Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BH0063

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
24-12-2008
Datum publicatie
16-01-2009
Zaaknummer
08-00023
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Algemeen.

Mondelinge overeenstemming over willekeurige afschrijving pand is niet aannemelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009/181
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belasting

nummer 08/00023

uitspraakdatum: 24 december 2008

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank) van 6 december 2007, nummer AWB 07/472, in het geding tussen belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P(hierna: de Inspecteur) betreffende na te melden aanslag en verliesbeschikkingen in de vennootschapsbelasting.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is voor het jaar 2002 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 84.030, bestaande uit een belastbare winst van € 771.229 en een verliesverrekening van € 687.199. Daarbij is voorts – althans zulks ligt erin besloten – bij beschikking het verlies van 2002 vastgesteld op nihil.

1.2 Na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, is bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar bedrag van nihil, bestaande uit een belastbare winst van € 589.605 en een verliesverrekening van € 589.605. De verliesvaststellingsbeschikking is gehandhaafd.

1.3 Het door belanghebbende tegen deze uitspraken op bezwaar ingestelde beroep is door de Rechtbank ongegrond verklaard.

1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft vervolgens een conclusie van repliek ingediend en de Inspecteur een conclusie van dupliek.

1.5 Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgehad op 20 november 2008 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord: belanghebbendes gemachtigden A en B alsmede de Inspecteur.

1.6 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Een afschrift hiervan is aan deze uitspraak gehecht.

2. Feiten

Voor de feiten verwijst het Hof naar onderdeel 2 van de uitspraak van de Rechtbank.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur terecht belanghebbendes aanspraak op toepassing van de faciliteit van willekeurige afschrijving ter zake van het pand a-straat 1 te Q heeft geweigerd. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend op de gronden, kort gezegd, dat – primair – zij en de Inspecteur tijdens de bespreking van 20 januari 2004 mondelinge overeenstemming hebben bereikt over toepassing van de willekeurige afschrijving op het pand a-straat 1, dan wel – subsidiair – dat de Inspecteur het in rechte te beschermen vertrouwen heeft gewekt dat bedoelde willekeurige afschrijving zou worden toegestaan, dan wel dat de Inspecteur door de gevraagde faciliteit aan belanghebbende te onthouden het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden. De Inspecteur bestrijdt, kort gezegd, dat mondelinge overeenstemming is bereikt als door belanghebbende is gesteld en dat sprake is van schending van de door belanghebbende genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

3.2 Partijen doen hun standpunten (nader) steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd, wordt verwezen naar het proces-verbaal van de zitting.

3.3 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraken van de Inspecteur, van de verliesverrekeningsbeschikking, tot vermindering van de aanslag tot nihil en tot een vaststelling van het verlies over 2002 op een bedrag van € 1.318.513.

3.4 De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Belanghebbende stelt zich primair op het standpunt dat tijdens de bespreking op 20 januari 2004 tussen haar (toenmalige) gemachtigden C (hierna: C) en D (hierna: D) en de controlemedewerker van de Belastingdienst de heer E (hierna: E) niet alleen mondelinge overeenstemming is bereikt inzake de toepassing van de faciliteit van willekeurige afschrijving met betrekking tot het pand b-straat 1, maar ook met betrekking tot het pand a-straat 1.

4.2 Zulks wordt evenwel gemotiveerd betwist door de Inspecteur. Alsdan ligt het naar het oordeel van het Hof op de weg van belanghebbende aannemelijk te maken dat de door haar gestelde mondelinge overeenstemming is bereikt. De omstandigheid dat E het aan de (toenmalige) gemachtigden van belanghebbende heeft overgelaten het op 20 januari 2004 gesloten compromis schriftelijk vast te leggen – hetgeen de toenmalige gemachtigden bij brief van 13 februari 2004 (in hun visie) hebben gedaan – brengt, anders dan belanghebbende bepleit, niet mee dat de bewijslast te dezen in de richting van de Inspecteur verschuift.

4.3 Belanghebbende heeft in dit verband verwezen naar de in de procedure voor de Rechtbank overgelegde brieven van C (gedagtekend 12 oktober 2007) en D (gedagtekend 18 oktober 2007). De inhoud van die brieven biedt naar het oordeel van het Hof echter geen steun aan de stelling van belanghebbende dat tussen de betrokken partijen ten aanzien van het pand a-straat 1 mondelinge overeenstemming is bereikt met betrekking tot het toepassen van de faciliteit van willekeurige afschrijving. In de brief van C – met de inhoud waarvan D zich heeft verenigd – is immers vermeld dat niet per pand afzonderlijk is gesproken over de willekeurige afschrijving. Gelet hierop ligt het niet voor de hand dat E (welbewust) heeft aanvaard dat belanghebbende, in afwijking van een strikte toepassing van de wet, willekeurig kon afschrijven op het pand a-straat 1. Ter zitting van het Hof heeft E nogmaals benadrukt dat tussen partijen geen akkoord is gesloten met betrekking tot de willekeurige afschrijving inzake het pand a-straat 1. Dit pand is “slechts” aan de orde geweest, aldus E, in het kader van de reguliere afschrijving. Het Hof acht de verklaring van E geloofwaardig. Dit leidt tot de conclusie dat het primaire standpunt van belanghebbende faalt.

4.4 Subsidiair beroept belanghebbende zich op toepassing van het vertrouwensbeginsel. In de kern komt haar betoog erop neer dat in het kader van de bespreking over de panden b-straat 1 en a-straat 1 in zó algemene zin over de willekeurige afschrijving is gesproken, dat bij C en D de indruk is gewekt dat de Inspecteur ten aanzien van alle panden van belanghebbende (dus ook a-straat 1) het standpunt innam dat willekeurige afschrijving was toegestaan. Dit betoog treft geen doel. Nog daargelaten de vraag of dit betoog van belanghebbende, indien gegrond, zou moeten leiden tot een bescherming in rechte, acht het Hof, gelet op de hiervóór in overweging 4.3 vermelde – ter zitting afgelegde – geloofwaardige verklaring van E, niet aannemelijk geworden dat tijdens de bespreking op 20 januari 2004 de kwestie van willekeurige afschrijving is besproken anders dan met betrekking tot het pand b-straat 1. Onder deze omstandigheid kan redelijkerwijs niet worden aangenomen dat C en D – zijnde professionele adviseurs – uitlatingen van E hebben kunnen opvatten als een toezegging tot het – in afwijking van de wet – toekennen van de faciliteit van willekeurige afschrijving met betrekking tot het pand a-straat 1. Eerdergenoemde brief van 13 februari 2004 en de in de procedure bij de Rechtbank overgelegde brieven van C en D doen aan deze conclusie niet af.

4.5 Het toestaan door de “vaco VPB” F dat, ondanks het ontbreken van een tijdige aanmelding, op het pand b-straat 1 voor het jaar 2000 willekeurig kon worden afgeschreven, vormt – anders dan belanghebbende betoogt – geen beleidsregel omdat daarmee niet aannemelijk gemaakt is dat de Inspecteur ook in andere en overigens gelijke gevallen hetzelfde zou doen. Reeds hierom faalt het door haar gedane beroep op (schending van) het gelijkheidsbeginsel.

4.6 Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan door mr. R. den Ouden, voorzitter, mr. J. van de Merwe en mr. A.J. Kromhout, raadsheren in tegenwoordigheid van mr. C.E. te Brake als griffier.

De beslissing is op 24 december 2008 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(C.E. te Brake) (R. den Ouden)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 24 december 2008

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.