Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BG3602

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
14-10-2008
Datum publicatie
06-11-2008
Zaaknummer
200.003.971
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlengingsprocedure; overgangsrecht.

De vraag wat de eis van goed pachterschap in concreto meebrengt, niet los kan worden gezien van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van het gepachte en de staat waarin het door de verpachter aan de pachter ter beschikking wordt gesteld. Een verpachter die zelf het onderhoud van het gepachte verwaarloost, kan niet dezelfde eisen aan de bedrijfsvoering van de pachter stellen als de verpachter voor wie dat niet geldt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Pacht en landelijk gebied 2008/107
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer 200.003.971

beschikking van de pachtkamer van 14 oktober 2008

inzake

[appellant],

wonende te [adres],

appellant in het principaal beroep,

verweerder in het incidenteel beroep,

advocaat: mr. F.J. Boom,

tegen:

1. [geïntimeerde sub 1],

wonende te [adres],

2. [geïntimeerde sub 2],

wonende te [adres],

geïntimeerden in het principaal beroep,

appellanten in het incidenteel beroep,

advocaat: mr. D.M.H.M. van Dijk.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de beschikking van 27 februari 2008, die de pachtkamer van de rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Wageningen, tussen appellant in het principaal beroep (hierna ook te noemen: [appellant]) als verzoeker en geïntimeerden in dat beroep (hierna ook te noemen: [geïntimeerden]) als verweerders heeft gegeven. Van genoemde beschikking is een fotokopie aan deze beschikking gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] is bij ter griffie van het hof op 27 maart 2008 binnengekomen beroepschrift tegen genoemde beschikking in beroep gekomen. Daarbij heeft hij vijf grieven tegen de bestreden beschikking opgeworpen, heeft hij bewijs aangeboden, heeft hij een aantal nieuwe producties in het geding gebracht en heeft hij geconcludeerd dat het hof bij beschikking, voor zover de wet zulks toelaat uitvoerbaar bij voorraad, het hoger beroep gegrond zal verklaren, de bestreden beschikking zal vernietigen en opnieuw recht doende:

primair: het verzoek tot verlenging niet-ontvankelijk zal verklaren om reden dat de opzegging nietig is, onder bepaling dat de pacht voor onbepaalde tijd loopt;

althans subsidiair: het verzoek tot verlenging van de pacht toe zal wijzen en de pacht met de wettelijke duur zal verlengen, althans met een duur die het hof vermeent te behoren;

primair en subsidiair: kosten rechtens.

2.2 Bij ter griffie van het hof op 6 mei 2008 binnengekomen verweerschrift hebben [geïntimeerden] de grieven bestreden, hebben zij in incidenteel beroep één grief tegen de bestreden beschikking opgeworpen en hebben zij geconcludeerd dat het hof, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking uitsluitend voor wat de tenaamstelling van de verpachters betreft zal vernietigen en opnieuw beschikkende zal bepalen dat [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2], beiden wonende te [woonplaats], als verpachters en procespartij worden aangemerkt, en de bestreden beschikking voor het overige, voor zoveel nodig met wijziging en/of aanvulling van gronden zal bevestigen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.

2.3 Bij ter griffie van het hof op 30 mei 2008 binnengekomen verweerschrift in incidenteel appel heeft [appellant] ter zake van de grief in het incidenteel beroep verweer gevoerd en heeft hij geconcludeerd dat het hof [geïntimeerden] in hun incidenteel beroep niet-ontvankelijk zal verklaren, althans dat beroep ongegrond zal verklaren en de bestreden beschikking in zoverre ongewijzigd in stand zal laten, een en ander kosten rechtens.

2.4 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 september 2008. Ter zitting zijn verschenen appellant, vergezeld door onder meer mr. G.J.M. de Jager, advocaat te Rotterdam, en geïntimeerde sub 2 vergezeld door onder meer mr. Van Dijk voornoemd en [naam], rentmeester. Mr. De Jager voornoemd heeft voorafgaand aan de zitting, te weten op 10 september 2008, aan de wederpartij en het hof een aantal nieuwe producties gezonden. Desgevraagd heeft

mr. Van Dijk voornoemd ter zitting meegedeeld dat hij voldoende heeft kennisgenomen van die producties en dat hij instemt met het in het geding brengen van die producties zonder nadere maatregel door het hof.

2.5 Ingevolge een ter zitting met partijen gemaakte afspraak hebben de leden van deze kamer mr. J.K.B. van Daalen en ir. H. Rogaar, vergezeld van de griffier, op 22 september 2008 de situatie ter plaatse in ogenschouw genomen. Op een vraag van mr. Van Daalen aan de advocaten van partijen of zij zich naar aanleiding van hetgeen bij die gelegenheid zichtbaar was per brief wilden uitlaten, hebben beide advocaten ontkennend geantwoord.

2.6 Het hof heeft beschikking bepaald op heden.

3 De vaststaande feiten

3.1 Tussen partijen staan in hoger beroep als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken en op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde producties, de navolgende feiten vast.

3.2 Tussen de rechtsvoorgangers van partijen bestond generaties lang een (mondelinge) pachtovereenkomst met betrekking tot de [naam], [adres].

3.3 Deze pachtovereenkomst is op schrift gesteld op 31 maart 1971, op 2 juni 1971 bij de Grondkamer te Gelderland ingekomen en door die kamer goedgekeurd op 7 juli 1971. Volgens deze overeenkomst behoorde tot het gepachte in totaal 8.13.35 ha land, nam de pacht aan op 31 maart 1971 en eindigde de overeenkomst op 21 februari 1983, waarbij het tijdvak van 31 maart 1971 tot 22 februari 1972 voor een vol pachtjaar werd gerekend.

3.4 Ingaande 22 februari 1989 is [appellant] bij pachtwijzigingsovereenkomst van 22 februari 1989 als pachter in de plaats getreden van zijn vader.

3.5 Op 28 december 2005 heeft de toenmalige verpachter, [naam], het gepachte in eigendom overdragen aan zijn kinderen, [geïntimeerden]

3.6 Bij brief van 5 januari 2007 heeft de rentmeester van [geïntimeerden] aan [appellant] onder meer het volgende geschreven:

“Hierbij bericht ik u de pachtovereenkomst tussen [naam], mede namens zijn beide kinderen als verpachter en u als pachter van de boerderij ’[naam] te stuiten overeenkomstig artikel 36 van de Pachtwet per 22 februari 2008. Het betreft de pachtovereenkomst d.d. 31 maart 1971, bij de Grondkamer geregistreerd onder [...] betreffende de boerderij ’[naam] met een oppervlakte van 8.13.35 ha, thans met 7.99.35 ha.”

Deze brief heeft [appellant] uit handen van de rentmeester ontvangen.

3.7 Op 28 maart 2007 heeft de pachtkamer in eerste aanleg op verzoek van [geïntimeerden] het gepachte bezichtigd. Het proces-verbaal van die bezichtiging vermeldt onder meer:

“Mede in aanmerking nemende de lange pachtrelatie tussen de families van beide partijen (een relatie van meer dan 200 jaren) ziet de pachtkamer geen aanleiding een formele aanwijzing te gegeven als bedoeld in artikel 55 van de Pachtwet, zij het dat de pachtkamer [appellant] wel in overweging geeft het nodige op te ruimen opdat het gepachte een meer ordelijke indruk zal maken dan tijdens de bezichtiging het geval was.”

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Het eerste blad van de bestreden beschikking vermeldt de naam van [vader] als verweerder. Het hof beschouwt die vermelding als een kennelijke vergissing. De bestreden beschikking moet aldus worden gelezen dat [geïntimeerden] de verweerders zijn. Zij zijn immers thans eigenaren en verpachters. Op dezelfde grond moeten [geïntimeerden] in hoger beroep worden aangemerkt als de geïntimeerden in het principaal beroep en niet mede [vader]. Gelet op het voorgaande hebben [geïntimeerden] geen belang meer bij behandeling van de grief in het incidenteel beroep en zijn zij in dat beroep niet-ontvankelijk.

4.2 Per 1 september 2007 is met de artikelen 7:311 e.v. Burgerlijk Wetboek een nieuwe wettelijke regeling van de pacht in werking getreden en is de Pachtwet vervallen. Aan de orde is de vraag of het geschil tussen partijen naar oud dan wel naar nieuw recht dient te worden beslist.

4.3 Kenmerkend voor het onderhavige geval is dat voorafgaand aan de inwerkingtreding van het nieuwe recht door verpachters een kennisgeving van niet-verlenging als bedoeld in het tweede lid van artikel 36 Pachtwet is uitgebracht en dat eveneens daaraan voorafgaand door de pachter tijdig om verlenging is verzocht als bedoeld in het derde lid van dat artikel.

4.4 Het nieuwe recht met betrekking tot de verlenging van een pachtovereenkomst verschilt wezenlijk van het oude, niet alleen wat betreft de toepasselijke regels van procesrechtelijke aard, maar ook wat betreft de materiële regels aan de hand waarvan het geschil dient te worden beslist. Artikel 7:367 Burgerlijk Wetboek voorziet in opzegging door de verpachter, welke opzegging volgens artikel 7:368 Burgerlijk Wetboek – anders dan de kennisgeving van niet-verlenging van artikel 36 Pachtwet – op straffe van nietigheid gronden dient te vermelden. Artikel 7:369 Burgerlijk Wetboek houdt in dat, indien de pachter zich binnen zes weken met opgave van redenen tegen de opzegging verzet, het aan de verpachter is om – op de gronden vermeld in de opzegging – te vorderen (het gaat hier dus om een dagvaardings-procedure) dat de rechter het tijdstip zal vaststellen waarop de overeenkomst zal eindigen. De artikelen 7:370 e.v. Burgerlijk Wetboek voorzien vervolgens in een beoordeling van deze vordering op basis van regels die niet alleen wat betreft hun systematiek maar deels ook in-houdelijk belangrijk verschillen van de regeling van de artikelen 38 e.v. Pachtwet.

4.5 Volgens het eerste lid van artikel 74 Overgangswet Nieuw BW heeft de inwerkingtreding van het nieuwe recht geen gevolgen voor de aard van een lopende procedure, zodat in zoverre oud recht van toepassing blijft. De verzoekschriftprocedure van artikel 36 e.v. Pachtwet is een bijzondere procedure, gericht op de beoordeling van de vraag of – niettegenstaande de kennisgeving van nietverlenging van de verpachter – verlenging van de pachtovereenkomst dient plaats te vinden, en die procedure kan naar zijn aard niet op iets anders worden gericht. In verband met het hiervoor bedoelde wezenlijke verschil tussen oud en nieuw recht ook wat betreft de materiële regels aan de hand waarvan het geschil dient te worden beslist en tegen de achtergrond van het beginsel van rechtszekerheid, dat het overgangsrecht mede beheerst, moet worden aangenomen dat die materiële regels de aard van de procedure mede bepalen en dat gelet daarop ook wat betreft die materiële regels in beginsel het oude recht van toepassing blijft. Een en ander stemt overeen met de uitleg die door de Minister van Justitie, alsmede door de regeringscommissaris Nieuw Burgerlijk Wetboek, tijdens de behandeling van het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de art. 7:311 e.v. Burgerlijk Wetboek in de Eerste Kamer der Staten-Generaal is gegeven.

4.6 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof oud recht toepassen.

4.7 Met grief 1 stelt [appellant] zich op het standpunt dat de kennisgeving van niet-verlenging niet rechtsgeldig heeft plaatsgevonden. In dit verband betoogt [appellant] in de eerste plaats dat bedoelde kennisgeving op naam van [vader] is gedaan in plaats van op naam van [geïntimeerden] als eigenaren en verpachters. Dit betoog treft geen doel. Volgens de tekst van de brief van 5 januari 2007 is de kennisgeving mede namens de kinderen van [vader], [geïntimeerden], gedaan. Dat de namen van die kinderen niet zijn vermeld, doet niet ter zake. De wet stelt niet de eis dat de naam van de verpachter(s) in de kennisgeving van niet-verlenging is vermeld. Voldoende is dat de pachter redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat de kennisgeving namens de verpachter(s) werd gedaan. Dat is gelet op bedoelde tekst het geval.

4.8 [appellant] heeft voorts betoogd dat na de eigendomsoverdracht van 28 december 2005 een pachtwijzigingsovereenkomst op schrift behoorde te worden gesteld. Ook in zoverre faalt grief 1. Gelet op artikel 34 Pachtwet had de eigendomsovergang van rechtswege tot gevolg dat [geïntimeerden] als nieuwe eigenaren verpachters werden. Een pachtwijzigingsovereenkomst is daartoe niet nodig.

4.9 Grief 2 betreft hetgeen de pachtkamer in eerste aanleg heeft overwogen over een tekortschieten van [appellant] als pachter. Het hof stelt voorop dat het er volgens artikel 39 Pachtwet niet (rechtstreeks) op aan komt of sprake is van een tekortkoming, maar in plaats daarvan of de bedrijfsvoering van de pachter niet is geweest zoals het een goed pachter betaamt dan wel het optreden van de pachter in de afgelopen pachtperiode aanleiding heeft gegeven tot gegronde klachten. [geïntimeerden] stellen zich op het standpunt dat de bedrijfsvoering van [appellant] inderdaad niet is geweest zoals het een goed pachter betaamt en verwijzen in dat verband naar het onder 3.7 bedoelde proces-verbaal van bezichtiging. Zij voegen daar nog aan toe, kort samengevat, dat [appellant] voorafgaand aan bedoelde bezichtiging met man en macht bezig is geweest om onder meer het erf op te ruimen en dat de situatie op het gepachte daaraan voorafgaand nog erger was. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben zij ter zake van het laatste bewijs aangeboden.

4.10 Ingevolge de onder 2.5 bedoelde afspraak heeft het hof zelf de situatie in ogenschouw genomen en wel zonder dat [appellant] vooraf heeft kunnen opruimen. Het hof heeft een enigszins rommelig erf en verwaarloosde of zelfs grotendeels vervallen opstallen aangetroffen. Vooral het gebruik van de opstallen is (zeer) rommelig en in die opstallen heeft het hof onder meer diverse niet aan de landbouw dienstbare voorwerpen aangetroffen.

4.11 Een en ander leidt het hof echter niet tot het oordeel dat sprake is van een bedrijfsvoering in strijd met hetgeen een goed pachter betaamt. In dit verband is van belang dat [geïntimeerden] ernstig in hun onderhoudsverplichtingen tekortschieten. Het hof heeft onder meer verschillende lekkages waargenomen. [geïntimeerden] ontkennen ook niet dat zij in hun onderhoudsverplichtingen tekortschieten, maar voeren aan dat dit niet afdoet aan de verplichting van [appellant] om het gepachte als een goed pachter te gebruiken. Dit laatste is op zichzelf juist, maar [geïntimeerden] zien er daarbij ten onrechte aan voorbij dat de vraag wat de eis van goed pachterschap in concreto meebrengt, niet los kan worden gezien van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van het gepachte en de staat waarin het door de verpachter aan de pachter ter beschikking wordt gesteld. Een verpachter die zelf het onderhoud van het gepachte verwaarloost, kan niet dezelfde eisen aan de bedrijfsvoering van de pachter stellen als de verpachter voor wie dat niet geldt. Verder geldt dat het gepachte een oude hoeve betreft, met (veel) te weinig grond om er een modern landbouwbedrijf te kunnen voeren. Ook dat brengt mee dat redelijkerwijs aan de bedrijfsvoering door [appellant] niet al te hoge eisen kunnen worden gesteld. Op grond van een en ander beschouwt het hof die bedrijfsvoering niet in strijd met hetgeen een goed pachter betaamt.

4.12 Het hof passeert het in dit verband door [geïntimeerden] gedane bewijsaanbod. De aard van de onderhavige rekestprocedure – die erop is gericht om op korte termijn duidelijkheid te verschaffen over het al dan niet voortduren van de pacht – brengt mee dat voor bewijslevering alleen in uitzonderlijke gevallen plaats is. Een zodanig geval doet zich hier niet voor. Los van het voorgaande geldt dat bewijslevering niet iets wezenlijks toevoegt aan hetgeen reeds volgt uit de bezichtiging door de pachtkamer in eerste aanleg en aan hetgeen het hof zelf heeft kunnen waarnemen. Het bewijsaanbod is daarom ook niet terzake dienend.

4.13 Voor zover de bestreden beschikking zo moet worden gelezen dat de pachtkamer in eerste aanleg de verplichte afwijzingsgrond van artikel 39 Pachtwet toepasselijk heeft geacht, slaagt derhalve grief 2.

4.14 In eerste aanleg hebben [geïntimeerden] ook op andere grond betoogd dat de ver-plichte afwijzingsgrond van artikel 39 Pachtwet zich voordoet, namelijk dat zij betwijfelen of [appellant] de melkproductie op zodanige wijze heeft voortgezet dat niet het risico bestaat dat het melkquotum vervalt. Voor zover [geïntimeerden] deze grond in hoger beroep al hebben willen handhaven, geldt dat zij in het licht van de door [appellant] overgelegde stukken onvoldoende hebben aangevoerd om daaruit te concluderen dat het melkquotum daadwerkelijk gevaar loopt.

4.15 De grieven 3 en 4 hebben betrekking op hetgeen de pachtkamer in eerste aanleg heeft overwogen in het kader van – zo begrijpt de hof – een afweging naar billijkheid. De bestre-den beschikking houdt onder meer in dat het bedrijf van [appellant] geen toekomstperspectief heeft en dat geen sprake is van een (volwaardig) bedrijfsplan van [appellant].

4.16 Ook ter zake van de afweging naar billijkheid, als bedoeld in artikel 38 Pachtwet, is van belang dat het gepachte (veel) te weinig grond omvat om er een modern landbouwbedrijf te kunnen voeren. Niettemin weet [appellant] met de exploitatie van het gepachte zich jaarlijks een bescheiden inkomen te verwerven. Hoewel [geïntimeerden] op onderdelen vraagtekens plaatsen bij de inhoud van de door [appellant] overgelegde jaarstukken, hebben zij dit laatste niet bestreden.

4.17 [geïntimeerden] hebben ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep aangegeven dat zij naar een duurzame volwaardige agrarische exploitatie streven en dat zij in geval de pacht eindigt de gronden zullen toevoegen aan ‘levensvatbare pachtbedrijven’. Zij hebben echter ook aangegeven dat zij – tezamen met familieleden – niet meer dan 35 ha op het landgoed [...] in eigendom hebben. De rentmeester heeft daaraan toegevoegd dat hij in de directe omgeving van het gepachte ook gronden van derden beheert en dat er een stichting bestaat die de belangen van de diverse eigenaren behartigt. Tegen de achtergrond van het voorgaande gaat het hof ervan uit dat [geïntimeerden] niet ten behoeve van ‘eigen’ pachters meer grond behoeven.

4.18 Naar billijkheid beslissende weegt voor het hof het belang van [appellant] bij een voortzetting van de exploitatie van het gepachte het zwaarst. Daaraan kan niet afdoen, zoals [appellant] tijdens het bezoek van de leden

mr. J.K.B. van Daalen en ir. Rogaar alsnog volmondig heeft erkend, dat [appellant] eigenaar is van enkele woningen en een boerderij, en dat hij deze onroerende zaken verhuurt en daaruit een aanvullend inkomen genereert. Voor zijn landbouwbedrijf is voortzetting van de pacht voor [appellant] van wezenlijk belang.

4.19 Uit het voorgaande volgt dat ook de grieven 3 en 4 slagen. Hetzelfde geldt voor grief 5, die betrekking heeft op de proceskosten.

4.20 De slotsom is dat de grieven in het principaal beroep slagen. De pachtovereenkomst dient alsnog met de wettelijke duur te worden verlengd. Gelet op het tijdstip van inzending eindigde in verband met het eerste lid van artikel 9 Pachtwet de lopende pachttermijn op 22 februari 2008. Het hof zal de pachtovereenkomst verlengen tot 22 februari 2014.

4.21 Het hof zal [geïntimeerden] niet-ontvankelijk verklaren in het incidenteel beroep.

4.22 Het hof zal [geïntimeerden] veroordelen in de kosten van zowel de eerste aanleg als het principaal beroep. Wat betreft het incidenteel beroep ziet het hof geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Conform het verzoek van [appellant] zal het hof de beschikking wat betreft de veroordeling in de kosten van de eerste aanleg en het principaal beroep uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Daarmee geeft het hof geen oordeel over de vatbaarheid van deze beschikking voor cassatie in verband met het vervallen van artikel 134 Pachtwet per 1 september 2007 en de inwerkingtreding van onder meer artikel 1019q Wetboek van Burgerlijk Rechtsvordering met ingang van dezelfde datum.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in het principaal en het incidenteel beroep:

vernietigt de beschikking van 27 februari 2008 van de pachtkamer van de rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Wageningen, en doet opnieuw recht;

verlengt de tussen partijen bestaande pachtovereenkomst met de wettelijke duur tot 22 fe-bruari 2014;

veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van de eerste aanleg en het principaal beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant] voor wat betreft de eerste aanleg begroot op € 500,— voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op

€ 106,— voor griffierecht en voor wat betreft het principaal beroep begroot op € 1.788,— voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 254,— voor griffierecht en verklaart deze beschikking in zoverre uit-voerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. W.L. Valk, A. Smeeïng-van Hees en J.K.B. van Daalen, en de raden ing. L.L.M. de Lorijn en ir. H. Rogaar, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 oktober 2008.