Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BG7884

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
03-12-2008
Datum publicatie
19-12-2008
Zaaknummer
TBS2007/340
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzen verzoek tot aanhouding van behandeling van het beroep. Afwijzen verzoek voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging van betrokkene. Verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaren.

Het hof komt tot de conclusie dat er thans sprake is van een behandelimpasse die voorwaardelijke beëindiging thans onmogelijk maakt. Gezien de inschatting van [kliniek] dat er een grote kans op recidive is wanneer betrokkene nu in de maatschappij zou worden geplaatst, is het zaak om de behandeling en mogelijke toekomstige resocialisatie van de betrokkene zorgvuldig vorm te geven. Het hof acht het zeer wenselijk - en gaat er dan ook vanuit - dat [de kliniek] met grote voortvarendheid met het resocialisatietraject van betrokkene zal aanvangen.

Gelet op het thans nog aanwezige delictgevaar en het gegeven dat betrokkene nog gedurende langere tijd structuur, zorg en begeleiding nodig heeft, is het hof van oordeel dat de terbeschikkingstelling dient te worden verlengd met een termijn van twee jaar. Daarbij is in aanmerking genomen dat gelet op het verloop van de onderhavige procedure reeds een aanzienlijk deel van de verlengingstermijn is verstreken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

TBS 2007\340

Beslissing d.d. 3 december 2008

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[Terbeschikkinggestelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

verblijvende in [verblijfplaats].

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank te 's-Gravenhage van 9 oktober 2007, houdende verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar.

Overwegingen:

• Het hof zal de beslissing van de rechtbank dienen te vernietigen, gelet op artikel 509t, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, aangezien de rechtbank niet binnen twee maanden na het indienen van de verlengingsvordering van de officier van justitie haar beslissing heeft genomen en daar het recht doet op grond van nieuwe stukken en hetgeen de getuige-deskundigen ter terechtzitting hebben verklaard.

• Het hof is van oordeel dat in casu van een spoedige behandeling in de zin van artikel 5, vierde lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden geen sprake is geweest. Immers is op het beroep uiteindelijk ruim dertien maanden na het instellen van het hoger beroep beslist. Het hof neemt daarbij in ogenschouw dat de eerste behandeling van de zaak ruim acht maanden na het instellen van het hoger beroep plaatsvond, waarna de behandeling van de zaak meerdere malen is aangehouden, onder meer om onderzoek te doen naar de (on)mogelijkheden van voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging van betrokkene. Het hof oordeelt dat in de voorliggende zaak de beslissing om een verdragsrechtelijke schending aan te nemen in zichzelf voldoende bevrediging van het geschonden rechtsgevoel inhoudt.

• Het verzoek van de raadsman van betrokkene tot aanhouding van de behandeling van het beroep, teneinde de uitslag van het TBS-casuïstiekoverleg af te wachten wordt afgewezen, omdat het hof van oordeel is dat de behandeling van het beroep van betrokkene reeds veel tijd in beslag genomen heeft en het hof zich thans voldoende voorgelicht acht om op het beroep te kunnen beslissen.

• In het bijzonder gelet op de advisering is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de verlenging van de terbeschikkingstelling eist als in de hierna te vermelden beslissing vervat.

Zoals reeds in de tussenbeslissing van 27 juni 2008 overwogen volgt uit het verlengingsadvies dat bij betrokkene sprake is van een borderline persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken, alcoholafhankelijkheid en pathologisch gokken, beide in remissie. In de maanden voorafgaand aan 30 juni 2006 was betrokkene ver gevorderd in zijn resocialisatietraject. Hij werkte vijf dagen per week en overnachtte zes nachten per week buiten de kliniek. In de samenwerking van betrokkene met de toenmalige kliniek werd een stijgende lijn gezien.

Op 30 juni 2006 werd betrokkene aangehouden op verdenking van een misdrijf en werd daarom zijn verlof ingetrokken. Op 27 februari 2007 werd betrokkene overgeplaatst naar de huidige kliniek, [verblijfplaats], met als doel een tweede behandelpoging. In april 2007 werd betrokkene in de nieuwe strafzaak vrijgesproken.

Het hof stelt vast dat een tweede behandelpoging niet van de grond is gekomen. Betrokkene stelt zich - kort gezegd - op het standpunt dat, gelet op de vrijspraak, zijn eerdere vrijheden, die zijns inziens ten onrechte zijn ingetrokken, wederom in volle omvang moeten worden toegekend. Hij wenst aan een behandeling door de huidige kliniek verder niet mee te werken. Door de weigerachtige houding van betrokkene is een impasse ontstaan.

Prof.dr. de Ruiter, psycholoog, concludeert dat er bij betrokkene sprake is van een lifetime diagnose antisociale persoonlijkheidsstoornis en daarnaast een depressie, die sterk samenhangt met de huidige behandelimpasse. In tegenstelling tot de kliniek, die het recidiverisico als hoog omschrijft, is de psycholoog van mening dat het recidiverisico matig is. Zij is voorts van mening dat de tbs (het hof begrijpt: de verpleging van overheidswege) onder voorwaarden kan worden beëindigd. Daarbij dienen afspraken te worden gemaakt met betrokkene over het sociale netwerk, contact met de reclassering en/of behandeling door een forensische polikliniek. Tevens zou een steunend behandelcontact behulpzaam zijn.

Naar aanleiding van de tussenbeslissing van het hof van 27 juni 2008 is door de reclassering een maatregelrapport opgemaakt, waaruit volgt dat voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging realiseerbaar is onder de in dat rapport opgestelde voorwaarden. Na overleg tussen Palier en de reclassering is geen overeenstemming bereikt over de voorwaarden betreffende het middelengebruik. De conclusie is dat het onmogelijk is gebleken tot een sluitend plan van aanpak te komen. Het voorstel van Palier om de mogelijkheid van een geleidelijke overgang tussen [verblijfplaats] en de vrije samenleving in de vorm van verblijf in een FPA of een psychiatrisch ziekenhuis te onderzoeken was voor betrokkene geen optie, omdat hij niet in een klinische setting wil verblijven, althans niet zonder dat hij op voorhand zou weten hoelang het verblijf aldaar zou duren.

Indien betrokkene daar niet aan mee wil werken acht de reclassering deze mogelijkheid niet haalbaar, met name gezien het feit dat betrokkene enkel opgenomen zal worden indien hij intrinsiek gemotiveerd is.

Derhalve komt het hof tot de conclusie dat er thans sprake is van een behandelimpasse die voorwaardelijke beëindiging thans onmogelijk maakt. Gezien de inschatting van [kliniek] dat er een grote kans op recidive is wanneer betrokkene nu in de maatschappij zou worden geplaatst, is het zaak om de behandeling en mogelijke toekomstige resocialisatie van de betrokkene zorgvuldig vorm te geven. Het hof acht het zeer wenselijk - en gaat er dan ook vanuit - dat [de kliniek] met grote voortvarendheid met het resocialisatietraject van betrokkene zal aanvangen.

Gelet op het thans nog aanwezige delictgevaar en het gegeven dat betrokkene nog gedurende langere tijd structuur, zorg en begeleiding nodig heeft, is het hof van oordeel dat de terbeschikkingstelling dient te worden verlengd met een termijn van twee jaar. Daarbij is in aanmerking genomen dat gelet op het verloop van de onderhavige procedure reeds een aanzienlijk deel van de verlengingstermijn is verstreken.

Beslissing:

Het hof:

Vernietigt de beslissing van de rechtbank te 's-Gravenhage van 9 oktober 2007 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde.

Wijst af het verzoek tot aanhouding.

Wijst af het verzoek tot voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging van betrokkene.

Verlengt de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar.

Aldus gedaan door

mr Stikkelbroeck als voorzitter,

mrs Vegter en Rutgers van der Loeff als raadsheren,

en dr Schudel en dr Kaiser als raden,

in tegenwoordigheid van mr Janssen als griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2008.

Mr Rutgers van der Loeff en de raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.