Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BG1724

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
30-09-2008
Datum publicatie
29-10-2008
Zaaknummer
104.001.173
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

(vervolg van tussenarrest 4 maart 2008)Voorzover de grief de waardering van de in eerste aanleg afgelegde getuigenverklaringen door de rechtbank aan de orde stelt, overweegt het hof als volgt. [appellante] heeft in eerste aanleg verklaard dat zij, omdat dat niet van [persoon A] mocht, aan [geïntimeerde] niet heeft verteld wat het doel van de reis was en dat zij voor het vertrek niet wist of [geïntimeerde] ervan op de hoogte was dat de koffers drugs bevatten. Volgens [appellante] heeft [geïntimeerde] tijdens het proces wel gezegd dat hij van de drugssmokkel wist, maar niet hoe hij aan die wetenschap kwam.

Daartegenover staat de verklaring van [geïntimeerde] dat hij en [persoon A] tijdens het proces hebben verklaard dat zij niet van de drugssmokkel op de hoogte waren.

Gelet op artikel 164 Rv. lid 2 kan de verklaring van partijgetuige [appellante] geen bewijs in haar voordeel opleveren, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. Sprake moet zijn van een begin van bewijs dat zodanig sterk is en zodanig essentiële punten betreft, dat dit de verklaring van de partijgetuige voldoende geloofwaardig maakt (HR 13 april 2001, NJ 2002, 391; HR 31 maart 1995, NJ 1997, 592; HR 10 december 1993, NJ 1994, 667). Uit het hiervoor onder 2.3 - 2.4 overwogene volgt, dat van een zodanig begin van bewijs in dit geval geen sprake is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

30 september 2008

derde civiele kamer

zaaknummer 104.001.173

rolnummer (oud) 05/702

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

advocaat: mr. A.F. van Dam,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appel,

appellant in het incidenteel appel,

advocaat: mr. P.M. Wilmink.

1 Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1 Het hof verwijst naar zijn tussenarrest van 4 maart 2008. Hierin heeft het hof in het principaal hoger beroep [appellante] toegelaten tot bewijs.

1.2 Bij akte van 1 april 2008 heeft [appellante] verklaard geen getuigen te willen horen.

1.3 Vervolgens hebben partijen de stukken aan het hof overgelegd voor het wijzen van arrest.

2 De verdere beoordeling van het hoger beroep

Het principaal hoger beroep

2.1 Het hof verwijst naar zijn tussenarrest van 4 maart 2008, onder 4.4 tot en met 4.6. De eerste grief strekt ten betoge dat de rechtbank in haar eindvonnis van 26 maart 2005 ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellante] niet is geslaagd in het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat [geïntimeerde] wist of had moeten weten dat hij bij de terugreis naar Nederland drugs zou meenemen.

De rechtbank had in haar tussenvonnis van 26 mei 2004 [appellante] overwogen dat [appellante] door [geïntimeerde] niet te waarschuwen voordat hij met de tas met drugs langs de douanecontrole op een Turks vliegveld ging, in beginsel onrechtmatig heeft gehandeld jegens [geïntimeerde]. Volgens de rechtbank wordt dit slechts anders wanneer [appellante] feiten en/of omstandigheden bewijst waaruit kan blijken dat [geïntimeerde] wist of had moeten weten dat hij bij de terugreis vanuit Turkije naar Nederland (een tas met) drugs zou meenemen. Tegen deze beslissing over de bewijslastverdeling en de daaruit voortvloeiende bewijsopdracht zijn geen grieven gericht, zodat ook het hof van deze bewijslastverdeling en bewijsopdracht uit zal gaan.

Na gehouden getuigenverhoren heeft de rechtbank bij eindvonnis van 16 maart 2005 geoordeeld dat [appellante] niet is geslaagd in het opgedragen bewijs.

2.2 Nu [appellante] heeft afgezien van het (door haar aangeboden) aanvullend bewijs, zal het hof aan de hand van de stukken opnieuw beoordelen of [appellante] is geslaagd in het haar opgedragen bewijs.

2.3 Het hof overweegt als volgt.

[appellante] erkent dat zij [geïntimeerde] niet op de hoogte heeft gesteld van de drugssmokkel. Volgens haar had [geïntimeerde] echter moeten weten dat [appellante] gezien haar, aan [geïntimeerde] bekende, financiële situatie, nimmer zomaar een gratis reis aan [geïntimeerde] en [persoon A] had kunnen aanbieden. Hiertegenover staan evenwel de verklaring van [geïntimeerde] en de schriftelijke verklaring van [persoon A], dat [appellante] had verteld dat zij tolk was en in Turkije als reisleidster werkte en dat zij ‘s zomers veel werkte en daardoor bonussen verdiende en dan mensen mee mocht nemen. [appellante] heeft deze verklaringen op dit onderdeel niet (gemotiveerd) betwist, zodat het hof ervan uitgaat dat [appellante] deze mededelingen heeft gedaan. Voorts had [appellante] met het oog op deze verklaringen haar desbetreffende, ook in eerste aanleg aangevoerde (en betwiste) stelling nader moeten onderbouwen, hetgeen zij heeft nagelaten. Het hof gaat derhalve aan de hiervoor genoemde stelling van [appellante] voorbij.

2.4 Veronderstellenderwijs aangenomen dat, zoals [appellante] daarnaast stelt, het [geïntimeerde] bij de terugreis had moeten opvallen dat de koffers erg zwaar waren, vormt dit naar het oordeel van het hof op zichzelf genomen nog geen bewijs dat [geïntimeerde] wist of had moeten weten dat de koffers drugs bevatten.

Anders dan [appellante] voorts stelt, volgt evenmin uit de bij conclusie in repliek overgelegde krantenartikelen dat [geïntimeerde] destijds wist of had moeten weten dat hij drugs zou terugnemen uit Turkije. Het eerste artikel vermeldt dat volgens Nova uit de Turkse politieverhoren blijkt dat [persoon A] vooraf wetenschap van de heroïnesmokkel zou hebben gehad en alleen dat haar vriend vermoedde dat er iets niet in de haak was. Het tweede overgelegde krantenartikel bevat een weergave in Tubantia van een interview met [appellante], waarin zij heeft verklaard dat [geïntimeerde] onwetend was gehouden van de ‘vakantiemissie’. Het derde overgelegde krantenartikel (uit het Wegener digitaal archief) tenslotte, vermeldt dat [appellante] haar moeder had geschreven dat [persoon A] wel, maar [geïntimeerde] niet op de hoogte was van de smokkel en dat [geïntimeerde] volgens de verhoorverslagen wist dat ze iets zouden meenemen in ruil voor geld, maar niet precies wat.

Ook daaruit volgt naar het oordeel van het hof niet dat [geïntimeerde] wist of moest weten dat hij drugs zou smokkelen.

De stelling van [appellante] dat zij alleen op advies van haar Turkse advocaat in het strafproces de schuld op zich had genomen, is in eerste aanleg door [geïntimeerde] betwist. [appellante] heeft deze stelling vervolgens in hoger beroep niet meer nader feitelijk onderbouwd, zodat het hof hieraan voorbijgaat.

2.5 Voorzover de grief de waardering van de in eerste aanleg afgelegde getuigenverklaringen door de rechtbank aan de orde stelt, overweegt het hof als volgt. [appellante] heeft in eerste aanleg verklaard dat zij, omdat dat niet van [persoon A] mocht, aan [geïntimeerde] niet heeft verteld wat het doel van de reis was en dat zij voor het vertrek niet wist of [geïntimeerde] ervan op de hoogte was dat de koffers drugs bevatten. Volgens [appellante] heeft [geïntimeerde] tijdens het proces wel gezegd dat hij van de drugssmokkel wist, maar niet hoe hij aan die wetenschap kwam.

Daartegenover staat de verklaring van [geïntimeerde] dat hij en [persoon A] tijdens het proces hebben verklaard dat zij niet van de drugssmokkel op de hoogte waren.

Gelet op artikel 164 Rv. lid 2 kan de verklaring van partijgetuige [appellante] geen bewijs in haar voordeel opleveren, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. Sprake moet zijn van een begin van bewijs dat zodanig sterk is en zodanig essentiële punten betreft, dat dit de verklaring van de partijgetuige voldoende geloofwaardig maakt (HR 13 april 2001, NJ 2002, 391; HR 31 maart 1995, NJ 1997, 592; HR 10 december 1993, NJ 1994, 667). Uit het hiervoor onder 2.3 - 2.4 overwogene volgt, dat van een zodanig begin van bewijs in dit geval geen sprake is.

2.6 De conclusie is dat [appellante] niet is geslaagd in het opgedragen bewijs.

2.7 Daarnaast komt [appellante] onder de eerste grief op tegen de toewijzing door de rechtbank van de door [geïntimeerde] gevorderde, met betrekking tot de strafrechtelijke procedure gemaakte, proceskosten.

Volgens [appellante] had [geïntimeerde] kunnen procederen op basis van gefinancierde rechtshulp, maar heeft hij dat bewust achterwege gelaten zodat hij onnodig kosten heeft veroorzaakt. Deze dienen niet ten laste van [appellante] te komen. Voorts had [geïntimeerde] andere bronnen van inkomsten op grond van de landelijke inzamelactie en was slechts sprake van een niet inbare vordering op [geïntimeerde] voor de kosten van de rechtsbijstand, aldus [appellante].

Het hof oordeelt hierover als volgt.

2.8 [geïntimeerde] heeft onbetwist aangevoerd dat hij via de stichting “Help de Hennies” in de Turkse gevangenis slechts een paar honderd euro heeft ontvangen.

[geïntimeerde] heeft onbetwist aangevoerd dat hij via de stichting “Help de Hennies in de Turkse gevangenis” slechts een paar honderd euro heeft ontvangen. Verder blijkt uit de brief van 28 maart 2003 van rechtspraktijk Drost B.V. dat het kantoor een bedrag van € 17.209,- heeft voorgeschoten voor kosten van de Turkse advocaten, de reis- en verblijfkosten, verschotten en de kosten voor de Nederlandse advocaat van [geïntimeerde]. Deze kosten zullen aan [geïntimeerde] in rekening worden gebracht indien, na een veroordeling daartoe, deze door [appellante] daadwerkelijk aan [geïntimeerde] zijn betaald, aldus de brief.

Het enkele feit dat deze kosten nog niet door [geïntimeerde] aan Drost voornoemd zijn betaald, maakt dat niet anders. Dat [geïntimeerde] deze kosten pas hoeft te betalen indien hij deze vergoed heeft gekregen van [appellante], leidt niet tot de conclusie dat er primair sprake is van een natuurlijke verbintenis zoals [appellante] stelt. Uit voornoemde brief blijkt eerder sprake te zijn van, primair, een opschortende voorwaarde. Niet valt in te zien dat Drost en/of [geïntimeerde] de gevorderde schade zouden moeten dragen die veroorzaakt is door het onrechtmatig handelen van [appellante].

De gevorderde (straf)procesrechtelijke kosten staan in causaal verband met de door [appellante] gepleegde onrechtmatige daad en zijn aan haar toerekenbaar op de voet van art. 6:98 BW.

De omvang van de gevorderde proceskosten is – ook in hoger beroep – niet door [appellante] betwist, zodat de omvang van deze schadepost vaststaat. Naar ook de rechtbank heeft overwogen, volgt uit artikel 12 lid 1 Wet op de Rechtsbijstand dat, zoals [geïntimeerde] ook heeft gesteld, voor deze kosten voor de buitenlandse strafrechtelijke procedure geen recht bestond op gefinancierde rechtshulp. Het desbetreffende betoog van [appellante] faalt derhalve.

De vordering voor de kosten van rechtsbijstand in de strafprocedure in Turkije, ad € 17.209,-, is derhalve toewijsbaar.

2.9 De tweede grief is een veeggrief zonder zelfstandige betekenis; zij behoeft na het voorgaande geen verdere bespreking.

Het incidenteel hoger beroep

2.10 Het incidenteel hoger beroep is gericht tegen de beslissing van de rechtbank om het gevorderde smartengeld gedeeltelijk toe te wijzen. De rechtbank heeft in haar eindvonnis van 16 maart 2005 (rov. 6) geoordeeld dat haar niet duidelijk is geworden onder welke omstandigheden [geïntimeerde] exact in Turkije gedetineerd is geweest. Vervolgens heeft de rechtbank bij haar vaststelling van de schadevergoeding ex art. 6:106 BW de maatstaven voor vergoeding van onterechte detentie met beperkingen toegepast, “dus onder zware omstandigheden”, aldus de rechtbank.

De incidentele grief houdt in dat de rechtbank ten onrechte bij de vaststelling van de hoogte van het smartengeld de Nederlandse maatstaven voor onterechte detentie in beperking ex artikel 89 Sr heeft gehanteerd, nu een detentie in Turkije beduidend zwaarder moet worden geacht. Daarnaast moet de uitwerking van de onterechte detentie op de gezondheid van [geïntimeerde] in de overwegingen worden betrokken.

2.11 Op grond van art. 6:106 lid 1 BW heeft de benadeelde (hier: [geïntimeerde]) voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat (smartengeld) recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, indien hij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast (sub b).Voor de bepaling van de omvang van de schadevergoeding tellen alle omstandigheden van het onderhavige geval mee.

[geïntimeerde] heeft in hoger beroep de omstandigheden in Turkse detentie nader onderbouwd en onbetwist het volgende aangevoerd: hij lijdt als gevolg van de detentie ondermeer aan slapeloosheid, angstdromen en depressiviteit. Hij is het vertrouwen in de mensheid kwijtgeraakt en durft niet meer naar het buitenland te reizen. Het gevangenisregime in Turkije is bijzonder zwaar geweest: “je hebt geen eigen cel maar leeft in een groep”. Tussen de leden van de groepen vinden (soms ernstige) gewelddadigheden plaats. De voeding is er bijzonder slecht. [geïntimeerde] kwam ondervoed en met vitaminegebrek uit detentie. Door de reisafstand tussen Nederland en Turkije is hij letterlijk afgesloten geweest van frequent bezoek vanuit Nederland; hij voelde zich hulpeloos en machteloos.

[geïntimeerde] voelt zich niet in staat een volledig(er) relaas te doen van zijn ervaringen in de Turkse gevangenis en de gevolgen daarvan; hij ervaart dat als een zware psychische belasting.

2.12 Naar Nederlandse maatstaven wordt, op de voet van art. 89 Sv, voor onterechte vrijheidsbeneming (onder zwaar regime) een standaardtarief gehanteerd van ongeveer € 95,- per dag. De door [geïntimeerde] geschetste omstandigheden waaronder hij zijn detentie heeft (moeten) ondergaan zijn naar het hof niet vergelijkbaar met de hiervoor genoemde standaardvergoeding. Gelet op het psychisch lijden van [geïntimeerde] en de duur van de detentie die hij in het buitenland moest ondergaan (van 31 maart 1998 tot 26 januari 2000) oordeelt het hof een vergoeding van € 150,- per dag een billijke vergoeding. Aldus is een schadebedrag van € 99.900,- toewijsbaar.

3. Slotsom

In het principaal en incidenteel hoger beroep:

De principale grieven falen en de incidentele grief slaagt. Het hof zal het eindvonnis van de rechtbank vernietigen, voorzover de rechtbank daarin de gevorderde immateriële schade heeft toegewezen tot een bedrag van € 70.000,- en deze vordering toewijzen tot het onder 2.12 genoemde bedrag, en voor het overige dit vonnis bekrachtigen.

[appellante] zal als in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het principaal en het incidenteel hoger beroep.

De beslissing

Het hof, recht doende in het principaal en het incidenteel appel:

- vernietigt het vonnis van de rechtbank Almelo van 16 maart 2005 voorzover [appellante] daarin is veroordeeld tot betaling van € 87.209,-, met rente vanaf 28 maart 2003 tot aan de algehele dag der voldoening en, opnieuw recht doende:

- veroordeelt [appellante] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geïntimeerde] te betalen de som van (€ 99.900,- + € 17.209 =) € 117.109,-, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 28 maart 2003 tot aan de dag der algehele voldoening;

- bekrachtigt dat vonnis voor het overige;

- veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 3.948,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 1100,- voor griffierecht;

- verklaart dit arrest wat betreft vorenstaande veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. Dozy, R.J.J. Van Acht en B.J. Lenselink en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 september 2008.