Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BG1697

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
01-08-2008
Datum publicatie
28-10-2008
Zaaknummer
Avnr:10361
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Geen hogere vergoeding dan gebruikelijke ter zake publiciteitsschade en gemiste toeslag over overuren, nu de door appellant gestelde schade die daartoe zou nopen, niet zo zeer het gevolg is van de ondergane verzekering als wel van de verdenking en vervolging ter zake van het aan die verzekering ten grondslag liggende strafbare feit

Geen vergoeding voor het extra gebruik door appellant van zijn personenauto, nu onvoldoende is komen vast te staan dat deze kosten in direct causaal verband staan tot de door appellant ondergane verzekering.

Gelet op het feit dat appellant als politieambtenaar werkzaam is, acht het hof gronden van billijkheid aanwezig om aan appellant een hogere vergoeding toe te kennen dan de standaardvergoeding die pleegt te worden toegekend voor de schade welke tengevolge van de ondergane verzekering is geleden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE ARNHEM

Pkn: 08/000139-04

Avnr: 10361

Het gerechtshof Arnhem heeft te beslissen op het hoger beroep ingesteld door

[naam appellant],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres appellant],

hierna te noemen appellant.

Het hoger beroep is ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Almelo van 14 december 2005 houdende de beslissing op een verzoek ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering.

Het hof heeft gehoord in openbare raadkamer van 6 juni 2006 de advocaat-generaal en verzoeker, bijgestaan door mr [naam raadsvrouw], advocaat te [plaatsnaam].

Het hof heeft kennis genomen van:

- het verzoekschrift van appellant, ingekomen op 21 september 2005 ter griffie van de rechtbank Almelo;

- het proces-verbaal van de behandeling van het verzoek door de rechtbank;

- voormelde beschikking van de rechtbank;

- de akte van beroep van 28 december 2005, opgemaakt door de griffier van de rechtbank te Almelo, waarbij namens appellant hoger beroep werd ingesteld tegen voormelde beschikking;

- de overige zich in het dossier bevindende stukken.

OVERWEGINGEN

1. Het hoger beroep is tijdig ingesteld.

2. Bij de beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank beslist dat slechts voor toewijzing vatbaar zijn de kosten voor het indienen en de behandeling van de verzoekschriften ex artikel 89 en 591a van het Wetboek van Strafvordering.

3. Namens appellant is als grief tegen de beschikking van de rechtbank aangevoerd dat de beschikking van de rechtbank dient te worden vernietigd en de kosten rechtsbijstand en de reis- en verblijfkosten alsnog dienen te worden toegewezen.

4. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beschikking waarvan beroep en tot toewijzing van de reiskosten, die appellant ten behoeve van het onderzoek en de behandeling van de strafzaak heeft gemaakt, en de kosten verbonden aan het indienen en de behandeling van het verzoekschrift.

5. Ingevolge artikel 591 van het Wetboek van Strafvordering wordt aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen, op een verzoek ingediend binnen drie maanden na beëindiging van de zaak, uit 's Rijks kas een vergoeding toegekend voor de kosten, welke ingevolge het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde ten laste van de gewezen verdachte zijn gekomen, voor zover de aanwending dier kosten het belang van het onderzoek heeft gediend of door de intrekking van dagvaardingen of rechtsmiddelen door het openbaar ministerie nutteloos is geworden.

6. Het inleidende verzoekschrift omvat mede de kosten van de aanschaf van 1 pak kopieerpapier. Naar het oordeel van het hof betreffen deze kosten geen kosten van de raadsman in de zin van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering. Deze kosten zijn naar hun aard aan te merken als kosten die zijn gemaakt in het belang van het onderzoek in de zin van artikel 591 van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank heeft in haar beschikking deze kosten als zijnde reis- en verblijfkosten afgewezen. De beslissing op een verzoek ex artikel 591 van het Wetboek van Strafvordering is een beschikking in de zin van artikel 138 van dat wetboek, waartegen ingevolge artikel 445 van dat wetboek geen hoger beroep of beroep in cassatie openstaat. Appellant is dan ook niet ontvankelijk in het hoger beroep voor zover dat betrekking heeft op bovenstaande kosten.

7. Ingevolge artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering kan, indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, aan de gewezen ver-dachte of zijn erfgenamen, op een verzoek ingediend binnen drie maanden na beëindiging van de zaak, uit 's Rijks kas een vergoeding worden toegekend in de kosten van een raadsman.

Op grond van artikel 90, eerste lid, van genoemde wet heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

8. Appellant heeft in zijn verzoekschrift opgegeven dat in de strafzaak de kosten van rechtsbijstand € 17.268,60 (inclusief BTW) hebben bedragen. Bij de behandeling in raadkamer is gebleken dat door de raadsvrouw aan appellant geen kosten in rekening zijn gebracht. De werkgever van appellant heeft toegezegd de kosten van rechtsbijstand te betalen. Voorts is er een civiele procedure door appellant opgestart om de ontbrekende kosten door zijn werkgever betaald te krijgen. Naar het oordeel van het hof kan alleen dan van kosten van de raadsman in de zin van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering worden gesproken als deze ten laste van de verdachte zijn gekomen. Nu dat niet het geval is, moet het verzoek in zoverre worden afgewezen.

9. Op 9 november 2005 heeft de raadsvrouw tijdens de behandeling in openbare raadkamer, na het verstrijken van de termijn van drie maanden genoemd in artikel 591, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, een aanvullend verzoekschrift ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering ingediend. Nu dit verzoek niet binnen de wettelijke termijn is ingediend, zal het hof appellant niet-ontvankelijk verklaren in het aanvullende verzoek.

10. Appellant heeft voorts verzocht om vergoeding van ten behoeve van het onderzoek en de behandeling van de zaak gemaakt reiskosten. Voor vergoeding op die voet komen in aanmerking de reizen van [woonplaats appellant] naar de rechtbank te Almelo voor getuigenverhoren en voor de behandeling van de strafzaak.

Gelet op het bepaalde bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken kunnen deze kosten worden toegekend op basis van het tarief openbaar vervoer 2e klasse. Dat leidt tot toekenning van een bedrag van € 72,-.

Niet voor vergoeding op de voet van de artikelen 591 en 591a van het Wetboek van Strafvordering komen in aanmerking de reiskosten voor de bezoeken aan het politiebureau te [plaatsnaam] en voor de besprekingen met zijn raadsvrouw. Het verzoek wordt in zoverre afgewezen.

11. Het hof is van oordeel dat, gelet op de landelijke aanbeveling inzake verzoekschriften ex de artikelen 89, 591 en 591a van het Wetboek van Strafvordering en de omstandigheid dat het verzoekschrift door twee instanties is behandeld, de vergoeding voor de kosten verbonden aan het indienen en de behandeling van het verzoekschrift dient te worden gesteld op € 810, (inclusief BTW).

12. Het hof zal gelet op het hiervoor overwogene de beschikking van de rechtbank vernietigen en opnieuw rechtdoen.

BESCHIKKENDE

Het hof:

- verklaart appellant niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep voor zover dat betreft de in de beschikking waarvan beroep toegewezen kosten in de zin van artikel 591 van het Wetboek van Strafvordering;

- vernietigt de beschikking waarvan beroep en kent aan appellant toe op gronden als hiervoor omschreven een vergoeding uit ’s Rijks kas ten bedrage van

€ 882,- (achthonderdtweeëntachtig euro) en gelast de tenuitvoerlegging daarvan;

- verklaart appellant niet-ontvankelijk in het aanvullende verzoek;

- wijst af het meer of anders verzochte;

- beveelt de griffier van het gerechtshof te Arnhem om een bedrag groot € 72,- over te maken op een door appellant op te geven bank- of girorekening;

- beveelt de griffier van het gerechtshof te Arnhem om een bedrag groot € 810,- over te maken op de bank- of girorekening van de raadsvrouw van verzoeker

Deze beschikking is gegeven te Arnhem door mrs E.A.K.G. Ruys, voorzitter,

A.G. Coumans en E. van der Herberg, raadsheren, in tegenwoordigheid van J.R.M. Roetgerink, griffier, ondertekend door de voorzitter, zijnde de griffier buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen, en uitgesproken ter openbare zitting van

1 augustus 2006.