest: kantonrechter) beslist dat appellant niet geslaagd was in het bewijs dat aan geïntimeerde duidelijk was dat hij weer kon komen werken.

Grief 2

Ten onrechte heeft de (het hof leest: kantonrechter) appellant veroordeeld om aan geïntimeerde het loon van € 1.230,- bruto per maand over de periode van 21 juni 2005 tot 1 april 2006 vermeerderd met de wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW en met wettelijke rente te betalen.

Grief 3

Ten onrechte heeft de (het hof leest: kantonrechter) geïntimeerde niet veroordeeld tot de kosten van de procedure.

4 De vaststaande feiten

4.1 De kantonrechter heeft in haar vonnis van 19 mei 2006 onder het kopje “De feiten” feiten vastgesteld. Aangezien daartegen geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, zal het hof in hoger beroep ook van die feiten uitgaan.

4.2 Op grond van hetgeen verder is gesteld en niet of onvoldoende weersproken, kan hieraan het volgende vaststaande feit worden toegevoegd.

4.3 Per 1 april 2006 was [geïntimeerde] niet meer voor werk bij [appellant] beschikbaar.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1 Uit de toelichting op grief 1 leidt het hof af dat [appellant] ook bezwaar maakt tegen de formulering van de bewijsopdracht in het tussenvonnis van 19 mei 2006. [appellant] stelt dat, mede gezien de gespannen situatie die tussen partijen was ontstaan, het geen enkele zin had om aan [geïntimeerde] expliciet mee te delen dat hij weer bij [appellant] kon komen werken, omdat hij daarop negatief zou reageren als niet eerst het onderliggende probleem zou worden opgelost. Het expliciete van de mededeling moest worden omkleed met de mededeling dat [geïntimeerde] zou moeten komen praten. Door de bewijsopdracht te formuleren zoals zij heeft gedaan is de kantonrechter voorbijgegaan aan de gespannen sfeer die tussen partijen heerste, aldus [appellant].

5.2 Voor het slagen van het door [appellant] tegen de vordering van [geïntimeerde] aangevoerde verweer - te weten dat [geïntimeerde] geen gebruik heeft gemaakt van het aanbod van [appellant] om weer te komen werken, zodat hij geen aanspraak kan maken op loonbetaling - is nodig dat komt vast te staan dat [appellant] [geïntimeerde] een dergelijk aanbod heeft gedaan. Een dergelijk aanbod kan niet anders worden gedaan dan expliciet. De enkele uitnodiging, gedaan door tussenpersonen, om te komen praten, is daartoe onvoldoende. In zoverre is de formulering van de bewijsopdracht van de kantonrechter dan ook juist.

De stelling van [appellant] dat in de Turkse cultuur in zaken zoals deze een uitnodiging om te komen praten meer betekent dan een praatje in het algemeen en dat [geïntimeerde], zelf van Turkse afkomst, moet hebben begrepen dat de uitnodiging om te komen praten in feite een uitnodiging was om weer te komen werken, heeft [geïntimeerde] betwist. [appellant] heeft van die stelling geen bewijs aangeboden zodat het hof daaraan voorbij gaat.

5.3 Het hof onderschrijft het oordeel van de kantonrechter dat uit de afgelegde getuigenverklaringen niet meer kan worden afgeleid dan dat [appellant] [geïntimeerde] heeft gevraagd te komen praten, en dus niet dat hij [geïntimeerde] heeft aangeboden weer voor hem te komen werken. Zoals hiervoor overwogen, is dat onvoldoende voor het slagen van het verweer van [appellant] tegen de vordering van [geïntimeerde]. In hoger beroep heeft [appellant] nog aangeboden een aantal getuigen opnieuw te laten horen; hij heeft echter nagelaten aan te geven wat deze getuigen meer of anders zouden kunnen verklaren dan zij in eerste aanleg hebben gedaan, zodat het aanbod als onvoldoende gespecificeerd moet worden gepasseerd. Grief 1 faalt.

5.4 Dat betekent dat [geïntimeerde] aanspraak kan maken op loondoorbetaling tot 1 april 2006 en dat de vordering door de kantonrechter terecht is toegewezen. In zoverre faalt ook grief 2.

5.5 Het hof ziet echter in de omstandigheden van het geval aanleiding om de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW te matigen tot 15%. In zoverre zal het bestreden vonnis van de kantonrechter worden vernietigd.

5.6 Nu de vordering in eerste aanleg grotendeels terecht is toegewezen is voor een veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in eerste aanleg geen aanleiding. Ook grief 3 faalt derhalve.

Slotsom

5.7 De slotsom is dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd, met uitzondering van de toewijzing van de wettelijke verhoging. Op dat punt zal het vonnis worden vernietigd. Het hof zal de wettelijke verhoging matigen tot 15%.

5.8 Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter (rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Nijmegen) van 30 maart 2007, behoudens voor zover in dat vonnis over het door [appellant] aan [geïntimeerde] te betalen loon de wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW is toegekend en vernietigt het vonnis op dat punt en doet in zoverre opnieuw recht:

wijst toe de wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW tot 15%;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 2.682,00 voor salaris van de procureur en op € 251,00 voor griffierecht;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs Katz-Soeterboek, Bronzwaer en Brack en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juni 2008.