Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BG6591

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
02-12-2008
Datum publicatie
11-12-2008
Zaaknummer
200.012.501
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

69 Rv

Vervolg van LJN BG3077

Geen misbruik van wisselbepaling van art. 69 Rv. Toepassing van artikel 69 leidt ertoe dat de termijn voor het formuleren van de gronden van het beroep in feite wordt verlengd, maar dat staat aan die toepassing niet in de weg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Vastgoed en wonen 2008/731
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer 200.012.501

arrest van de pachtkamer van 2 december 2008

inzake

Diaconie der Hervormde Gemeente Avenhorn c.a./Kerkvoogdij van de Hervormde Gemeente Avenhorn c.a.,

gevestigd te Avenhorn, gemeente Koggenland,

appellante,

advocaat: mr. H. van Ravenhorst,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. A.O.C.A. van Schravendijk.

1. Het verloop van het geding

1.1 Voor het verloop van het geding tot aan het arrest van 23 september 2008 (hierna: het tussenarrest), verwijst het hof naar dat arrest.

1.2 Vervolgens heeft de Diaconie zich bij akte uitgelaten over het beroep van [geïntimeerde] op misbruik van procesrecht en heeft zij de gronden van haar beroep uiteengezet. Bij antwoordakte heeft [geïntimeerde] op de akte van de Diaconie gereageerd.

1.3 Ten slotte hebben partijen hun procesdossiers voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2. Voortgezette motivering van de beslissing

2.1 Bij het tussenarrest heeft het hof naar aanleiding van het beroep van [geïntimeerde] op misbruik van procesrecht aan de Diaconie opgedragen om nauwkeurig uiteen te zetten hoe zij ertoe is gekomen om de appelinstantie met een dagvaarding in te leiden en ook overigens in te gaan op de feiten en omstandigheden die van belang zijn voor de beoordeling van het beroep op misbruik van procesrecht.

2.2 De thans door de Diaconie gegeven toelichting komt, voor zover van belang, neer op het navolgende.

a. De behandelend advocaat tot 1 juli 2008 heeft in verband met vertrek bij zijn kantoor het dossier overgedragen aan de huidige raadsman van de Diaconie.

b. De huidige raadsman van de Diaconie houdt zich voornamelijk bezig met huurrecht en heeft niet eerder een procedure in pachtzaken gevoerd.

c. De huidige raadsman van de Diaconie heeft niet eerder een verzoekschriftprocedure gevoerd, noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep.

d. De huidige raadsman van de Diaconie heeft het processtuk waarmee de appelinstantie wordt ingeleid, in concept laten opstellen door een stagiair.

e. De huidige raadsman van de Diaconie heeft zich niet gerealiseerd dat niet de juiste rechtsingang werd gekozen.

f. De Diaconie werpt één grief tegen de bestreden beschikking op. Als de raadsman zich had gerealiseerd dat hij tot 16 juli 2008 een appelrekest kon indienen, voorzien van gronden, dan was dat nog mogelijk geweest en dan was dit ook gebeurd.

2.3 Hetgeen [geïntimeerde] bij antwoordakte aanvoert, komt erop neer dat hij in de eerste plaats bij gebrek aan wetenschap de juistheid van de stellingen van de Diaconie “betwist” en in de tweede plaats – met een beroep op een uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 20 juni 2006, LJN AZ9453 – zich op het standpunt stelt dat de strekking van artikel 69 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet is om aan appellant een extra termijn te verschaffen voor het opstellen en indienen van grieven, ook niet al is inderdaad in het onderhavige geval sprake geweest van een vergissing van de raadsman van de Diaconie.

2.4 Met haar toelichting zoals onder 2.2 samengevat, heeft de Diaconie thans voldoende gemotiveerd betwist dat sprake zou zijn geweest van misbruik van procesrecht en heeft zij [geïntimeerde] ook voldoende aanknopingspunten gegeven voor een nadere onderbouwing van zijn beroep op misbruik en eventueel een (voldoende gespecificeerd) bewijsaanbod. Zoals onder 2.3 weergegeven heeft [geïntimeerde] niet meer gedaan dan in algemene zin de juistheid van de stellingen van de Diaconie in twijfel trekken. Door hem is ook geen bewijs aangeboden. In verband daarmee gaat het hof ervan uit dat de keuze voor een dagvaarding om de appelinstantie in te leiden, op een vergissing aan de zijde van de raadsman van de Diaconie berust.

2.5 Met betrekking tot het betoog van [geïntimeerde] dat de strekking van artikel 69 Wetboek van Burgerlijk Rechtsvordering niet is om aan appellant een extra termijn te verschaffen voor het opstellen en indienen van grieven overweegt het hof als volgt.

2.6 De zogenaamde wisselbepaling van artikel 69 Wetboek van Burgerlijk Rechtsvordering beoogt een bijdrage te leveren aan een verdere deformalisering van het burgerlijk procesrecht (MvT, TK 1999-2000, 26855, nr. 3, p. 78). Daarbij heeft de wetgever onder ogen gezien dat ingeval bij dagvaarding hoger beroep tegen een beschikking wordt ingesteld, toepassing van de wisselbepaling materieel ertoe leidt dat de termijn voor het formuleren van de gronden van het hoger beroep wordt verlengd, maar heeft hij dat gevolg als prijs voor die deformalisering aanvaard. Het hof leidt dit af uit de volgende passage uit de Memorie van Toelichting (TK 1999-2000, 26855, nr. 3, p. 80):

“In het verslag over wetsvoorstel 24 651 is nog gewezen op het risico dat van een beschikking bewust bij dagvaarding hoger beroep wordt ingesteld, ten einde uitstel te verkrijgen voor het formuleren van de gronden. Ook dit risico lijkt ons niet groot, aangezien advocaten het in strijd met hun beroepseer zullen achten om zich te bezondigen aan een dergelijke in het oog springende noodgreep. Bovendien zal een advocaat niet het risico willen lopen dat de rechter in een duidelijk geval van misbruik van de wisselbepaling zal besluiten om geen mogelijkheid tot aanvulling te bieden, waardoor de procedure in appel vrijwel kansloos wordt.”

De wetgever is er in deze passage immers klaarblijkelijk vanuit gegaan dat – buiten gevallen van misbruik – bedoeld artikel 69 ertoe leidt dat de termijn voor het formuleren van de gronden van het beroep in feite wordt verlengd, zonder dat hij dit als een voldoende zwaarwegend bezwaar tegen die bepaling beschouwde.

2.7 Uit een en ander volgt dat het hof de opvatting van [geïntimeerde] over de strekking van artikel 69 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, alsook de opvatting van het Gerechtshof ’s Hertogenbosch zoals neergelegd in de onder 2.3 vermelde uitspraak, niet deelt. Het hof zal aan artikel 69 alsnog onverkort toepassing geven. In dit verband verdient nog opmerking dat – anders dan in het geval was in de zaak die heeft geleid tot het arrest van deze kamer van 13 juli 2004, LJN AV7766, JBPr 2004, 73 – zich hier niet het geval voordoet dat vaststaat dat appellant, ook indien hij een beroepschrift zou hebben ingediend, niet in staat zou zijn geweest daarin de gronden van het beroep op te nemen.

2.8 De slotsom is dat het hof zal bevelen dat de procedure in de stand waarin zij zich bevindt, wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure, waarbij als grond voor het beroep geldt de in de akte van de Diaconie van 7 oktober 2008 opgenomen grief. Het hof zal een termijn bepalen voor het indienen van een verweerschrift voor [geïntimeerde]. De kosten van de appeldagvaarding blijven voor rekening van de Diaconie; in zoverre zal het hof de proceskosten compenseren. Eveneens voor rekening van de Diaconie zijn de kosten van de akte van 9 september 2008, welke akte immers nodig is geworden doordat de Diaconie zich van een onjuiste rechtsingang heeft bediend. De kosten van de laatste akte van [geïntimeerde] blijven voor rekening van [geïntimeerde], omdat [geïntimeerde] ter zake van het in die akte verwoorde standpunt in het ongelijk is gesteld. Ook in zoverre zal het hof de proceskosten compenseren.

3. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

beveelt dat de procedure in de stand waarin zij zich bevindt wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure, waarbij als grond voor het beroep geldt de in de akte van de Diaconie van 7 oktober 2008 opgenomen grief;

bepaalt dat [geïntimeerde] binnen vier weken na heden een verweerschrift kan indienen;

veroordeelt de Diaconie in de kosten van de akte van [geïntimeerde] van 9 september 2008, begroot op € 447,—;

compenseert de proceskosten voor het overige, aldus dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, H.L. van der Beek en J.K.B. van Daalen en de deskundige leden mr. ing. J.A.J. Jansens van Gellicum en ir. H. Duenk, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 december 2008.