Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BG2010

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
15-07-2008
Datum publicatie
30-10-2008
Zaaknummer
104.002.290
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij de uitleg van een polisbeding als artikel 8 lid 3 polisvoorwaarden gaat het om de

betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden, en gelet op de aard en strekking van de verzekering over en weer redelijkerwijs aan de polisvoorwaarde mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (een en ander in voorkomend geval met inachtneming van de ingevolge artikel 6:238 lid 2 BW voorgeschreven uitleg contra preferentem). Het hof is van oordeel dat [appellante] redelijkerwijze artikel 8 lid 3 polisvoorwaarden heeft mogen begrijpen in de door haar gestelde zin. Deze uitleg sluit in de eerste plaats aan bij de tekst van artikel 8 lid 3 van de polisvoorwaarden, nu er wordt gesproken over de opzet om “bij schade” de maatschappij te misleiden, hetgeen erop lijkt te duiden dat het in de bepaling gaat om misleiding die verband houdt met de schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAV 2009, 4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 juli 2008

tweede civiele kamer

zaaknummer 104.002.290

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

in de zaak van:

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

procureur: mr J.B.R. Daniëls,

tegen:

de naamloze vennootschap OHRA Schadeverzekeringen N.V.,

gevestigd te Arnhem,

geïntimeerde,

procureur: mr F.J. Boom.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van de vonnissen van 12 oktober 2005 en 8 februari 2006 die de rechtbank Arnhem tussen appellante (hierna ook te noemen: [appellante]) als eiseres en geïntimeerde (hierna ook te noemen: OHRA) als gedaagde heeft gewezen; van het vonnis van 8 februari 2006 is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [appellante] heeft bij exploot van 4 mei 2006 aangezegd van het vonnis van 8 februari 2006 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van OHRA voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellante] zes grieven tegen het bestreden vonnis

aangevoerd en toegelicht, heeft zij bewijs aangeboden en een nieuwe productie in het geding gebracht. Zij heeft gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. OHRA zal veroordelen aan [appellante] te voldoen de somma van € 10.450,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 november 2004, althans vanaf 26 maart 2005, althans vanaf de dag der dagvaarding in eerste aanleg tot aan de dag der algehele voldoening;

2. OHRA zal veroordelen haar meldingen van [appellante] bij het Incidentenregister en bij de Stichting CIS binnen vijf dagen na betekening van het in dezen te wijzen arrest in te trekken, zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 250,-- voor iedere dag dat OHRA na genoemde termijn daarmee in gebreke blijft;

3. OHRA zal veroordelen in de buitengerechtelijke kosten ad € 904,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

4. OHRA zal veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft OHRA de grieven bestreden, heeft zij bewijs aangeboden en heeft zij geconcludeerd dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [appellante] in haar appel niet ontvankelijk zal verklaren, althans het appel ongegrond zal verklaren en het in eerste aanleg gewezen vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het hoger beroep.

2.4. Ter zitting van 6 november 2007 hebben partijen de zaak doen bepleiten, [appellante] door

mr. A.M.H.C. Coppens, advocaat te Roermond, en OHRA door mr. F.M. van Sloun,

advocaat te Arnhem. Beide partijen hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht.

2.5. Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 De vaststaande feiten

Tussen partijen staan in hoger beroep als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken en op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van de overgelegde producties de door de rechtbank in haar bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.7 vermelde feiten vast.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1. Het geschil tussen partijen betreft de volgende kwestie. Partijen hebben met ingang

van 14 juni 2004 een verzekeringsovereenkomst gesloten met betrekking tot een Volkswagen Golf 1.9 TDI Variant, met kenteken [kenteken] (hierna te noemen: de auto). Op deze overeenkomst zijn de polisvoorwaarden AUN0302 (hierna te noemen: de polisvoorwaarden) van toepassing.

Op 12 oktober 2004 heeft [appellante] bij de politie aangifte gedaan van diefstal van de auto. [appellante] heeft OHRA verzocht om over te gaan tot uitkering van de door haar ten gevolge van de diefstal geleden schade. OHRA heeft naar aanleiding van dit verzoek een onderzoek doen instellen door het bureau Dekra. In het kader van dit onderzoek zijn niet alleen [appellante] en haar echtgenoot gehoord, maar ook de heer [persoon A] (hierna te noemen: [persoon A]) van wie [appellante] de auto heeft gekocht.

OHRA heeft, ondanks sommatie door [appellante], (in een brief van 12 november 2004) uitkering geweigerd op grond van artikel 8 lid 3 van de polisvoorwaarden en zij heeft de polis op grond van artikel 6 lid 2 onder 3 en onder 7 van de polisvoorwaarden beëindigd. OHRA heeft daartoe aangevoerd dat [appellante] haar opzettelijk heeft misleid en/of dat er onvoldoende bewijs is voor de diefstal van de auto, dan wel niet is komen vast te staan dat de gestolen auto de verzekerde auto betrof. OHRA heeft verder de gegevens van [appellante] opgenomen in haar zogenaamde Incidentenregister en de personalia van [appellante] doorgegeven aan de Stichting CIS.

4.2. [appellante] stelt dat er van enige misleiding van haar kant geen sprake is zodat OHRA zich

ten onrechte beroept op artikel 8 lid 3 van de polisvoorwaarden. [appellante] vordert in deze procedure, kort gezegd, veroordeling van OHRA tot betaling van de door haar ten gevolge van de diefstal geleden schade (welke zij begroot op € 10.450,--) alsmede veroordeling van OHRA tot intrekking van de meldingen in haar Incidentenregister en bij de Stichting CIS.

4.3. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellante] afgewezen. De afwijzing van de

rechtbank is erop gebaseerd dat i) niet is komen vast te staan dat de gestelde diefstal heeft plaatsgevonden en ii) [appellante] OHRA op verschillende punten bewust heeft misleid, zodat OHRA zich terecht op artikel 8 lid 3 van de polisvoorwaarden beroept. Tegen deze oordelen van de rechtbank richten zich de grieven van [appellante]. Uit de inhoud van de grieven en de toelichting daarop leidt het hof af dat [appellante] de zaak in volle omvang aan het hof wenst voor te leggen.

Het beroep op artikel 8 lid 3 polisvoorwaarden

4.4. Het hof zal allereerst beoordelen of het beroep van OHRA op artikel 8 lid 3

polisvoorwaarden gerechtvaardigd is. In dit verband dienen twee kwesties te worden beoordeeld. In de eerste plaats dient te worden beoordeeld wat de betekenis en strekking is van artikel 8 lid 3 polisvoorwaarden. In de tweede plaats dient te worden beoordeeld of er in het licht van (de door het hof aangenomen uitleg van) artikel 8 lid 3 polisvoorwaarden sprake is geweest van opzettelijke misleiding door [appellante].

4.5. Het hof zal eerst ingaan op de vraag wat de betekenis en strekking is van artikel

8 lid 3 polisvoorwaarden. Artikel 8 lid 3 van de polisvoorwaarden luidt als volgt:

“Indien u of de verzekerde de opzet heeft gehad bij schade de maatschappij te misleiden vervalt onmiddellijk elk recht op uitkering.”

Partijen verschillen van mening over de betekenis en strekking van artikel 8 lid 3 van de polisvoorwaarden. [appellante] stelt zich op het standpunt dat een beroep op artikel 8 lid 3 van de polisvoorwaarden slechts gerechtvaardigd is indien zij onjuiste mededelingen heeft gedaan met het kennelijke doel om de waardebepaling van de auto te beïnvloeden. Daarvan is volgens haar in het onderhavige geval geen sprake. OHRA stelt daarentegen, zo begrijpt het hof de stelling van OHRA in punt 31 van de memorie van antwoord althans, dat reeds de omstandigheid dat [appellante] in het kader van de schadeafwikkeling opzettelijk onjuiste mededelingen heeft gedaan voldoende is voor een beroep op artikel 8 lid 3 van de polisvoorwaarden, en dat niet noodzakelijk is dat die onjuiste mededelingen erop gericht zijn om de hoogte van de uitkering te beïnvloeden. OHRA stelt namelijk:

”Dat de onjuiste mededeling van [appellante] verder geen invloed zou hebben gehad op de waardebepaling van de schade-uitkering, kan kloppen, doch dit doet niet af aan het feit dat [appellante] de bedoeling heeft gehad om OHRA opzettelijk te misleiden. De polisvoorwaarde waarop OHRA zich beroept (artikel 8.3) dient in dat kader niet zo beperkt uitgelegd te worden dat deze enkel zou zien op onjuiste mededelingen die de schadeomvang betreffen, doch deze bepaling ziet op iedere opzettelijke misleiding bij schade (bedoeld is: naar aanleiding van iedere schademelding).”

4.6. Bij de uitleg van een polisbeding als artikel 8 lid 3 polisvoorwaarden gaat het om de

betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden, en gelet op de aard en strekking van de verzekering over en weer redelijkerwijs aan de polisvoorwaarde mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (een en ander in voorkomend geval met inachtneming van de ingevolge artikel 6:238 lid 2 BW voorgeschreven uitleg contra preferentem). Het hof is van oordeel dat [appellante] redelijkerwijze artikel 8 lid 3 polisvoorwaarden heeft mogen begrijpen in de door haar gestelde zin. Deze uitleg sluit in de eerste plaats aan bij de tekst van artikel 8 lid 3 van de polisvoorwaarden, nu er wordt gesproken over de opzet om “bij schade” de maatschappij te misleiden, hetgeen erop lijkt te duiden dat het in de bepaling gaat om misleiding die verband houdt met de schade.

Deze uitleg van artikel 8 lid 3 polisvoorwaarden is verder ook een redelijke uitleg, gelet op het bepaalde in artikel 7:941 BW, welke bepaling krachtens de overgangsrechtelijke hoofdregel van de onmiddellijke werking (artikel 68a lid 1 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek) sinds 1 januari 2006 op de onderhavige zaak toepasselijk is. Artikel 7:941 BW bepaalt namelijk, voor zover in deze zaak van belang:

“(…)

2. De verzekeringnemer en de tot uitkering gerechtigde zijn verplicht binnen redelijke termijn de verzekeraar alle inlichtingen en bescheiden te verschaffen welke voor deze van belang zijn om zijn uitkeringsplicht te beoordelen.

(…)

4. De verzekeraar kan het vervallen van een recht op uitkering wegens niet-nakoming van een verplichting als bedoeld in de leden 1 en 2 slechts bedingen voor het geval hij daardoor in een redelijk belang is geschaad.

5. Het recht op uitkering vervalt indien de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde een verplichting als bedoeld in de leden 1 en 2 niet is nagekomen met het opzet de verzekeraar te misleiden, behoudens voor zover die misleiding het verval van het recht op uitkering niet rechtvaardigt.”

Uit artikel 7:941, de leden 2, 4 en 5 BW kan worden afgeleid dat een verval van recht op uitkering aan de orde is indien de verzekerde of uitkeringsgerechtigde geen of onvoldoende inlichtingen verschaft dan wel onjuiste mededelingen doet die voor de verzekeraar van belang zijn om zijn uitkeringsplicht te beoordelen, aangezien het in lid 5 genoemde verval van recht wordt gekoppeld aan het niet voldoen aan de in lid 1 en lid 2 vermelde verplichtingen. Lid 1 is in dit verband niet van belang. Lid 2 verplicht de verzekerde/verzekeringnemer echter om inlichtingen en bescheiden te verschaffen die voor de verzekeraar “van belang zijn om zijn uitkeringsplicht te beoordelen”.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat verval van recht op grond van artikel 8 lid 3 van de polisvoorwaarden slechts aan de orde kan zijn als de gestelde onjuiste mededelingen van belang waren om de (hoogte van de) uitkeringsplicht te beoordelen en [appellante] die mededelingen heeft gedaan met het kennelijke doel om de hoogte van de uitkering te beïnvloeden. Beoordeeld dient vervolgens te worden of OHRA, uitgaande van deze uitleg van de polisvoorwaarden, tegenover [appellante] terecht een beroep heeft gedaan op artikel 8 lid 3 polisvoorwaarden.

4.7. OHRA verwijt [appellante] op verschillende punten onjuiste mededelingen aan haar te

hebben gedaan. Volgens haar zijn de volgende onjuistheden, al dan niet in onderlinge samenhang, voor haar de reden geweest om aan [appellante] (op grond van artikel 8 lid 3 polisvoorwaarden) de verzekeringsuitkering te ontzeggen:

a. De aankoopprijs van de auto: OHRA stelt dat [appellante] tegenover onderzoeksbureau Dekra heeft verklaard de auto gekocht te hebben voor een bedrag van € 13.500,--. De vorige eigenaar, [persoon A], heeft tegenover Dekra echter verklaard dat hij de auto aan [appellante] heeft verkocht voor € 5.000,--. Deze verklaring is door [persoon A] tot op heden niet herroepen, aldus OHRA, en [appellante] heeft geen aanvullende gegevens verstrekt op grond waarvan de door hem gestelde waarde van de auto zou kunnen worden onderbouwd;

b. De herkomst van de auto

De echtgenoot van [appellante] heeft verklaard de auto te hebben gekocht van een hem onbekende persoon via het weekblad “De Vondst”. De auto bleek echter gekocht te zijn van [persoon A], die volgens eigen zeggen de echtgenoot van [appellante] al jaren kende en aan wie hij al vaker geld zou hebben geleend;

c. De staat waarin de auto verkeerde

[appellante] heeft tegenover Dekra aangegeven dat de auto schadevrij was. Bij het bepalen van de (dag)waarde van de auto is gebleken dat het voertuig betrokken is geweest bij een ongeval op of omstreeks april 2003, waarbij zowel aan de voor- als achterzijde schade is ontstaan. Als voormalig autohandelaar had de echtgenoot van [appellante] hiervan op de hoogte kunnen, althans behoren te zijn;

d. De uitvoering van de auto

De man van [appellante] heeft gesteld dat de auto was voorzien van het actie modelpakket Highline. Verder heeft de man van [appellante] verklaard dat de auto was uitgevoerd met een beige lederen bekleding en was voorzien van een navigatiesysteem.

De expert die de auto eerder (na het ongeval in april 2003) had gerepareerd, heeft volgens OHRA echter verklaard dat het niet ging om een Highline- maar om een Comfortline-uitvoering alsook dat de auto zwarte stoffen bekleding had en dat er geen navigatiesysteem was ingebouwd;

e. Eerdere autodiefstallen

Tegenover Dekra heeft de man van [appellante] verklaard eenmaal eerder te maken te hebben gehad met een autodiefstal omstreeks 1991/1992. Navraag bij de tussenpersoon leverde volgens OHRA echter op dat [appellante] ook in 2001 een diefstal had geclaimd, waarna € 17.950,-- werd vergoed;

f. Autobezit

[appellante] heeft tegenover Dekra verklaard dat zij vanaf juli 2004 gebruik maakte van een Fiat, welk voertuig op naam staat van [persoon B] (familie van [appellante]). Zij reed derhalve tegelijkertijd met dit voertuig en met de onderhavige auto. Volgens [appellante] had dit te maken met het feit dat zij en haar echtgenoot op dat moment nog niet beschikten over hun huidige auto (een Citroën). Uit het onderzoek van Dekra is echter gebleken dat de Citroën reeds op 14 mei 2004 bij Stad Rotterdam verzekerd was, en derhalve reeds vanaf die datum in bezit is geweest van [appellante]. OHRA acht het dan ook twijfelachtig of [appellante] de auto daadwerkelijk in haar bezit heeft gehad;

g. Verzekeraar

[appellante] heeft geen verklaring kunnen geven voor de beslissing om de Citroën per mei 2004 bij Stad Rotterdam te verzekeren, terwijl er eerder juist voor was gekozen om de auto vanaf 4 mei 2004 niet meer te verzekeren bij Stad Rotterdam wegens ontevredenheid met deze verzekeraar.

4.8. Het hof zal thans beoordelen of [appellante] de gestelde onjuiste mededelingen aan OHRA heeft gedaan, en voor zover dit het geval zou zijn, of op grond daarvan het beroep van OHRA op artikel 8 lid 3 polisvoorwaarden wordt gerechtvaardigd.

Vooropgesteld wordt dat het handelen en de mededelingen van de man van [appellante] aan haar worden toegerekend, nu [appellante] ook in hoger beroep niet heeft betwist dat de mededelingen van haar man namens haar zijn gedaan en aan haar kunnen worden toegerekend.

4.9. Wat betreft de punten a, b, e, f en g is het hof van oordeel dat, voor zover [appellante] de gestelde onjuiste mededelingen al zou hebben gedaan, niet duidelijk is op welke manier deze onjuiste informatie de (hoogte van de) uitkeringsplicht zou kunnen beïnvloeden. OHRA heeft ten aanzien van geen van de genoemde punten gesteld op welke wijze de onjuiste informatie van invloed zou kunnen zijn op (de hoogte van) de uitkeringsplicht, terwijl dit ook niet aanstonds duidelijk is. Ten aanzien van punt a, de hoogte van de koopprijs, heeft OHRA (bij monde van de heer [persoon C], bij OHRA werkzaam juridisch adviseur) op de pleidooizitting aanvankelijk gesteld dat de hoogte van de aankoopprijs niet van invloed is op de hoogte van de schadeuitkering, waarna OHRA vervolgens heeft gesteld dat de aankoopprijs een indicatie zou kunnen zijn voor de hoogte van de schadeuitkering. OHRA heeft echter niet gesteld dat, laat staan op welke wijze, de (door [appellante] opgegeven) aankoopprijs in dit geval (de hoogte van) de uitkeringsplicht zou hebben kunnen beïnvloeden. Dat dit het geval is, is ook niet aannemelijk, nu de schade bij diefstal doorgaans - en blijkens de waardebepaling door Dekra (productie 5 bij conclusie van antwoord) in ieder geval in het onderhavige geval - wordt vastgesteld op basis van de dagwaarde (waarbij wordt uitgegaan van de ter beschikking staande gegevens uit onder meer de Nationale Auto Pas (NAP) en de schadeverledenpas (SVP).

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat OHRA ten aanzien van de punten a, b, e, f en g niet heeft voldaan aan haar stelplicht waar het betreft de (mogelijke) invloed van de onjuiste mededelingen op (de hoogte van) de uitkeringsplicht.

4.10. Wat betreft punt c, de staat waarin de auto verkeerde, heeft [appellante] als verweer

aangevoerd dat zij (noch haar man) op de hoogte was (waren) van het schadeverleden van de auto. OHRA heeft dit niet betwist. OHRA heeft slechts gesteld dat de man van [appellante] het schadeverleden had kunnen en behoren te kennen. Nu voor een beroep op artikel 8 lid 3 vereist is dat de verzekerde en/of uitkeringsgerechtigde de opzet heeft gehad om de maatschappij te misleiden, en OHRA niet heeft betwist dat [appellante] (en haar man) het schadeverleden van de auto niet kende(n), kan van opzet aan de kant van [appellante] geen sprake zijn. Om die reden dient het beroep op artikel 8 lid 3 polisvoorwaarden (ook) op dit punt te worden verworpen.

4.11. Met betrekking tot punt d, de uitvoering van de auto, overweegt het hof als volgt.

OHRA heeft erkend dat de advertentie die [appellante] heeft overgelegd als (onderdeel van) productie 6 bij de inleidende dagvaarding de onderhavige auto betreft. In deze advertentie staat vermeld dat de auto Highline is uitgevoerd. Het betreft een advertentie van het bedrijf Van Uitert Auto's, van wie [persoon A] de auto heeft gekocht blijkens de eveneens (als onderdeel van) productie 6 opgenomen factuur. Nu OHRA de advertentie noch de inhoud daarvan heeft betwist, zoals blijkt uit het proces-verbaal van comparitie, doch slechts stelt dat de expert die de auto eerder (bij het eerdere schadevoorval in april 2003) heeft gerepareerd, heeft verklaard dat de auto Comfort-line was uitgevoerd, acht het hof de stelling van [appellante] dat het ging om een Highline-uitvoering onvoldoende gemotiveerd betwist. Hetzelfde geldt voor de stelling van [appellante] dat de auto voorzien was van beige lederen bekleding en een navigatiesysteem. [appellante] heeft haar stelling op dit punt onderbouwd met een verklaring van de heer [persoon D] van 6 december 2004 (aangehecht aan het proces-verbaal van comparitie in eerste aanleg), die verklaart:

“Hierbij verklaar ik u dat ik de VOLKSWAGEN GOLF variant met kenteken [kenteken] heb onderhouden op 20-09-2004 (APK klaar moeten maken) met beige leder bekleding en een navigatiesysteem.”

Nu OHRA de verklaring van [persoon D] op zichzelf niet heeft betwist, en [persoon D] de auto blijkens zijn verklaring - anders dan de expert die in 2003 de schade aan de auto heeft hersteld - vlak voor de gestelde diefstal heeft gezien, acht het hof de stellingen van [appellante] op dit punt ook onvoldoende gemotiveerd betwist. OHRA heeft daarmee tevens niet, althans onvoldoende gemotiveerd gesteld dat [appellante] met betrekking tot de uitvoering van de auto opzettelijk misleidende mededelingen heeft gedaan (op welke grond het beroep van OHRA op het arrest van de Hoge Raad van 3 december 2004, NJ 2005, 160, faalt).

Ook ten aanzien van punt d is het hof van oordeel dat er geen grond is voor een beroep op artikel 8 lid 3 polisvoorwaarden.

4.12. Op grond van de voorgaande overwegingen verwerpt het hof het beroep van OHRA op artikel 8 lid 3 polisvoorwaarden.

Heeft de diefstal plaatsgevonden?

4.13. Ten slotte dient te worden beoordeeld of de gestelde diefstal heeft plaatsgevonden. Het ligt op de weg van [appellante] om de diefstal te stellen en te bewijzen. [appellante] stelt terecht dat er daarbij niet te hoge eisen gesteld mogen worden aan dat bewijs. Gelet op de (ook door partijen vermelde) jurisprudentie van de Hoge Raad – Hoge Raad, 11 april 2003, NJ 2004, 568 - kan daartoe onder omstandigheden de enkele aangifte voldoende zijn. In het onderhavige geval is er echter grond om de betrouwbaarheid van de verklaringen van [appellante] te betwijfelen, nu vaststaat dat [appellante] in ieder geval ten aanzien van de herkomst van de auto en de eerdere autodiefstallen onjuiste mededelingen aan OHRA heeft gedaan. [appellante] heeft immers aanvankelijk verklaard dat zij de auto had gekocht van een onbekende persoon, terwijl later is komen vast te staan dat de man van [appellante] [persoon A] wel kende. Verder staat vast dat [appellante] de autodiefstal van 2001 niet aan OHRA heeft gemeld. Om deze reden is het hof van oordeel dat er in dit geval voldoende reden is om niet reeds op grond van de enkele aangifte als vaststaand aan te nemen dat de auto is gestolen. Het hof zal [appellante], conform haar bewijsaanbod, toelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden die de gestelde diefstal voldoende aannemelijk maken.

4.14. Het hof zal een comparitie van partijen gelasten voor het verkrijgen van inlichtingen ten aanzien van de (hoogte van de) schade. Tussen partijen is niet in geschil dat de schade ten gevolge van de gestelde diefstal bestaat uit de dagwaarde van de auto op het moment van de diefstal. Zij verschillen echter van mening over de hoogte van de dagwaarde. Tevens zal de comparitie worden benut om te onderzoek of tussen partijen een minnelijke regeling tot de mogelijkheden behoort.

4.15. Alle overige beslissingen zullen worden aangehouden.

De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

laat [appellante] toe tot het bewijs van feiten en omstandigheden die de gestelde diefstal voldoende aannemelijk maken;

bepaalt dat, indien [appellante] dat bewijs door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr H.C. Frankena, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;

bepaalt dat het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van partijen, van hun advocaten en van de getuigen in de maanden september, oktober en november 2008 zullen worden opgegeven op de rolzitting van 26 augustus 2008, ambtshalve peremptoir, waarna dag en uur van de verhoren (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld en in beginsel geen uitstel in verband met verhinderingen zal worden verleend;

bepaalt dat partijen in persoon dan wel deugdelijk vertegenwoordigd bij het getuigenverhoor aanwezig dienen te zijn opdat hen naar aanleiding van de getuigenverklaringen vragen kunnen worden gesteld;

bepaalt dat er een comparitie zal plaatsvinden na afloop van de getuigenverhoren dan wel, indien er geen getuigenverhoren plaatsvinden, op een nader in overleg met partijen te bepalen tijdstip;

bepaalt dat partijen ([appellante] in persoon en OHRA vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte en tot het geven van de verlangde inlichtingen in staat is en hetzij bevoegd hetzij speciaal schriftelijk gemachtigd is tot het aangaan van een schikking) daartoe tezamen met hun raadslieden zullen verschijnen voor het tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. H.C. Frankena, zulks tot het geven van inlichtingen als onder 4.14 aangegeven en opdat kan worden onderzocht of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;

houdt alle overige beslissingen aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.C. Frankena, H.L. van der Beek en L.P. Broekveldt en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van15 juli 2008.