Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BG7431

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
16-12-2008
Datum publicatie
18-12-2008
Zaaknummer
104.003.052
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg van LJN BE8727. Berekening van verschuldigde schadevergoeding in verband met melkquotum.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Pacht en landelijk gebied 2008/131
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 december 2008

pachtkamer

zaaknummer 104.003.052

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

de stichting Stichting Twickel,

gevestigd te Delden, gemeente Hof van Twente,

appellante,

advocaat: mr. D.M.H.M. van Dijk,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. P.M. Wilmink.

1 Het verloop van het geding

1.1 Voor de procedure tot aan het arrest van 8 april 2008 (hierna: het tussenarrest), verwijst het hof naar dat arrest.

1.2 Ingevolge het tussenarrest heeft [geïntimeerde] zich bij akte nader over de zaak uitgelaten. Twickel heeft daar bij antwoordakte op gereageerd. Bij haar akte heeft Twickel haar eis verminderd, aldus dat zij in conventie niet langer betaling vordert van een bedrag in hoofdsom van € 36.183,—, maar van € 35.575,60 (klaarblijkelijk is be-doeld € 35.576,60, zie hierna onder 2.3).

1.3 Vervolgens hebben partijen andermaal de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

2 Voortgezette beoordeling van het geschil in hoger beroep

2.1 Bij het tussenarrest heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de vraag welk gedeelte van de in het tussenarrest onder 3.4 bedoelde boerderij daadwerkelijk aan de melkproductie dienstbaar is geweest. Het hof heeft bovendien partijen uitgenodigd om zich uit te laten over de berekening van de door [geïntimeerde] verschuldigde schadevergoeding als in het tussenarrest onder 4.11 bedoeld.

2.2 [geïntimeerde] heeft in haar akte aangegeven dat ongeveer 3.50.00 ha van de door haar aangekochte boerderij aan de melkproductie dienstbaar is geweest. Twickel gaat van dezelfde oppervlakte uit. Het hof zal partijen daarin volgen.

2.3 De door [geïntimeerde] verschuldigde schadevergoeding berekent het hof als volgt. Het totale aan [geïntimeerde] in respectievelijk 1992 en 1995 toegekende

BSZB-quotum bedroeg in totaal 57.741 kg (49.195 plus 8.546 kg). Op dat moment was in totaal 9.09.60 ha dienstbaar aan de melkproductie, namelijk de bedoelde 3.50.00 ha en de 5.59.60 ha pachtgrond. Dat betekent dat een gedeelte ter grootte van 5,596/9,096 van het BSZB-quotum met het gepachte is gaan samenhangen. Twickel rekent met een verruiming van 1,1% in 1992/1993, een korting van 0,82% in 1993/1994 en een verruiming met 0,53% in 1994/1995. Die percentages komen reeds voor in de berekening die als productie 2 bij de inleidende dagvaarding is overgelegd en de feitelijke juistheid ervan is door [geïntimeerde] op zichzelf niet bestreden. Die juistheid volgt evenzeer uit algemeen toegankelijke gegevens. Het hof volgt Twickel dan ook in haar berekening. Na verrekening van de genoemde verruimingen en korting bedroeg het BSZB-quotum 58.204 kg. Het gedeelte van 5,596/9,096 bedraagt 35.809 kg. Aan Twickel komt toe 50%. Beide partijen zijn het eens over een vetpercentage van 4,731% en een waarde van het quotum van € 42,— per kg vet. De hoogte van de door [geïntimeerde] verschuldigde vergoeding bedraagt derhalve € 35.576,60

(35.809 * 50% * 4,731% * € 42,—). Twickel heeft haar vordering bij haar laatste akte verminderd tot een bedrag van

€ 35.575,60, maar gelet op de berekening die Twickel bij dezelfde akte maakt, is dat een kennelijke verschrijving. Toewijsbaar is een bedrag van € 35.576,60 in hoofdsom.

2.4 Uit hetgeen hiervoor is overwogen en beslist – in samenhang met hetgeen in het tussenarrest is overwogen en beslist – volgt dat in conventie toewijsbaar is de ge-vorderde ontbinding en ontruiming van het gepachte, alsmede een bedrag van € 35.576,60, vermeerderd met wettelijke rente. Overeenkomstig de vordering van Twickel zal het hof aan het bevel tot ontruiming een dwangsom verbinden, zij het ook dat het hof aan die dwangsom een maximum zal verbinden. Ook de door Twickel ge-vraagde machtiging is toewijsbaar. Het bij wijze van eisvermeerdering door Twickel gevorderde bedrag ad

€ 4.328,— is niet toewijsbaar. De vordering in reconventie zal alsnog worden afgewezen. Het hof zal kosten van het hoger beroep compenseren. Hetzelfde geldt voor de kosten van het geding in eerste aanleg in conventie. De kosten van het geding in eerste aanleg in reconventie komen voor rekening van [geïntimeerde].

3 Beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de pachtkamer van de rechtbank Almelo, sector kanton, locatie Almelo, van 16 oktober 2006 en doet opnieuw recht;

ontbindt de tussen partijen vigerende pachtovereenkomst met ingang van heden;

veroordeelt [geïntimeerde] om binnen twee weken na betekening van dit arrest het gepachte te ontruimen en ontruimd te houden, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 250,— voor iedere dag dat [geïntimeerde] daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 25.000,— en machtigt Twickel om in bedoeld geval de ontruiming zelf te (doen) bewerkstelligen, zo nodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie;

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van € 35.576,60, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 december 2004 tot aan de dag der algehele voldoening;

wijst af het meer of anders in conventie gevorderde, waaronder het bij wijze van eisvermeerdering door Twickel gevorderde bedrag ad € 4.328,—;

wijst de vordering in reconventie af;

compenseert de kosten van het hoger beroep en van het geding in eerste aan-leg in conventie, aldus dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg in re-conventie, aan de zijde van Twickel begroot op € 600,— voor salaris gemachtigde.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, M.F.J.N. van Osch en J.K.B. van Daalen en de deskundige leden ing. L.L.M. de Lorijn en ir. H. Rogaar, en is in tegen-woordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 december 2008.