Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BG3869

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
07-10-2008
Datum publicatie
10-11-2008
Zaaknummer
104.004.196
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Volgens art. 34 Pachtwet (oud) volgde bij eigendomsovergang van het gepachte op een derde deze de verpachter in alle rechten en verplichtingen op, met uitzondering van die rechten en verplichtingen die vóór die eigendomsovergang opeisbaar waren geworden. In overeenstemming met de regeling in geval van huur en in overeenstemming met het huidige art. 7:361 Burgerlijk Wetboek moet de bepaling van art. 34 in die zin worden verstaan, dat de bedoelde rechtsopvolging alleen plaatsvindt voor zover er een onmiddelijk verband bestaat met de kernverplichtingen van verpachter en pachter, namelijk het verschaffen van het gebruik en het betalen van de pachtrpijs.

De verplichting van pachter om bij gelegenheid van het einde van de pacht de varkensrechten kosteloos "terug te doen komen op naam van verpachter" en het daartegenoverstaande recht van de toenmalige verpachter staan niet in onmiddelijk verband met het verschaffen van het gebruik van het gepachte.

Hof vult leemte in pachtovereenkomst op grond van eisen van redelijk en billijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Pacht en landelijk gebied 2008/7
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer 104.004.196

arrest van de pachtkamer van 7 oktober 2008

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. H. van Ravenhorst,

tegen:

1. [geïntimeerde sub 1],

gevestigd te [woonplaats],

2. [geïntimeerde sub 2]

gevestigd te [woonplaats],

3. [geïntimeerde sub 3],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

advocaat: mr. F.J. Boom.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 3 mei 2007, dat de pachtkamer van de rechtbank Zwolle-Lelystad, sector kanton, locatie Deventer, tussen appellant (hierna tezamen ook te noemen: [appellant]) als eiser en geïntimeerden (hierna ook in enkelvoud aan te duiden als: [geïntimeerden]) als gedaagden heeft gewezen. Van genoemd vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 25 mei 2007 aan [geïntimeerden] aangezegd van genoemd vonnis in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerden] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] elf grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht, heeft hij bewijs aangeboden en een aantal producties in het geding gebracht, waaronder het proces-verbaal van het ten overstaan van het hof gehouden voorlopig getuigenverhoor (rekestnummer 2007/741 P), en heeft hij geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen, en opnieuw recht doende:

I. primair: [geïntimeerden] – uitvoerbaar bij voorraad – hoofdelijk zal veroordelen, des dat de een betalende de ander zal zijn gekweten, om binnen twee weken na betekening van ’s hofs arrest aan [appellant] te leveren een zodanig aantal varkensrechten dat daarmee 294 fokzeugen gehouden kunnen worden;

subsidiair: [geïntimeerden] – uitvoerbaar bij voorraad – hoofdelijk zal veroordelen, des dat de een betalende de ander zal zijn gekweten, om binnen twee weken na betekening van ’s hofs arrest aan [appellant] tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen € 176.400,— ten titel van schadevergoeding, althans een zodanig bedrag als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

II. [geïntimeerden] – uitvoerbaar bij voorraad – hoofdelijk zal veroordelen, des dat de een betalende de ander zal zijn gekweten, om binnen twee weken na betekening van ’s hofs arrest aan [appellant] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de vertragingsschade ten bedrage van € 20.916,91, althans een zodanig bedrag als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der vermeerdering van eis tot aan de dag der algehele voldoening;

III. [geïntimeerden] – uitvoerbaar bij voorraad – hoofdelijk zal veroordelen, des dat de een betalende de ander zal zijn gekweten, om aan [appellant] te betalen de volgens het gebruikelijke tarief te begroten bijdragen in de proceskosten van beide instanties.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerden] de grieven bestreden en verweer gevoerd, heeft hij bewijs aangeboden en een aantal producties in het geding gebracht, en heeft hij geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van (bedoeld zal zijn:) het geding in hoger beroep, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

2.4 Ter zitting van 1 september 2008 hebben partijen – gelijktijdig met de zaak met num-mer 104.004.197 – de zaak doen bepleiten, [appellant] door mr. M.J.G. Peters, advocaat te Zwolle en [geïntimeerden] door mr. A.E.T.M. van de Camp, advocaat te Uden, beiden hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht. Van het ter zitting verhandelde is proces-verbaal opgemaakt.

2.5 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 De vaststaande feiten

3.1 Tussen partijen staan in hoger beroep als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken en op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde producties, de navolgende feiten vast.

3.2 [appellant] heeft aan [geïntimeerden] verpacht een varkensvermeerderingsbedrijf met erf en ongeveer een hectare cultuurgrond. De pachtovereenkomst is aangegaan voor de duur van drie jaren, ingaande 1 januari 2003 en eindigende op 31 december 2005. Het bedrijf is gelegen aan de [adres], kadastraal bekend gemeente [...] De pachtovereenkomst is goedgekeurd door de grondkamer op 22 mei 2003.

3.3 Bij gelegenheid van de pacht heeft [appellant] aan [geïntimeerden] varkensrechten ter beschikking gesteld. In de pachtovereenkomst is daarover in artikel 16 het volgende opgenomen:

“Per 1 januari 2003 worden door de verpachter aan de pachter 785,8 verhandelbare varkensrechten fokzeugen, 3 verhandelbare varkensrechten niet-fokzeugen en 15 niet-verhandelbare varkensrechten niet-fokzeugen kosteloos overgeschreven. Wanneer de pacht wordt beëindigd, is de pachter verplicht om deze rechten kosteloos terug te doen komen op naam van de verpachter of, in geval de overheid regelgeving rond varkensrechten wijzigt, is de pachter, daaruit voortkomende, verplicht om kosteloos voor-waarden te scheppen dat op het bedrijf 294 fokzeugen gehouden kunnen worden, tenzij in overleg met de verpachter anders wordt overeengekomen.”

3.4 Volgens artikel 19 van de pachtovereenkomst nam [geïntimeerden] de levende have van [appellant] over. Dat artikel luidt als volgt:

“De overname van de levende have geschiedt per 1 januari 2003. Taxatie gaat op basis van productiewaarde en slachtwaarde, bepaald per cyclusnummer en correctie voor het aantal weken dracht. Bij ontbinding van de pacht, wordt de levende have wederom overgedragen aan de verpachter met dezelfde methode. Bij meningsverschillen over de taxatie wordt een onafhankelijke deskundige ingeschakeld van [bedrijf]. De gezamenlijke uitkomst van genoemde deskundigen is bindend.”

3.5 Op 14 juni 2004 heeft [appellant] zijn bedrijf aan een derde, namelijk [A] (hierna: [A]) verkocht. In de koop waren begrepen: het fokzeugenbedrijf, bestaande uit een vrijstaande bedrijfswoning met tuin, erf en vier varkensschuren, een werktuigenberging met werkplaats, erf met toegangsweg alsmede aanhorige grond, ter grootte van circa 1.25.00 ha, plaatselijk bekend [adres]. De koopprijs voor het totaal bedroeg € 435.000,— kosten koper. Hiervan is een bedrag ad

€ 70.000,— gespecificeerd voor de varkensrechten en € 25.000,— voor de inventaris en de roerende zaken. Aldus resteerde een bedrag ad € 340.000,— voor de onroerende zaak. De koopovereenkomst is getekend op 23 juni 2004. Artikel 6.1 van de koopakte bepaalt dat pachtvrij geleverd zal worden.

3.6 Partijen hebben deze overeenkomst niet uitgevoerd en [appellant] heeft niet kunnen leveren, omdat de bank al in april 2004 een executoriale verkoop had aangezegd en in de krant van 29 mei 2004 gepubliceerd. Op 12 juli 2004 is de onroerende zaak executoriaal ver-kocht aan een lasthebber van [A] voor een bedrag ad € 497.000,—. Deze koop omvatte alleen de onroerende zaak en niet ook de varkensrechten, de inventaris, de roerende zaken of de levende have.

3.7 [appellant] heeft op 7 augustus 2004 het bedrijf verlaten. Op of omstreeks deze datum is [geïntimeerden] teruggekeerd op het bedrijf en heeft in overleg met [A] het bedrijf geëxploiteerd tot 1 januari 2005. Op 1 mei 2005 heeft [geïntimeerden] de varkensrechten per 1 ja-nuari 2005 over doen schrijven op naam van [A], die vanaf de overdracht van de onderneming tot 1 januari 2005 verpachter was.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

De varkensrechten

4.1 Volgens het standpunt van [appellant] heeft [geïntimeerden] de varkensrechten ten onrechte op naam van [A] doen overschrijven, in plaats van op zijn naam. Thans, in hoger beroep, erkent [appellant] dat de pachtovereenkomst na de overdracht aan [A] is voortgezet door [A] als verpachter en [geïntimeerden] als pachter. Het debat in hoger beroep spitst zich toe op:

1. de vraag of de aanspraak op overschrijving van de varkensrechten bij gelegenheid van het einde van de pacht op [A] is overgegaan en zo nee

2. de vraag aan wie volgens artikel 16 van de pachtovereenkomst de varkensrechten dienden te worden overgeschreven.

4.2 Het hof zal de grieven zoveel mogelijk gezamenlijk bespreken.

4.3 Per 1 september 2007 is met de artikelen 7:311 e.v. Burgerlijk Wetboek een nieuwe regeling van de pacht in werking getreden en is de Pachtwet vervallen. Omdat tussen oud en nieuw recht geen voor de onderhavige zaak relevant verschil bestaat, behoeft de vraag welk recht volgens het overgangsrecht van toepassing is, geen bespreking.

4.4 Voorop moet worden gesteld dat zich hier niet voordoet het geval dat tijdens de looptijd van de pachtovereenkomst door de wetgever productierechten zijn toegekend en dat als gevolg daarvan die rechten met het gepachte zijn gaan samenhangen. [appellant] beschikte reeds voorafgaand aan het aangaan van de pachtovereenkomst over de door hem bij die overeenkomst aan [geïntimeerden] ter beschikking gestelde rechten. [geïntimeerden] heeft zich dan ook terecht niet beroepen op het arrest van deze kamer van 19 februari 2008, LJN BC7324, waarin met betrekking tot met het gepachte samenhangend melkquotum is geoordeeld dat eigendomsovergang van het gepachte op een derde mede tot gevolg heeft dat de pachter bij beëindiging van de pacht het melkquotum aan deze opvolgende verpachter dient over te dragen.

4.5 Volgens artikel 34 Pachtwet (oud) volgde bij eigendomsovergang van het gepachte op een derde deze de verpachter in alle rechten en verplichtingen op, met uitzondering van die rechten en verplichtingen die vóór die eigendomsovergang opeisbaar waren geworden. In overeenstemming met de regeling in geval van huur en in overeenstemming met het huidige artikel 7:361 Burgerlijk Wetboek moet de bepaling van artikel 34 in die zin worden verstaan, dat de bedoelde rechtsopvolging alleen plaatsvindt voor zover er een onmiddellijk verband bestaat met de kernverplichtingen van verpachter en pachter, namelijk het verschaffen van het gebruik en het betalen van de pachtprijs.

4.6 De verplichting van [geïntimeerden] om bij gelegenheid van het einde van de pacht de varkensrechten kosteloos “terug te doen komen op naam van de verpachter” en het daartegenoverstaande recht van [appellant] staan niet in onmiddellijk verband met het verschaffen van het gebruik van het gepachte. De voor de exploitatie van het gepachte – de tot het varkensbedrijf behorende grond en opstallen – overeenkomstig zijn bestemming benodigde varkensrechten zou [geïntimeerden] in plaats van [appellant] immers ook van een derde hebben kunnen betrekken en het is ook niet ongebruikelijk dat een pachter hetzij bij het aangaan van de pacht reeds over de door hem benodigde varkensrechten beschikt, hetzij zich die rechten door een derde laat overdragen, al dan niet tijdelijk. In dit verband legt geen gewicht in de schaal dat partijen in artikel 16 zijn overeengekomen dat “ingeval de overheid regelgeving rond varkensrechten wijzigt” de pachter verplicht is “om kosteloos voorwaarden te scheppen dat op het bedrijf 294 fokzeugen gehouden kunnen worden, tenzij in overleg met de verpachter anders wordt overeengekomen”. Uit deze bepaling laat zich niet meer afleiden dan dat [appellant], ervan uitgaande dat hij bij het einde van de pacht nog verpachter zou zijn, in staat wilde zijn om de exploitatie van het bedrijf op gelijke voet voort te zetten en niet dat het hiervoor bedoelde onmiddellijk verband zou bestaan. De hiervoor bedoelde verplichting respectievelijk het bedoelde recht staan evenmin in onmiddellijk verband met de verplichting van de pachter tot het betalen van de pachtprijs.

4.7 Een en ander geldt ook wanneer moet worden aangenomen dat de hoogte van de pachtprijs mede op de beschikbaarheid van de varkensrechten was afgestemd. Daaruit volgt mogelijk dat voor de oorspronkelijke partijen een onmiddellijk verband bestond tussen de verplichting tot het verschaffen van het gebruik van het gepachte en het gebruik van de varkensrechten gedurende de looptijd van de pachtovereenkomst, maar niet dat het in artikel 34 Pachtwet (oud) en 7:361 Burgerlijk Wetboek bedoelde verband bestond met hetgeen partijen waren overeengekomen over hetgeen na afloop van die overeenkomst met de varkensrechten diende te geschieden.

4.8 Vervolgens komt het aan op de vraag op wiens naam volgens artikel 16 van de pachtovereenkomst de varkensrechten dienden te worden overgeschreven. [geïntimeerden] beroept zich erop dat volgens de tekst van artikel 16 overschrijving op naam van “de verpachter” dient plaats te vinden. Daartegenover beroept [appellant] zich erop dat “de verpachter” volgens de aanhef van de pachtovereenkomst een verkorte aanduiding is voor de persoon van [appellant] en dat wordt gesproken van “terug doen komen” van de rechten.

4.9 De tekst van de pachtovereenkomst wijst niet eenduidig in de ene dan wel de andere richting. In verband daarmee is de dwingende bewijskracht als bedoeld in het tweede lid van artikel 157 Wetboek van Burgerlijk Rechtsvordering in dit verband niet aan de orde.

4.10 Uit de ter gelegenheid van het voorlopig getuigenverhoor afgelegde getuigenverklaringen volgt dat de partijen bij de pachtovereenkomst geen rekening hebben gehouden met de mogelijkheid dat tijdens de looptijd van de pachtovereenkomst het gepachte aan een derde zou worden vervreemd. [appellant] heeft als getuige onder meer verklaard:

“Wij hebben niet gesproken over de mogelijkheid dat het bedrijf tijdens de huurovereenkomst door mij zou worden verkocht.”

[B], die de tekst van de pachtovereenkomst heeft opgesteld, nadat hij daarvoor door [geïntimeerde sub 3] was benaderd, heeft als getuige onder meer verklaard:

“Artikel 16 hield in dat aan het einde van de rit de varkensrechten weer werden teruggeschreven op naam van [appellant]. U houdt mij voor dat er ‘verpachter’ staat. Dat klopt. Aan het begin van de overeenkomst staat ‘[appellant], hierna te noemen de verpachter’. Dat het zo zou gaan als het is gegaan, hebben wij destijds niet voorzien. U vraagt mij of gesproken is over de mogelijkheid dat [appellant] het bedrijf zou verkopen. Ja, maar alleen in die zin dat er sprake van was dat de overheid bedrijven zou gaan opkopen.”

[geïntimeerde sub 3] heeft als getuige onder meer verklaard:

“Als u mij vraagt of wij destijds rekening hielden met de mogelijkheid dat het bedrijf zou worden verkocht, antwoord ik als volgt. Ik wist wel dat het bedrijf te koop stond, maar omdat er geen belangstelling was konden wij het huren. Over verkoop aan een derde is het niet gegaan, alleen over de mogelijkheid dat de overheid bedrijven zou gaan opkopen. (…) Ik heb gehoord wat de getuigen [appellant] en [B] verklaard hebben over de wijze waarop wij de pachtovereenkomst vooraf hebben besproken. In grote lijnen klopt dat verhaal in zijn geheel. Dat betekent dus ook dat er niet gesproken is over de mogelijkheid dat de pachtovereenkomst zou eindigen op het moment dat [appellant] geen verpachter meer was.”

[naam], statutair directeur van geïntimeerde sub 2, heeft als getuige onder meer verklaard:

“Destijds was de mogelijkheid van verkoop aan een derde niet aan de orde. Wel is sprake geweest van de mogelijkheid dat het bedrijf zou komen te vallen in een opkoopregeling. (…) Op het moment van het sluiten van de overeenkomst kon ik mij niet voorstellen dat ik de varkensrechten aan iemand anders dan aan [appellant] zou moeten overdragen aan het einde van de pacht.”

4.11 Gelet op hetgeen waarvan partijen volgens deze overeenstemmende getuigenverklaringen bij het aangaan van de pachtovereenkomst zijn uitgegaan, kan niet worden gezegd dat de pachtovereenkomst een regeling inhield voor het geval dat [appellant] het gepachte gedurende de looptijd van de pachtovereenkomst aan een derde zou vervreemden; geen van partijen heeft de overeenkomst redelijkerwijs in die zin kunnen begrijpen.

4.12 Aldus laat de overeenkomst een leemte, die op de voet van het eerste lid van artikel 6:248 Burgerlijk Wetboek door aanvulling van de overeenkomst dient te worden weggenomen. De wet en de gewoonte voorzien daarin niet, zodat bepalend is wat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit. Bepalend voor het hof is het navolgende.

a. De varkensrechten die [appellant] aan [geïntimeerden] ter beschikking stelde, vertegenwoordigden een niet te verwaarlozen vermogenswaarde.

b. Mogelijk is in de pachtprijs (stilzwijgend) een vergoeding voor het gebruik van de varkensrechten verdisconteerd, maar in ieder geval niet voor een definitief verlies van de rechten door [appellant].

c. Partijen gingen er, voor het door hen wel voorziene geval dat [appellant] bij het einde van de pacht nog verpachter zou zijn, vanuit dat bedoelde vermogenswaarde naar [appellant] zou terugkeren.

d. Omdat de verplichting tot het doen overschrijven van de varkensrechten, zoals hiervoor overwogen, niet in een onmiddellijk verband staat met de kernverplichtingen van verpachter en pachter, mocht [geïntimeerden] er niet zonder nader onderzoek vanuit gaan dat [appellant] en [A] de overgang van de aanspraak op overschrijving van de varkensrechten zouden zijn overeengekomen en dat [appellant] daarvoor een vergoeding zou hebben bedongen. Bij gebreke van een overgang van rechtswege was voor die overgang immers een cessie vereist, met als geldigheidsvoorwaarde onder meer mededeling aan [geïntimeerden] als schuldenaar.

4.13 Gelet op een en ander brengen de eisen van redelijkheid en billijkheid mee dat [geïntimeerden] bij het einde van de pacht de varkensrechten aan [appellant] diende aan te bieden, in die zin dat de rechten op naam van [appellant] zouden worden overgeschreven, dan wel de rechten te zijnen behoeve aan een derde zouden worden verkocht, met als gevolg dat de vermogenswaarde die de varkensrechten vertegenwoordigden, naar [appellant] zou terugkeren.

4.14 Aan het voorgaande doet niet af dat [appellant], volgens hetgeen onder 3.5 is vastgesteld, in een eerder stadium mede de varkensrechten aan [A] had verkocht. Tussen partijen staat immers vast dat die overeenkomst nimmer tot uitvoering is gekomen. De wél tot uitvoering gekomen executoriale verkoop omvatte niet mede de varkensrechten. [geïntimeerden] heeft aangevoerd dat “mag… worden verondersteld dat [appellant] van [A] reeds een vergoeding voor de varkensrechten heeft ontvangen of had kunnen ontvangen of hierop recht had/heeft” (conclusie van antwoord onder 27; vrijwel woordelijk herhaald bij conclusie van dupliek onder 12). Voor zover [geïntimeerden] hiermee het oog heeft op de koopovereenkomst van 14 juni 2004 geldt daarvoor hetgeen het hof zojuist heeft overwogen. Indien [geïntimeerden] het oog heeft op andere feiten en omstandigheden, is haar standpunt in zoverre onvoldoende gemotiveerd.

4.15 [geïntimeerden] is tekortgeschoten in de op haar rustende verbintenis tot overschrijving van de varkensrechten. [appellant] heeft schadevergoeding in natura gevorderd, in de zin van levering van een zodanig aantal varkensrechten dat daarmee 294 fokzeugen gehouden kunnen worden. Dat [appellant] op dit moment geen varkens houdt, neemt niet weg dat een dergelijke schadevergoeding in natura passend is, omdat ook in het geval [geïntimeerden] in overeenstemming met haar verplichtingen had gehandeld, [appellant] over een zodanig aantal varkensrechten zou hebben beschikt dat daarmee 294 fokzeugen gehouden kunnen worden. In zoverre is de vordering van [appellant] derhalve toewijsbaar.

De vertragingsschade

4.16 [appellant] heeft, na eisvermeerdering bij gelegenheid van de conclusie van repliek, mede vergoeding gevorderd van vertragingsschade ten bedrage van € 20.916,91. Dit deel van zijn vordering is gegrond op de beweerde tekortkoming van [geïntimeerden] in de nakoming van artikel 19 van de pachtovereenkomst met betrekking tot overname van de levende have. De rechtbank heeft (ook) dit deel van de vordering van [appellant] niet toewijsbaar geacht. Daartegen richt zich grief IX.

4.17 [geïntimeerden] heeft bij memorie van antwoord onder 38 en 39 een nieuw verweer tegen bedoeld deel van de vordering van [appellant] opgeworpen. [geïntimeerden] voert namelijk aan dat zij in verband met de zeer slechte financiële positie van [appellant] moest aannemen dat [appellant] nooit meer in staat zou zijn om aan zijn verplichting tot het overnemen en betalen van de bij het einde van de pachtovereenkomst aanwezige varkensstapel te kunnen voldoen. In verband daarmee heeft [geïntimeerden] voorgesteld dat [geïntimeerden] de overnamesom zou betalen onder de voorwaarde dat [appellant] zekerheid zou verschaffen voor zijn betalingsverplichting bij het einde van de pachtovereenkomst. [appellant] heeft, alles volgens de stellingen van [geïntimeerden], dit geweigerd. Bedoeld verweer komt neer op een beroep op de onzekerheidsexceptie van artikel 6:263 Burgerlijk Wetboek.

4.18 [appellant] is bij gelegenheid van het pleidooi in het geheel niet op bedoeld verweer ingegaan. Het hof moet dan ook van de feitelijke juistheid van de stellingen van [geïntimeerden] uitgaan en aannemen dat [geïntimeerden] goede gronden had om te vrezen dat [appellant] zijn verplichting tot betaling van de overnamesom bij het einde van de pacht niet zou kunnen nakomen. De verplichting van [geïntimeerden] tot betaling van de overnamesom per 1 januari 2003 staat tegenover bedoelde verplichting van [appellant], zodat aan [geïntimeerden] inderdaad een opschortingsrecht toekwam.

4.19 Grief IX kan dan ook niet leiden tot toewijzing van het hier aan de orde zijnde gedeelte van de vordering van [appellant].

Slotsom

4.20 De slotsom is dat de grieven slagen voor zover zij richten tegen hetgeen de rechtbank met betrekking tot de varkensrechten heeft overwogen en beslist en dat de grief met betrekking tot de vertragingsschade faalt. Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen en, opnieuw recht doende, geïntimeerden hoofdelijk veroordelen tot levering van een zodanig aantal varkensrechten dat daarmee 294 fokzeugen gehouden kunnen worden. Het anders en meer gevorderde zal worden afgewezen. Het hof zal geïntimeerden, als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, hoofdelijk veroordelen in de kosten van het geding in eerste aanleg en van dat in hoger beroep, de kosten van het voorlopig getuigenverhoor daaronder begrepen.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de pachtkamer van de rechtbank Zwolle-Lelystad, sector kanton, locatie Deventer, van 3 mei 2007 en doet opnieuw recht;

veroordeelt geïntimeerden hoofdelijk om binnen twee weken na betekening van dit arrest aan [appellant] te leveren een zodanig aantal varkensrechten dat daarmee 294 fokzeugen ge-houden kunnen worden;

veroordeelt geïntimeerden hoofdelijk in de kosten van beide instanties, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant] voor wat betreft de eerste aanleg begroot op € 1.400,— voor salaris gemachtigde en op € 192,— voor griffierecht en voor wat betreft het hoger beroep, het voorlopig getuigenverhoor daaronder begrepen, begroot op € 10.524,— voor salaris over-eenkomstig het liquidatietarief en op € 251,— voor griffierecht;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad wat betreft het in de beide voorgaande alinea’s bepaalde;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, M.M. Olthof en M.F.J.N. van Osch en de raden ing. L.L.M. de Lorijn en ir. H. Rogaar, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgespro-ken ter openbare terechtzitting van 7 oktober 2008.