Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BG7100

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
16-12-2008
Datum publicatie
16-12-2008
Zaaknummer
21-001890-08
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2008:BD0012, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BK3369, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2010:BK3369
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft op 12 juli 2004 opzettelijk brand gesticht in de woning van zijn ex-schoonmoeder ten gevolge waarvan zijn ex-schoonvader om het leven is gekomen.

Veroordeling tot zeven jaar gevangenisstraf met aftrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 21-001890-08

Uitspraak d.d.: 16 december 2008

TEGENSPRAAK

PROMIS

Gerechtshof Arnhem

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Arnhem van 22 april 2008 in de strafzaak tegen

VERDACHTE,

geboren te (geboorteplaats) op (geboortedatum) 1963,

wonende te (woonplaats), (adres),

thans verblijvende in PI Achterhoek - Gev. Ooyerhoekseweg te Zutphen.

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 2 oktober 2008, 1 december 2008 en 2 december 2008 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd en houdt het in dat verdachte zal worden vrijgesproken van het primaire feit en zal worden veroordeeld voor het subsidiaire feit met oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. Tevens houdt de vordering in dat de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen tot € 50.000,- met verplichting om aan de staat ten behoeve van het slachtoffer voornoemd bedrag te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 280 dagen hechtenis en met afwijzing van het meer gevorderde. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

primair:

hij op of omstreeks 12 juli 2004 te Q opzettelijk en met voorbedachten

rade A van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte

opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren

genomen besluit opzettelijk (open) vuur in aanraking heeft gebracht met (een)

brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan brand is ontstaan en ten gevolge

waarvan voornoemde persoon is overleden;

subsidiair:

hij op of omstreeks 12 juli 2004 te Q opzettelijk brand heeft gesticht

in/aan/bij perceel X-straat (nummer), immers heeft verdachte toen aldaar

opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een) brandbare stof(fen),

ten gevolge waarvan ((een) gedeelte(n) van) genoemd perceel is/zijn verbrand,

in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de

inventaris van voornoemd perceel en/of voornoemd perceel (zelf) en/of (een)

belendend(e) perce(e)l(en) en/of de inventaris van die/dat belendend(e)

perce(e)l(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar

voor zich in dat perceel en/of die/dat ander(e) perce(e)l(en) bevindend(e)

perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar voor anderen te duchten was en

terwijl dit feit de dood van A ten gevolge heeft gehad.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

In het bijzonder overweegt het hof daaromtrent dat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet is gebleken dat verdachte opzettelijk A van het leven heeft beroofd.

Bewijsoverweging en verweren

Op maandag 12 juli 2004 vond er een brand plaats in het pand van het perceel X-straat (nummer) te Q. Omstreeks 05.16 uur kwam er bij de Centrale Meldkamer Groep een melding binnen dat er brand woedde in voornoemd pand. Hoofdbrandmeester B is als getuige gehoord en hij heeft verklaard dat het heel reëel was dat de brand zich zou hebben uitgebreid naar de buren op X-straat (nummer).

Omstreeks 06.30 uur werd in de slaapkamer aan de achterzijde van de bovenste verdieping van het pand tijdens een ruimteverkenning door medewerkers van de brandweer het stoffelijk overschot aangetroffen van A. Nadat het personeel van de ambulancedienst het slachtoffer had onderzocht, werd geconstateerd dat de man was overleden. Uit het toxicologisch onderzoek naar aanleiding van een vermoedelijk niet natuurlijk overlijden van

A is gebleken dat in zijn bloed ongeveer 80% van het hemoglobine aanwezig was in de vorm van carboxyhemoglobine en dat de resultaten van het onderzoek passen bij een dodelijk verlopen koolmonoxidevergiftiging.

Naar aanleiding van de brandstichting werd een Team Grootschalige Opsporing geformeerd, Haver-I genoemd, dat diverse onderzoeksrichtingen en scenario’s heeft onderzocht tot juni 2005. Tijdens dat onderzoek is verdachte tweemaal als getuige gehoord, zowel op 6 december 2004 als op 13 december 2004.

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat er op voornoemde tijdstippen al een bepaalde mate van verdenking was, zodat op dat moment de redelijke termijn een aanvang heeft genomen, en er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, gelet op het tijdsverloop tussen het eerste verhoor en de behandeling van de strafzaak van verdachte.

Het hof verwerpt het verweer.

Uit het Haver-I onderzoek is gebleken dat verdachte op 6 en 13 december 2004 als getuige is gehoord. Uit dit onderzoek zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die aanleiding hadden behoren te geven verdachte toen als verdachte aan te merken.

Uiteindelijk heeft het Haver-I onderzoek niet geleid tot het bekend worden van de identiteit van een of meerdere personen die als verdachte(n) kon(den) worden aangemerkt van betrokkenheid bij de brandstichting in de X-straat.

Vervolgens is op 26 juni 2006 via de regiopolitie Limburg Noord een melding binnengekomen dat C informatie had over de brandstichting op 12 juli 2004, inhoudende dat verdachte hem een paar weken daarvoor had verteld dat hij de brand had gesticht. Naar aanleiding van die melding is het Haver-II onderzoek opgestart, waarbij verdachte op 30 januari 2007 in verzekering is gesteld en hij een dag later als verdachte is gehoord.

De redelijke termijn neemt zijn aanvang op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens een betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Naar het oordeel van het hof was daarvan ten tijde van de eerste verhoren van verdachte in december 2004 geen sprake nu deze verhoren plaatsvonden binnen een onderzoek waarbij diverse scenario’s zijn onderzocht en verschillende personen zijn ondervraagd.

Verdachte is toen als getuige gehoord; een zodanig verhoor kan niet worden aangemerkt als een “handeling vanwege de Staat” (een “criminal charge” in de woorden van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens) waarmee de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM aanvangt.

De inverzekeringstelling van verdachte dient wel als een zodanige handeling te worden aangemerkt. Dat is naar het oordeel van het hof dan ook het tijdstip dat de redelijke termijn is aangevangen. De berechting van de zaak in eerste aanleg is vervolgens, gerekend van 30 januari 2007 tot en met 22 april 2008, binnen zestien maanden afgerond; de berechting in hoger beroep is vervolgens binnen 8 maanden afgerond.

Er is dan ook geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn.

Tijdens zijn verhoren heeft verdachte consequent ontkend de brand te hebben aangestoken. Volgens de verklaring die hij heeft afgelegd ter terechtzitting ten overstaan van het hof was hij die bewuste avond uit geweest in Q met D en E. Nadat hij hen thuis had gebracht, is verdachte teruggegaan naar het café, waar hij samen met zijn zuster F en zijn zwager G heeft verbleven. Na sluitingstijd van het café is hij samen met zijn zuster en zwager naar zijn huis gegaan om nog wat te drinken.

Zowel G als F hebben bij verschillende gelegenheden andersluidende verklaringen afgelegd over het gebeurde die bewuste avond.

Zo heeft G bij de politie verklaard dat hij in de nacht van 11 op 12 juli 2004 na het stappen samen met F en verdachte naar de woning van verdachte is gegaan en dat hij pas naar huis ging toen het licht begon te worden. Echter, op deze verklaring is hij een week later teruggekomen. Hij was te dronken om zich iets te kunnen herinneren. Vervolgens is G op 26 februari 2008 bij de rechter-commissaris gehoord, waar hij heeft verklaard dat hij heel vroeg in de ochtend is vertrokken uit de woning van verdachte.

Uiteindelijk heeft G ter terechtzitting van het hof onder ede verklaard dat hij die nacht rond een uur of vijf of zes naar huis is gegaan. Op nadere vragen heeft G verklaard dat het

‘s ochtends vroeg was en dat hij het tijdstip waarop hij naar huis is gegaan afleidt, beredeneert, uit het (door hem veronderstelde) sluitingstijdstip van de kroeg die hij eerder die nacht bezocht had met F en verdachte. Hij herinnert zich het tijdstip evenwel niet.

F heeft in haar eerste verklaringen bij de politie verklaard dat verdachte de betreffende nacht bij D is blijven slapen, en later dat zij met verdachte diverse kroegen bezocht had en verdachte juist niet bij D was blijven slapen. In een latere verklaring heeft zij verklaard dat zij die avond na sluitingstijd van het café samen met G naar de woning van verdachte is gegaan en dat zij daar tot ongeveer 07.30 of 07.45 uur zijn gebleven.

Iets meer dan een week later heeft F bij de politie verklaard dat zij zich niet meer precies kan herinneren tot hoe laat zij die bewuste avond bij verdachte zijn gebleven. Tijdens haar verhoor bij de rechter-commissaris op 26 februari 2008 en ter terechtzitting bij het hof is F bij de laatste verklaring gebleven zoals zij die bij de politie heeft afgelegd.

De tegenstrijdigheden in de verklaringen van F kan het hof niet los zien van de gesprekken die zij met de voormalig raadsman van verdachte, H, heeft gevoerd, terwijl verdachte in die periode beperkingen opgelegd had gekregen.

In een tussenarrest van 16 oktober 2008 (LJN: BG1924) heeft het hof op vordering van de advocaat-generaal bepaald dat de uitwerkingen van de telefoongesprekken die tussen H en de zuster en zoon van verdachte zijn gevoerd aan het dossier dienden te worden toegevoegd.

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 2 december 2008 aangevoerd dat de inhoud van die tapverslagen van het bewijs en ter weerlegging van verweren dient te worden uitgesloten indien het hof van oordeel is dat de informatie die uit de betreffende tapverslagen naar voren is gekomen gewist had moeten worden.

De rechter-commissaris heeft, nadat hij kennisgenomen had van de inhoud van de tapverslagen, kennelijk geoordeeld dat er sprake was van een situatie bedoeld in de laatste volzin van artikel 126aa lid 2 van het Wetboek van Strafvordering.

Na kennisname van de uitgewerkte tapverslagen is het oordeel van het hof dat de rechter-commissaris – in het licht van hetgeen het hof in zijn tussenarrest van 16 oktober 2008 dienaangaande heeft overwogen – in redelijkheid tot de beslissing is kunnen komen om de officier van justitie op de voet van het bepaalde in voornoemd artikel te machtigen de processen-verbaal, die de uitwerking van de gesprekken tussen H en familieleden van verdachte bevatten, in het dossier te voegen. Door de beslissingen van de rechter-commissaris zijn de uitwerkingen van de gesprekken deel uit gaan maken van het dossier. Er is geen aanleiding deze stukken in dit stadium uit het dossier te verwijderen.

Ten overvloede overweegt het hof dat de vraag of de gespreksinhoud tot bewijs gebezigd kan worden in het midden kan blijven nu het hof de verslagen niet tot bewijs zal bezigen.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman.

Het hof acht op grond van het bovenstaande de verklaringen van F en G niet geloofwaardig, aangezien zij hun verklaringen in de loop der tijd meer dan eens hebben bijgesteld. Bovendien heeft F ter terechtzitting van het hof uiteindelijk verklaard dat zij niet meer weet hoe laat zij vanuit de woning van verdachte naar huis is gegaan en beredeneert G dat tijdstip aan de hand van het veronderstelde sluitingstijdstip van het café. Deze verklaringen houden de mogelijkheid open dat verdachte die nacht (kort) voorafgaande aan het tijdstip dat de brand is ontstaan niet in zijn woning verbleef in het gezelschap van zijn zuster en zwager en dat hij derhalve de brand heeft kunnen stichten.

Dat is tevens het scenario dat past in de verklaringen van een viertal getuigen die hebben verklaard dat verdachte tegen hen verteld heeft dat hij de brand heeft gesticht op 12 juli 2004 in het pand dat gelegen is aan de X-straat (nummer) te Q.

In juni 2006 heeft C zich bij de politie gemeld met de mededeling dat hij informatie had over de brandstichting op 12 juli 2004. In zijn verhoren bij de politie in juni 2006 en januari 2007 heeft hij verklaard dat verdachte hem heeft verteld dat hij A heeft vermoord door benzine of spiritus door de brievenbus de woning in te spuiten en dit met oud papier aan te steken. De reden van de brandstichting zou zijn dat hij ruzie had met I en haar een streek wilde leveren. Volgens verdachte zou I het pand niet verzekerd hebben. Verdachte dacht dat A niet in de woning aanwezig zou zijn, omdat hij diens auto niet had zien staan. Ter terechtzitting van het hof heeft C zijn eerdere bij de politie afgelegde verklaringen onder ede bevestigd.

Daarnaast heeft J op 1 februari 2007 bij de politie verklaard dat zij verdachte een paar jaar daarvoor heeft leren kennen in een club in Limburg en dat zij veel met hem omging. In zijn slaapkamer heeft verdachte haar op een gegeven moment emotioneel verteld dat hij het huis van I in de fik had gestoken, maar dat er nog een man in dat huis aanwezig was, hetgeen hij niet geweten had, omdat hij nog naar de auto van die man had gezocht om er zeker van te zijn dat hij niet thuis zou zijn. J is daarna zowel ter terechtzitting van de rechtbank als ter terechtzitting van het hof als getuige gehoord, waar zij haar eerdere verklaring onder ede heeft bevestigd.

K heeft bij de politie verklaard dat verdachte hem in de ochtend van 12 juli 2004 heeft gebeld om 06.30 uur en om 06.56 uur met de mededeling dat hij de hut van A in de fik had gestoken door iets door de brievenbus naar binnen te gooien en aan te steken. Verdachte had echter niet geweten dat het slachtoffer in de woning aanwezig was.

Tenslotte heeft L ook een belastende verklaring jegens verdachte afgelegd. In eerste instantie heeft L zijn verklaring op schrift gezet, inhoudende dat verdachte hem heeft verteld dat hij de brand heeft gesticht, welke verklaring hij in een verhoor bij de politie heeft bevestigd en aangevuld. In augustus 2008 heeft hij aangegeven deze verklaring in te willen trekken, omdat hij bang is dat hem en zijn familie iets wordt aangedaan. Vervolgens heeft hij ter terechtzitting van het hof verklaard dat hij enige tijd bij verdachte op cel heeft gezeten en dat verdachte hem in die periode heeft verteld dat hij in de vroege ochtend de brand heeft aangestoken in de woning gelegen aan de X-straat.

De raadsman heeft ter terechtzitting talrijke suggesties aangedragen waarom de vier hierboven genoemde getuigenverklaringen onbetrouwbaar zouden zijn.

Echter, naar het oordeel van het hof zijn de feiten en omstandigheden zoals die door de raadsman ter onderbouwing hiervan zijn aangevoerd door hem op geen enkele wijze nader gesubstantieerd. Bovendien is het hof op grond van de na te noemen feiten en omstandigheden van oordeel dat deze verklaringen juist wel betrouwbaar zijn.

De vier getuigen hebben onafhankelijk van elkaar verklaard over specifieke daderwetenschap, namelijk de wijze van brandstichting (het door de brievenbus naar binnen spuiten van een middel) en/of over het niet gewenste gevolg van de brandstichting, de dood van A.

De suggestie van de raadsman dat het een complot tegen verdachte zou betreffen, acht het hof geenszins aannemelijk, mede gelet op het feit dat de getuigen verklaard hebben dat verdachte de dood van het slachtoffer juist niet gewild heeft. Daarnaast past de getuige L niet in het scenario van de verdediging, aangezien hij op geen enkele wijze in contact heeft gestaan met de familie van het slachtoffer, van wie het idee van het complot volgens de raadsman zou zijn uitgegaan, en heeft hij pas in juli 2008 in het Huis van Bewaring zijn eerste verklaring opgesteld, die overeenkomt met de eerdere belastende getuigenverklaringen en waarvan hij de inhoud onder ede ter terechtzitting van het hof heeft herhaald.

De plaats delict is bemonsterd. In de monsters SVO 002 (dorpel voordeur), SVO 003 (houten vloerdeel direct achter de voordeur) en SVO 007a (onderzijde voordeur) werden vluchtige brandversnellende middelen aangetroffen. Een brandtechnisch onderzoek, uitgevoerd door het NFI, heeft geleid tot de navolgende conclusie: ‘Als er voor de aanwezigheid van de vluchtige brandversnellende middelen zoals terpentine die zijn aangetroffen op de dorpel, het eerste vloerdeel achter de voordeur en de onderrand van de voordeur, geen logische verklaring kan worden gegeven, moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat deze vluchtige brandversnellende middelen daar door menselijk handelen zijn gebracht. Hetzelfde geldt ook voor de daadwerkelijke ontsteking van deze vluchtige brandversnellende middelen. Dit is echter technisch niet aan te tonen, noch te kwantificeren’.

Op grond van al het bovenstaande is het hof van oordeel dat verdachte op 12 juli 2004 brand heeft gesticht in de woning die gelegen is aan de X-straat (nummer) te Q waarbij A om het leven gekomen is.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 12 juli 2004 te Q opzettelijk brand heeft gesticht in perceel X-straat (nummer), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een brandbare stof, ten gevolge waarvan een gedeelte van genoemd perceel is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de inventaris van voornoemd perceel en voornoemd perceel (zelf) en een belendend perceel en de inventaris van die belendende percelen, en levensgevaar voor zich in dat perceel en dat andere perceel bevindende personen te duchten was en terwijl dit feit de dood van A ten gevolge heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op het misdrijf:

ten aanzien van het subsidiair bewezenverklaarde:

Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is,

en

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemands dood tengevolge heeft.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte wordt veroordeeld wegens het subsidiair tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren met aftrek van voorarrest.

De rechtbank Arnhem heeft de verdachte veroordeeld wegens het subsidiair tenlastegelegde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar met aftrek.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld wegens het subsidiair tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

De raadsman heeft ter terechtzitting gepleit voor vrijspraak van verdachte en zich verder niet uitgelaten over de oplegging van straf en/of maatregel indien het hof wel tot een bewezenverklaring zou komen.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen – en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden – de volgende omstandigheden.

Verdachte heeft zich in de nacht van 11 op 12 juli 2004 schuldig gemaakt aan brandstichting in de woning van zijn ex-schoonmoeder, waar die nacht zijn ex-schoonvader lag te slapen. Als gevolg van de ontstane brand is zijn ex-schoonvader komen te overlijden. Verder is in de woning aanzienlijke materiële schade ontstaan en is er gevaar geweest voor het leven en de bezittingen van omwonenden.

Een dergelijke brandstichting – in een woning in een woonwijk met alle gevaren van dien – is een zeer ernstig feit dat grote maatschappelijke onrust heeft veroorzaakt. Naar het oordeel van het hof is in beginsel de straf begrijpelijk die door de officier van justitie is gevorderd en door de advocaat-generaal in hoger beroep is herhaald, gelet op de ernst van het feit en de gevolgen daarvan, met name de dood van A.

Echter, diverse getuigen hebben verklaard dat verdachte de dood van het slachtoffer juist niet gewild had. Daarnaast acht het hof aannemelijk dat verdachte gebukt gaat onder de wetenschap dat hij verantwoordelijk is voor de dood van de opa van zijn zoon. Die kwellende wetenschap zal zijn ontkennende proceshouding kunnen verklaren. Die proceshouding werd hem door de advocaat-generaal bij de formulering van diens strafeis ernstig verweten.

Gelet op voornoemde omstandigheden is de straf zoals die door de rechtbank is opgelegd naar het oordeel van het hof passend en geboden.

De vordering van de benadeelde partij I

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt EUR 69.866,-. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 50.000,-. De verdachte is ook veroordeeld voor de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt ten behoeve van rechtsbijstand. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Naar het oordeel van het hof is de vordering niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. Uit het dossier is gebleken dat er tussen beide partijen reeds eerder een civielrechtelijke procedure aanhangig is geweest en het hof is van oordeel dat de burgerlijke rechter thans ook aangewezen is over deze vordering te oordelen. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 57, 63 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren.

Bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De vordering van de benadeelde partij I:

Verklaart de benadeelde partij, I, in haar vordering niet ontvankelijk en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr H. Abbink, voorzitter,

mr A.G. Coumans en mr P.H.A.J. Cremers, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr H.J. Jansen, griffier,

en op 16 december 2008 ter openbare terechtzitting uitgesproken.