Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BG7398

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
18-12-2008
Datum publicatie
18-12-2008
Zaaknummer
24-000468-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de handel in cocaïne door aan [betrokkene] ongeveer vijf kilogram cocaïne te verstrekken.

Het hof rekent verdachte dit feit zwaar aan, temeer nu uit de observaties die van de betreffende cocaïnedeal zijn gemaakt en uit de verklaringen die [betrokkene] daaromtrent heeft afgelegd een op een routine lijkende handelwijze van verdachte spreekt. Hoewel het om een aanzienlijke hoeveelheid cocaïne ging, was de deal immers in korte tijd beklonken en vond de verstrekking in goed vertrouwen plaats, nu verdachte de hoeveelheid meegaf zonder direct te controleren of de hem daarvoor in ruil gegeven tas (voldoende) geld bevatte.

Van cocaïne is bovendien algemeen bekend dat het gebruik daarvan de volksgezondheid in ernstige mate in gevaar kan brengen, terwijl de handel hierin gepaard pleegt te gaan met overlast en het gebruik hiervan strafbare feiten genereert. Verdachte heeft - door zijn handelen - de maatschappij bewust aan deze risico's blootgesteld.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van ruim € 70.000, -.

Witwassen vormt een bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000468-08 (strafzaak)

Parketnummer eerste aanleg: 07-620284-07

Arrest van 18 december 2008 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 12 februari 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1960] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in PI Noord Holland Noord, Amerswiel te Heerhugowaard,

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. N.F. Hoogervorst, advocaat te Amsterdam.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde en hem ter zake van het onder 1 ten laste gelegde veroordeeld tot een straf en heeft omtrent de in beslag genomen goederen beslist, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

Verdachte en de officier van justitie zijn op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen. Verdachte heeft zijn hoger beroep ter terechtzitting beperkt. Het hoger beroep is niet gericht tegen de beslissing van de rechtbank met betrekking tot feit 2.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 7 augustus 2008, 30 oktober 2008 en 4 december 2008, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake het hem onder 1 en onder 2 subsidiair ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, alsmede dat het hof de in beslag genomen zak met verdovende middelen en de weegschaal zal onttrekken aan het verkeer.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 31 augustus 2007 te [pleegplaats], in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer vijf kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op een of meer tijdstippen of omstreeks de periode van 1 maart 2006 tot en met

31 augustus 2007, in de gemeente [gemeente], althans in Nederland, (telkens) van een voorwerp, te weten een geldbedrag, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp was of wie bovenomschreven voorwerp voorhanden had, terwijl hij wist dat dat geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit het misdrijf;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 maart 2006 tot en met

31 augustus 2007, in de gemeente [gemeente], althans in Nederland, (telkens) een voorwerp, te weten een geldbedrag, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten dat geld, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Vrijspraak

Het hof acht niet bewezen hetgeen onder 2 primair aan verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Onder 2 subsidiair wordt verdachte - kort gezegd - het witwassen van een geldbedrag verweten.

Van de zijde van de verdediging is ter zitting van het hof betoogd dat verdachte van het onder 2 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken nu niet kan worden vastgesteld dat het niet anders kan dan dat het geldbedrag van misdrijf afkomstig is. De raadsvrouw heeft daartoe - zakelijk weergegeven - onder meer aangevoerd dat verdachte een concrete en verifieerbare herkomst van het geldbedrag heeft benoemd, te weten een bankrekening in Luxemburg. Verdachte zou volgens de raadsvrouw verklaard hebben dat het geld op deze rekening afkomstig was van portierswerk dat hij - naast zijn uitkering - verrichtte en van de verkoop van zijn sportschool. Gezien het feit dat verdachte een groot aantal jaren in detentie heeft doorgebracht - en dus geen beroep heeft gedaan op zijn vermogen - is het volgens de raadsvrouw niet verwonderlijk dat dit gespaarde geldbedrag niet aanzienlijk is geslonken in de loop der jaren.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op 31 augustus 2007 werd verdachtes woning doorzocht omdat naar aanleiding van het observeren van (onder meer) [betrokkene] en het tappen van (onder meer) door [betrokkene] gebruikte telefoonnummers de verdenking was ontstaan dat [betrokkene] op die dag een hoeveelheid (hard)drugs van verdachte had gekocht of gestolen. Bij die doorzoeking werden in een luchtventilatiesysteem in een vanuit de keuken toegankelijke berging drie pakketten aangetroffen. In die pakketten zat papiergeld met een totale waarde van ruim € 66.000, - . In totaal werd in de woning van verdachte (papier)geld voor een bedrag van € 70.540, - gevonden.

Uit het dossier blijkt dat verdachte samen met zijn toenmalige partner een rekening heeft gehad bij een bank in Luxemburg, welke rekening op 25 oktober 1998 is opgeheven. Verdachte heeft ter zitting van het hof verklaard dat hij het bedrag van ruim 460.000, - gulden, dat ten tijde van het opheffen op deze bankrekening stond, met zijn toenmalige partner op ongeveer fifty-fifty basis heeft gedeeld. Omtrent de herkomst van het geld op de Luxemburgse bankrekening heeft verdachte ter zitting van het hof verklaard dat dit geld afkomstig was van de handel in aandelen. Namens verdachte heeft zijn raadsvrouw ter zitting van het hof betoogd dat het geld op deze rekening afkomstig was van portierswerk dat hij - naast zijn uitkering - verrichtte en van de verkoop van zijn sportschool.

Ter terechtzitting van de rechtbank heeft verdachte omtrent de herkomst van het in zijn woning aangetroffen geld verklaard dat hij een sportschool heeft gehad die bij de verkoop 60.000, - à 70.000, - gulden opleverde en dat hij het nodige portierswerk heeft verricht dat ook geld in het laatje heeft gebracht. Ter terechtzitting van het hof heeft verdachte aangegeven dat hij van 1980 tot 1992 als portier heeft gewerkt.

Zowel ter zitting van de rechtbank als ter zitting van het hof heeft de raadsvrouw namens verdachte verklaard dat verdachte vele jaren in de Verenigde Staten en in Spanje gedetineerd is geweest. Ter zitting van het hof heeft verdachte aangegeven dat hij van 1994 tot 1998 in de Verenigde Staten gedetineerd is geweest en vanaf september 2001 gedurende viereneenhalf jaar in Spanje ter zake van handel in XTC. Tevens heeft hij daar verklaard dat hij ongeveer vanaf 1992/1994 een WAO-uitkering ontvangt, met uitzondering van de jaren waarin hij gedetineerd is geweest.

Het hof stelt vast dat er door en namens verdachte wisselend is verklaard omtrent de gestelde legale herkomst van het in de woning van verdachte aangetroffen geld en dat de genoemde bronnen niet nader zijn onderbouwd. Het is gebleven bij beweringen van verdachte. Het hof is op grond van al het voorgaande van oordeel dat het niet anders kan dan dat het onderhavige geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig is uit enig misdrijf als bedoeld in artikel 420bis, eerste lid, onder b van het Wetboek van Strafrecht en dat verdachte dit ook wist. Dit oordeel is mede gebaseerd op het feit dat het hof bewezen acht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de handel in cocaïne, zoals hem onder 1 ten laste is gelegd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 1 en onder 2 subsidiair aan verdachte is ten laste gelegd, met dien verstande dat:

1.

hij op 31 augustus 2007 te [pleegplaats], opzettelijk heeft verstrekt ongeveer vijf kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op 31 augustus 2007, in de gemeente [gemeente], een voorwerp, te weten een geldbedrag, voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en onder 2 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

onder 1: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;

onder 2 subsidiair: witwassen.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de handel in cocaïne door aan [betrokkene] ongeveer vijf kilogram cocaïne te verstrekken.

Het hof rekent verdachte dit feit zwaar aan, temeer nu uit de observaties die van de betreffende cocaïnedeal zijn gemaakt en uit de verklaringen die [betrokkene] daaromtrent heeft afgelegd een op een routine lijkende handelwijze van verdachte spreekt. Hoewel het om een aanzienlijke hoeveelheid cocaïne ging, was de deal immers in korte tijd beklonken en vond de verstrekking in goed vertrouwen plaats, nu verdachte de hoeveelheid meegaf zonder direct te controleren of de hem daarvoor in ruil gegeven tas (voldoende) geld bevatte.

Van cocaïne is bovendien algemeen bekend dat het gebruik daarvan de volksgezondheid in ernstige mate in gevaar kan brengen, terwijl de handel hierin gepaard pleegt te gaan met overlast en het gebruik hiervan strafbare feiten genereert. Verdachte heeft - door zijn handelen - de maatschappij bewust aan deze risico's blootgesteld.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van ruim € 70.000, -.

Witwassen vormt een bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan.

Uit de inhoud van een verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d.

11 juni 2008 blijkt dat verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld wegens het plegen van strafbare feiten.

Alles afwegende, waaronder de straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden uitgesproken, is het hof van oordeel dat oplegging van een langere gevangenisstraf dan door de advocaat-generaal is gevorderd noodzakelijk is.

Onttrekking aan het verkeer

Het hof zal de in beslag genomen zak met verdovende middelen op grond van het bepaalde in artikel 13a van de Opiumwet onttrekken aan het verkeer.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 2, 10 en 13a van de Opiumwet en de artikelen

57 (oud) en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 2 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het verdachte onder 1 en onder 2 subsidiair ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en onder 2 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

gelast de teruggave aan verdachte van:

- één weegschaal;

verklaart aan het verkeer onttrokken:

- één zak met verdovende middelen.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. P. Koolschijn, voorzitter, mr. H.M.E. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg en mr. J. Hielkema, in tegenwoordigheid van mr. L. Keekstra als griffier.