Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BG7506

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
10-12-2008
Datum publicatie
18-12-2008
Zaaknummer
08-00128
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Accijns.

Bezwaar tegen geschrift met opschrift “bindende tariefinlichting”is niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/15.8 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

tweede meervoudige belastingkamer

nummer 08/00128

Uitspraakdatum: 10-12-2008

U i t s p r a a k

op het beroep van B.V. te Z – hierna: belanghebbende – tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/Douane Rotterdam (hierna: de Inspecteur) betreffende na te melden geschrift.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De Inspecteur heeft met dagtekening 7 januari 2004 en nr. NL-AAA-2003-000 aan belanghebbende een geschrift gezonden met het opschrift ‘EUROPESE GEMEENSCHAP - BINDENDE TARIEFINLICHTING’. De Inspecteur heeft het daartegen gemaakte bezwaar bij uitspraak van 15 april 2004 afgewezen.

1.2. Belanghebbende is tegen laatstbedoelde uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft zich bij uitspraak van 18 december 2007, nr. 04/2024DK, onbevoegd verklaard en het geding ter verdere behandeling naar het Gerechtshof te Arnhem verwezen.

1.3. Het onderzoek ter zitting van de zaak heeft plaatsgevonden op 26 juni 2008 te Arnhem door de tweede meervoudige belastingkamer. Daarbij is de Inspecteur verschenen en gehoord. Belanghebbendes gemachtigde is daarvoor uitgenodigd bij aangetekende brief van 29 april 2008 aan het laatstelijk bij het Hof bekende adres, doch zonder bericht niet verschenen. Uit de tot de stukken van het geding behorende ontvangstbevestiging blijkt dat evenbedoelde uitnodiging op 2 mei 2008 aan het evenbedoelde adres is uitgereikt aan een persoon, die voor ontvangst heeft getekend.

1.4. De Inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen. Een afschrift daarvan is overgelegd aan het Hof. De inhoud van deze pleitnota dient hier als herhaald en ingelast te worden aangemerkt.

1.5. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Een afschrift hiervan is aan deze uitspraak gehecht.

1.6. Naar aanleiding van het na de zitting door het Hof tot belanghebbende gerichte verzoek om schriftelijk nadere inlichtingen ter zake van de genoemde pleitnota van de Inspecteur te verstrekken, heeft tussen het Hof en partijen een briefwisseling plaatsgevonden. Partijen hebben het Hof schriftelijk laten weten het niet wenselijk te achten hun standpunten nogmaals mondeling toe te lichten.

2. Feiten

2.1. Voor de feiten wordt verwezen naar onderdeel 2 van de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 18 december 2007.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 Primair dient in dit geding de door de Inspecteur ter zitting van dit Hof ingenomen standpunt dat belanghebbende niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, te worden behandeld.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Bij uitspraak van 18 december 2007 heeft de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam geoordeeld dat onder de benaming ‘bindende tariefinlichting’ (BTI) door de Inspecteur in wezen een besluit is genomen inzake de binnenlandse heffing van accijns. Daaraan heeft dat Gerechtshof de conclusie verbonden dat het in geding zijnde besluit niet een voor bezwaar vatbare beschikking is die is gegeven op grond van wettelijke bepalingen in de zin van de Douanewet. Nu tegen deze uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam geen rechtsmiddel is aangewend, is zij onherroepelijk komen vast te staan.

4.2. Het in geding zijnde besluit is niet een ingevolge enige bepaling van de belastingwet genomen voor bezwaar vatbare beschikking, zodat artikel 23 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (zoals deze bepaling luidde in 2004) belanghebbende niet het recht toekende daartegen een bezwaarschrift in te dienen. Dat besluit is wel genomen op grond van een wettelijk voorschrift inzake belastingen, zodat op grond van het bepaalde in artikel 8:4, aanhef en onderdeel g, van de Algemene wet bestuursrecht – hierna: Awb – (zoals deze bepaling luidde in 2004) evenmin aan artikel 7:1 van de Awb het recht kan worden ontleend daartegen een bezwaarschrift in te dienen. Ook geen andere wettelijke bepaling kent belanghebbende het recht toe een bezwaarschrift tegen het in geding zijnde besluit in te dienen.

4.3. Belanghebbende wijst er nog op dat de Nederlandse Douane zich bij binnenlandse accijnsheffing gebonden acht aan door haar zelf afgegeven BTI’s. Daaruit trekt zij de conclusie dat zij aan het gemeenschapsrecht het recht kan ontlenen daartegen een bezwaarschrift in te dienen. Voor het onderhavige geschil is dat evenwel irrelevant, aangezien de bestreden beslissing – naar hiervoor is geoordeeld – niet een BTI is, maar een door de Inspecteur met het oog op de binnenlandse heffing van accijns verstrekte inlichting.

4.4. Het vorenoverwogene brengt mee dat de Inspecteur belanghebbende ten onrechte heeft ontvangen in haar bezwaar. De uitspraak van de Inspecteur moet derhalve worden vernietigd en belanghebbende moet in haar bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- verklaart belanghebbende niet-ontvankelijk in haar bezwaar.

Deze uitspraak is gedaan te Arnhem door mr. E. Polak , voorzitter,

mr. C.M. Ettema en mr. J. van de Merwe, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. J.L.M. Egberts als griffier.

De beslissing is op in het openbaar uitgesproken,

De griffier, De voorzitter, namens deze

(J.L.M. Egberts) (J. van de Merwe)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.