Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BH0074

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
16-12-2008
Datum publicatie
20-01-2009
Zaaknummer
104.003.946
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In het onderhavige geschil is inmiddels in hoger beroep ook de vraag aan de orde of de relatie tussen [appellant] en [geïntimeerde] kan worden aangemerkt als een overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 BW, zoals [geïntimeerde] in het voetspoor van het eindvonnis stelt. De beantwoording van deze vraag is nauw verweven met de omstandigheden van het geval. Daarbij acht het hof onder meer van belang hoe de contacten tussen [appellant] en [geïntimeerde] tot stand zijn gekomen, wie daartoe het initiatief heeft genomen, hoe [appellant] zich jegens [geïntimeerde] heeft gepresenteerd, welke rol [appellant] tijdens de contacten met [geïntimeerde] vervulde en of [appellant] andere werkzaamheden ten behoeve van [geïntimeerde] heeft verricht. Deze omstandigheden dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en afgewogen.

Het hof heeft behoefte aan nadere inlichtingen van partijen met betrekking tot met name:

I. de verhouding tussen [appellant] en de klant, in dit geval [geïntimeerde], en meer in het bijzonder de wijze waarop de contacten tussen beiden totstandkwamen en verliepen;

II. de verhouding tussen [appellant] en Assurantiewacht, en meer in het bijzonder de rol die Assurantiewacht speelde bij het in contact brengen van [appellant] met de klant, in dit geval [geïntimeerde], de wijze waarop Assurantiewacht [appellant] informeerde over de aan te bieden producten en de hoogte van de door [appellant] voor zijn werkzaamheden ontvangen beloning;

III. de relevante opleidingen die [appellant] heeft gevolgd.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 400
Wet toezicht effectenverkeer 1995
Wet toezicht effectenverkeer 1995 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2009/117
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

Zaaknummer: 104.003.946

arrest van de tweede civiele kamer van 16 december 2008

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. J.H.A.M. Hanssen,

tegen:

1. [geïntimeerde sub 1],

2. [geïntimeerde sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

advocaat: mr. P.A. aan de Kerk.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 6 september 2006 en 6 juni 2007, die de rechtbank Arnhem tussen appellant (hierna: [appellant]) als gedaagde en geïntimeerden (hierna in enkelvoud: [geïntimeerde]) als eisers heeft gewezen. Van genoemd vonnis van 6 juni 2007 is een fotokopie aan dit arrest gehecht. Het is gepubliceerd onder LJN: BA8787.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 9 juli 2007 [geïntimeerde] aangezegd van de vonnissen van 6 september 2006 en 6 juni 2007 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] 33 grieven tegen het vonnis van 6 juni 2007 aangevoerd en toegelicht, heeft hij bewijs aangeboden en heeft hij geconcludeerd dat het hof de vonnissen van 6 september 2006 en 6 juni 2007 zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet zulks toelaat, [geïntimeerde] alsnog zijn vordering zal ontzeggen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden, heeft hij bewijs aangeboden, twee nieuwe producties in het geding gebracht en heeft hij geconcludeerd dat het hof de vorderingen aan [appellant] zal ontzeggen als ongegrond en onbewezen en de bestreden vonnissen zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van (bedoeld zal zijn:) het hoger beroep, alles voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

2.4 Daarna hebben partijen het debat bij akte respectievelijk antwoordakte voortgezet.

2.5 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 De vaststaande feiten

3.1 Tussen partijen staan in hoger beroep als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken en op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van producties, de navolgende feiten vast.

3.2 De commanditaire vennootschap Assurantiewacht Nl. (hierna: Assurantiewacht), handelend onder de naam “Lekker Leven hypotheken”, en [appellant] hebben op 14 september 2000 een samenwerkingsovereenkomst gesloten, waarin Assurantiewacht als franchisegever wordt aangeduid en [appellant] als franchisenemer. Deze overeenkomst houdt onder meer het volgende in:

“In aanmerking nemende:

Dat de franchisegever inspanningen en investeringen heeft verricht ten behoeve van het ont-wikkelen van een systeem dat voorziet in het aanbieden van een pakket faciliteiten en diensten welke de franchisenemer in staat stelt zijn assortiment samen te stellen uit produkten en diensten geleverd door de franchisegever en de met haar samenwerkende partners binnen de door franchisegever opgerichte inkoopcombinatie.

Artikel 1 assortiment

1.1 Franchisegever vervult de rol van intermediair als het gaat om afspraken met derden, zoals banken, vermogensbeheerders en verzekeraars. Franchisegever zal naar rato van de individuele bijdrage een beloning toekennen aan franchisenemer (…).

Benadrukt wordt dat franchisenemer geen adviserende rol speelt in het tot stand komen van financiële en aanverwante produkten tussen prospect en de financiële instelling.

Franchisenemer zal slechts het produkt, aangeboden door franchisegever, bij de prospect toelichten en benodigde bescheiden in ontvangst nemen.

Het is franchisenemer niet toegestaan soortgelijke afspraken te generen, of omzet danwel produktie in voorbereiding onder te brengen bij enig andere financiële dienstverlener danwel bank, verzekeraar, vermogensbeheerder of intermediair dan nadat hier uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van franchisegever voor is gegeven.

Artikel 2 duur van de overeenkomst

(…)

2.4 Indien deze overeenkomst tussen partijen wordt beëindigd c.q. ontbonden, is franchisenemer verplicht terstond alle merkaanduidingen, reclamemiddelen en alle voor de uitoefening van de opdrachten ter hand gestelde materialen terstond uit zijn organisatie te verwijderen en aan franchisegever te retourneren. Bovendien zal (…) de franchisenemer zich na beëindiging van deze overeenkomst verre houden van het benaderen van relaties van franchisegever tot stand gekomen tijdens de looptijd van deze overeenkomst, waar het gaat om het wijzigen, afkopen, inlossen of premievrij maken van enig produkt wat is ondergebracht in portefeuille van franchisegever.

Artikel 3 portefeuillerechten

Franchisenemer heeft geen portefeuillerechten. Echter, indien gewenst en toegestaan door de relaties van franchisegever mag de franchisenemer na beëindiging van deze overeenkomst zijn tijdens de looptijd van de overeenkomst aangebrachte relatieportefeuille tegen de door de SER getaxeerde waarde overnemen.”

3.3 Assurantiewacht bood onder meer een 10-jarige hypotheek aan, al dan niet gecombineerd met beleggingsproducten, waaronder het “Euro Consultancy certificaat” en het “VastgoedGarant certificaat”.

3.4 In de door Euro Consultancy Inc. verspreide brochures met betrekking tot het Euro Consultancy certificaat staat onder het opschrift “Investeren zonder beleggingsrisico: ons huismerk” onder meer het volgende:

“…een veilige investering met een gestaag maar zeker rendement…

Uw inleg wordt na het einde van de looptijd teruggestort. Er is een looptijdkeuze van 20 of 30 jaar. (…)

Gedurende de contractsduur wordt het rendement naar keuze per jaar of aan het einde van de looptijd ineens uitgekeerd. U kunt vanaf elk jaar van de contractsduur laten uitkeren, zover u dat maar bij de aanvraag kenbaar maakt.”

3.5 In de brochure over het certificaat van VastgoedGarant staat onder meer het volgende:

“…wordt u als deelnemer ingeschreven in de administratie van stichting VastgoedGarant (sVG). (…) U bent dus volledig eigenaar van een deel van een vastgoedportefeuille. U komt met SVG overeen dat deze uw vastgoed aan het einde van de looptijd van u terugkoopt voor gegarandeerd dezelfde prijs als waarvoor u kocht. Gedurende, of aan het einde van de looptijd ineens, ontvangt u gegarandeerd een rendement van 8%. SVG zal aan het einde van de looptijd het vastgoed verkopen, over de winst bij verkoop ontvangt u 3%.”

3.6 Na contact met Assurantiewacht en [appellant] heeft [geïntimeerde] de overwaarde van zijn woning uit een nieuwe hypotheek betaald voor beleggingen in het VastgoedGarantcertificaat en in het Euro Consultancy Garantiecertificaat. Volgens het Euro Consultancy Garantiecertificaat is [geïntimeerde] tegen een inleg van € 19.000,- houder van negentien certificaten, die hem recht geven op een jaarlijkse gegarandeerde uitkering van Euro Consultancy van € 3.838,-, welke uitkeringen aanvangen op 13 augustus 2014 en voortduren tot de einddatum 13 augustus 2033.

Voorts heeft [geïntimeerde] van Assurantiewacht een certificaat van VastgoedGarant ontvangen ten bedrage van € 14.000,-, waarop reeds na het eerste jaar zou worden uitgekeerd. Dat certificaat is niet overgelegd in de procedure.

3.7 Assurantiewacht is op 6 juni 2006 failliet verklaard. Uit de faillissementsverslagen volgt dat de aangemelde schulden de bekende baten overtreffen.

3.8 Uit verslagen van de curator blijkt voorts dat de heer [A.], directeur althans feitelijk leidinggevende van Assurantiewacht, door de Belgische justitie wordt verdacht van oplichting. Ook de FIOD heeft een onderzoek ingesteld. De curator schrijft in zijn faillissementsverslag van 24 oktober 2006 over Euro Consultancy en VastgoedGarant:

“Deze beide vennootschappen gaven beleggingscertificaten af met zeer hoge rendementswaarden, waar – naar thans is gebleken – in ieder geval 175 mensen aan hebben deelgenomen voor een totale inlegwaarde van plus minus 5,4 miljoen. Vanuit de vennootschap Vastgoed Garant II B.V. zijn in het verleden rendementen daadwerkelijk uitgekeerd, waarvan overigens het vermoeden bestaat dat dit door middel van het zogenaamde “pyramidespel-principe” is gebeurd en vanuit Euro Consultancy is nimmer enig rendement uitgekeerd. (…) Vooralsnog bestaat bij justitie het idee dat Euro Consultancy in het geheel nooit heeft bestaan als zelfstandig rechtspersoon en in het leven is geroepen door de heer [A.] in verband met de hem toegedichte oplichting.”

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Het gaat in deze zaak om het volgende. In verband met bij [geïntimeerde] bestaande belangstelling voor financiële producten van Assurantiewacht heeft [appellant] [geïntimeerde] bezocht, een toelichting gegeven en berekeningen gemaakt. Vervolgens is de overwaarde van de woning van [geïntimeerde] te gelde gemaakt door middel van het afsluiten van een nieuwe hypotheek. Bedoelde overwaarde is betaald voor beleggingen in het Euro Consultancy Garantiecertificaat en het VastgoedGarantcertificaat. [A.], directeur of feitelijk leidinggevende van Assurantiewacht, is in België strafrechtelijk vervolgd op verdenking van fraude. Assurantiewacht is failliet verklaard.

4.2 In dit geding heeft [geïntimeerde] vergoeding gevorderd van door hem geleden schade. Bij het vonnis van 6 september 2006 heeft de rechtbank overeenkomstig artikel 131 Wetboek van Burgerlijk Rechtsvordering een comparitie van partijen bepaald. Bij het vonnis van 6 juni 2007 heeft de rechtbank [appellant] veroordeeld tot:

1. betaling van een bedrag van € 11.760,-, vermeerderd met wettelijke rente over (i) € 14.000,- met ingang van 10 augustus 2003 tot 10 augustus 2004, (ii) de wettelijke rente over € 12.880,- met ingang van 10 augustus 2004 tot 10 augustus 2005 en (iii) de wettelijke rente over € 11.760,- over de periode 10 augustus 2005 tot aan de dag van volledige betaling;

2. betaling van een bedrag van € 19.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 13 augustus 2003 tot de dag van volledige betaling;

3. betaling van een bedrag van € 1.158,- ter zake van buitengerechtelijke incassokosten;

4. betaling van de aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen proces- en beslagkosten.

4.3 Het hof zal de grieven zoveel mogelijk gezamenlijk bespreken.

4.4 Nu [appellant] tegen het vonnis van 6 september 2006 geen grieven heeft aangevoerd, moet hij in zijn hoger beroep tegen dat vonnis niet-ontvankelijk worden verklaard.

4.5 [geïntimeerde] heeft zijn vordering in eerste aanleg (behalve op onverschuldigde betaling tevens) gegrond op onrechtmatige daad. De verwijten die [geïntimeerde] in dat verband aan [appellant] heeft gemaakt, komen er alle op neer dat [appellant] in strijd met bepalingen van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (hierna: Wte 1995) en de op die wet gebaseerde Nadere regeling toezicht effectenverkeer 2002 (hierna: NRg 2002) heeft gehandeld. De rechtbank heeft – zoals onder meer blijkt uit hetgeen onder 4.9 en 4.17 van het vonnis van 6 juni 2007 is overwogen – de aansprakelijkheid van [appellant] niet gegrond op enige onrechtmatige daad van [appellant], maar op diens (toerekenbare) tekortkoming, namelijk het niet betrachten van de als een goed opdrachtnemer in acht te nemen zorg. Hetgeen de rechtbank [appellant] in dit verband verwijt, is kort samengevat het volgende:

a. [appellant] heeft geadviseerd over een product waarmee hij niet bekend was en waarover, behalve een summiere brochure, geen aanvullende informatie beschikbaar was; dit laatste geldt ook voor de onderneming van wie het product afkomstig was en die tot de aanbieding van het product het initiatief had genomen (genoemd vonnis onder 4.10 en 4.13).

b. [appellant] heeft geen nader onderzoek naar Euro Consultancy en Vastgoed Garant gedaan, hoewel voor dergelijke onderzoek aanleiding bestond (idem onder 4.11).

c. [appellant] mocht niet vertrouwen op de deugdelijkheid van de producten die Assurantiewacht op de markt bracht; er is geen sprake van overmacht (idem onder 4.12).

d. Alle contacten met Assurantiewacht liepen via [appellant]. De besluitvorming door [geïntimeerde] was geheel gebaseerd op de informatie verstrekt door [appellant] en dit was bij [appellant] bekend (idem onder 4.14).

Daarnaast heeft de rechtbank onder 4.15 van het vonnis van 6 juni 2007 geoordeeld dat het handelen van [appellant] “voorts” in strijd is met de toepasselijke voorschriften uit de Wte 1995. Met diverse grieven betoogt [appellant], kort gezegd, dat de rechtbank onvoldoende oog heeft gehad voor de rol van Assurantiewacht en de rol van [appellant] juist heeft overschat.

4.6 In veel consumentengeschillen over effecten gaat het over advisering in verband met het risicoprofiel. Het onderhavige geval ziet op bemiddeling van op de Nederlandse markt aangeboden effecten waarvan de uitgevende instelling insolvent is geraakt.

4.7 Eerst zal het hof ingaan op de destijds geldende regels op grond van de effectenwetgeving, waaronder de Wte 1995. Verderop zal aan de orde komen of tussen partijen een overeenkomst van opdracht bestond, waarvan de rechtbank is uitgegaan.

4.8 Het hof stelt voorop dat aan de Wte 1995 twee onderlinge samenhangende doelstellingen ten grondslag liggen:

1) het adequaat functioneren van de effectenmarkten en handhaving daarvan (toezicht door of namens de overheid);

2) bescherming van de belangen van de beleggers op de effectenmarkt.

Aan de doelstelling van toezicht is ook integriteit van de financiële sector toegevoegd, hetgeen met name ziet op de integriteit van de bij het effectenverkeer betrokken personen en instellingen en de daarin werkzame personen.

In de Parlementaire geschiedenis van de Wte 1995 is hierover het volgende opgemerkt:

“(…) In de eerste plaats wordt gestreefd naar een adequate functionering van de effectenmarkten. (…) In de tweede plaats is er het streven beleggers en spaarders te beschermen tegen malafide aanbiedingen, onvoldoende informatie en ondeskundig optreden. De positie van de beleggers is hier dus een doel op zichzelf beschouwd. (…) Het streven naar bescherming van de belangen van beleggers en spaarders, belichaamd in bovengenoemde wetgeving, wordt bovendien vorm gegeven door een bevordering van de doorzichtigheid van de financiële markten. Kern hiervan is informatieverschaffing aan beleggers en spaarders, bij voorbeeld in de vorm van prospectussen bij de uitgifte van effecten en periodieke financiële verslaggeving betreffende uitgevende instellingen, zodat beleggers zich een goed beeld kunnen vormen van de risico’s en het te verwachten rendement van de aangeboden effecten. Minstens zo belangrijk is daarnaast, dat de regelgeving beoogt de betrouwbaarheid van intermediairs (in economische of juridische zin) te bevorderen, waardoor het vertrouwen in de afwikkeling van transacties en aangegane verplichtingen wordt vergroot. (…)” (Kamerstukken II 1988-1989, 21 038, nr. 3, p. 2 en 4.)

4.9 In artikel 7 Wte 1995 is destijds, voor zover in het onderhavige geval van belang, het navolgende bepaald:

“1. Het is verboden zonder vergunning als effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder in of vanuit Nederland diensten aan te bieden of te verrichten.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op:

(..)

f. beleggingsinstellingen als bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen, alsmede beheerders als bedoeld in artikel 1, onder e, van die wet, voor zover het betreft de inkoop of verkoop van rechten van deelneming in de betrokken beleggingsinstellingen door de beleggingsinstellingen zelf onderscheidenlijk door de aan die beleggingsinstellingen verbonden beheerders;

(..)

i. effecteninstellingen die zijn gevestigd in een andere lidstaat, niet zijnde instellingen als bedoeld onder h, die door middel van een bijkantoor in Nederland als effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder diensten aanbieden of verrichten (..)”

Het begrip “effecteninstelling” wordt als volgt gedefinieerd (artikel 1 onder d Wte 1995):

“een effectenbemiddelaar (hof: zie artikel 1 onder b Wte 1995) of een vermogensbeheerder (hof: zie artikel 1 onder c Wte 1995).”

4.10 Tussen partijen is niet in geschil dat Euro Consultancy het Garantiecertificaat heeft uitgegeven, dat het Garantiecertificaat en het VastgoedGarant certificaat effecten zijn in de zin van artikel 1 onder a Wte 1995 en dat Assurantiewacht is opgetreden als effectenbemiddelaar.

4.11 Op het verbod van artikel 7 lid 1 Wte 1995 zijn uitzonderingen van toepassing (zie artikel 7 lid 2 Wte 1995). Uit het systeem van de Wte 1995 volgt dat wanneer een (rechts-) persoon onder de omschrijving van effecteninstelling valt en als zodanig in of vanuit Nederland diensten wil aanbieden of verrichten dat slechts is toegestaan indien de instelling over een vergunning beschikt en zich houdt aan de regels die gelden voor vergunninghouders. Daarnaast zijn bepaalde aangewezen (rechts-)personen vrijgesteld van het verbod (zie artikel 10 Wte 1995). Aan de vrijstelling kunnen voorwaarden verbonden zijn.

4.12 Verder is tussen partijen niet in geschil dat Assurantiewacht is opgetreden als cliëntenremisier en als zodanig ook stond ingeschreven in het daartoe bestemde register. Cliëntenremisiers zijn, kort gezegd, (rechts-)personen die uitsluitend cliënten aanbrengen bij andere effecteninstellingen en derhalve voldoen aan de omschrijving van effectenbemiddelaar. Onder bepaalde voorwaarden vallen cliëntenremisiers onder een vrijstelling van het verbod van artikel 7 lid 1 Wte 1995. Het hof verwijst naar artikel 12 lid 1, aanhef Vrijstellingsregeling Wte 1995 (hierna: Vr Wte 1995):

“Van artikel 7, eerste lid, van de wet wordt vrijstelling verleend aan natuurlijke personen en rechtspersonen voor zover zij bij het als effectenbemiddelaar aanbieden of verrichten van diensten cliënten aanbrengen bij (..).”

Indien de cliëntenremisier niet voldoet aan de voorwaarden van de vrijstelling handelt hij alsnog in strijd met het verbod van artikel 7 Wte 1995.

4.13 Aangenomen moet worden dat een effecteninstelling (zoals Assurantiewacht) onder bepaalde voorwaarden, een gedeelte van haar werkzaamheden/activiteiten mag uitbesteden. Een dergelijke handelwijze is niet zonder meer in strijd met de Wte 1995 en de daarmee samenhangende besluiten en regelingen.

4.14 Vervolgens rijst de vraag of in een geval de effecteninstelling in strijd met effectenwetgeving handelt dan wel in strijd met de voorwaarden van haar vrijstelling, aangenomen moet worden dat degene aan wie bepaalde activiteiten van die effecteninstelling zijn uitbesteed, op die enkele grond ook in strijd met die effectenwetgeving handelt, dan wel met de voorwaarden van de vrijstelling (waarvan de effecteninstelling gebruik maakt) en alleen al op grond daarvan zelfstandig aansprakelijk kan worden gehouden voor de schade die als gevolg daarvan wordt geleden. Het hof beantwoordt die vraag in beginsel ontkennend. Of in een bepaald geval aansprakelijkheid kan worden aangenomen van degene aan wie werkzaamheden zijn uitbesteed, zal afhangen van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de uitbestede werkzaamheden en de geschonden norm.

4.15 Daarnaast dient de vraag te worden beantwoord in hoeverre [appellant] zelfstandig onder de reikwijdte van de Wte 1995 viel en gehouden was om zelf aan die wetgeving te voldoen. Daarbij zal volgens het hof onder meer van belang zijn welke werkzaamheden [appellant] van Assurantiewacht verrichtte, een en ander bezien in samenhang met de overige activiteiten van Assurantiewacht

4.16 In het onderhavige geschil is inmiddels in hoger beroep ook de vraag aan de orde of de relatie tussen [appellant] en [geïntimeerde] kan worden aangemerkt als een overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 BW, zoals [geïntimeerde] in het voetspoor van het eindvonnis stelt. De beantwoording van deze vraag is nauw verweven met de omstandigheden van het geval. Daarbij acht het hof onder meer van belang hoe de contacten tussen [appellant] en [geïntimeerde] tot stand zijn gekomen, wie daartoe het initiatief heeft genomen, hoe [appellant] zich jegens [geïntimeerde] heeft gepresenteerd, welke rol [appellant] tijdens de contacten met [geïntimeerde] vervulde en of [appellant] andere werkzaamheden ten behoeve van [geïntimeerde] heeft verricht. Deze omstandigheden dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en afgewogen.

4.17 Het hof heeft behoefte aan nadere inlichtingen van partijen met betrekking tot met name:

I. de verhouding tussen [appellant] en de klant, in dit geval [geïntimeerde], en meer in het bijzonder de wijze waarop de contacten tussen beiden totstandkwamen en verliepen;

II. de verhouding tussen [appellant] en Assurantiewacht, en meer in het bijzonder de rol die Assurantiewacht speelde bij het in contact brengen van [appellant] met de klant, in dit geval [geïntimeerde], de wijze waarop Assurantiewacht [appellant] informeerde over de aan te bieden producten en de hoogte van de door [appellant] voor zijn werkzaamheden ontvangen beloning;

III. de relevante opleidingen die [appellant] heeft gevolgd.

4.18 Partijen en in het bijzonder [appellant] dienen voor de comparitie van partijen alle nog niet overgelegde stukken die in dit verband relevant zijn aan het hof en aan de wederpartij over te leggen. Het hof draagt aan [appellant] op om in ieder geval over te leggen:

• de stukken die in eerste aanleg ter griffie van de rechtbank zijn gedeponeerd en die niet in het procesdossier in hoger beroep aanwezig zijn;

• bewijsstukken wat betreft de door [appellant] voor zijn werkzaamheden ontvangen beloningen, alsmede de wijze waarop die beloningen werden vastgesteld en ingeval van provisie, hoe de provisie werd vastgesteld;

• bewijsstukken wat betreft de door [appellant] gevolgde opleidingen.

4.19 Indien het verloop van de comparitie daartoe aanleiding geeft, zal het hof tevens een minnelijke regeling beproeven.

4.20 De comparitie van partijen zal plaatsvinden gelijktijdig met die in de zaken met de zaaknummers 104.003.947, 104.003.948, 104.003.949, 104.003.950 en 104.003.951. Het hof zal een volledige dag reserveren voor voornoemde comparitie. Het hof stelt voor om de comparitie met alle partijen aan te vangen en vervolgens, aansluitend, per zaak op een aantal specifieke, zaaksgerelateerde geschilpunten in te gaan. Het hof verzoekt de advocaten van partijen om met elkaar te overleggen welke volgorde zij daarbij wensen aan te houden en het hof daarover tijdig vóór de zitting te informeren.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Arnhem van 6 september 2006;

bepaalt dat partijen in persoon tezamen met hun advocaten zullen verschijnen voor het hof, dat daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem op een nader door de voorzitter te bepalen dag en tijdstip, zulks tot het geven van inlichtingen als onder 4.17 aangegeven en opdat kan worden onderzocht of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;

bepaalt dat partijen de verhinderdagen van partijen en hun advocaten in de maanden januari tot en met april 2009 zullen opgeven op de rol van 13 januari 2009, waarna dag en uur van de comparitie (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door het hof zal worden vastgesteld;

bepaalt dat partijen de bescheiden als bedoeld onder 4.18 in het geding dienen te brengen en dat partijen deze bescheiden tijdig vóór de zitting aan de wederpartij en aan het hof dienen te verzenden, zodanig dat deze uiterlijk twee weken vóór de zitting kunnen zijn ontvangen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, W.L. Valk en R. de Groot, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 december 2008.