Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BG1569

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
24-06-2008
Datum publicatie
28-10-2008
Zaaknummer
104.000.105
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof heeft in dat tussenarrest (sub 4.7) in dat verband overwogen dat het behoefte heeft aan nadere voorlichting door een deskundige over de vraag of een redelijk handelend eigenaresse van een hengst, ware zij geïnformeerd over de aan de onbedekte methode verbonden risico’s, niet voor deze behandeling zou hebben gekozen. Het hof heeft aldaar bovendien overwogen dat het tevens behoefte heeft aan deskundige voorlichting omtrent de stelling van [geïntimeerde] dat het bij toepassing van de (half)bedekte methode voorkomt dat paarden niet uit de narcose komen en dat paarden ten gevolge van het kluisteren gebroken benen oplopen en dienen te worden afgemaakt, en dat derhalve, indien [appellante] zou hebben gekozen voor de (half)bedekte methode, de kans op een zelfde afloop zou hebben bestaan.

In het tussenarrest van 5 december 2006 heeft het hof dr. W.R. Klein, werkzaam aan de Faculteit der diergeneeskunde, departement Gezondheidszorg Paard van de Universiteit Utrecht, tot deskundige benoemd en aan deze tien vragen ter beantwoording voorgelegd. De antwoorden van deze deskundige zijn neergelegd in diens bericht met bijlagen, gedateerd 2 april 2007.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

24 juni 2008

tweede civiele kamer

zaaknummer 104.000.105/01

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellante ],

wonende te [woonplaats],

appellante,

procureur: mr. C.G.Th van Ouwerkerk,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

procureur: mr. J.H. van Vliet.

1 Het verdere verloop van het geding

1.1 Het hof verwijst naar zijn tussenarresten van 12 juli 2005, 18 oktober 2005 en 5 december 2006. De bij laatstgenoemd tussenarrest door het hof benoemde deskundige, dr. W.R. Klein, heeft een schriftelijk deskundigenbericht opgesteld, gedateerd 2 april 2007. Dit deskundigenbericht is aan het hof en aan partijen toegezonden en bevindt zich in afschrift bij de stukken.

1.2 Vervolgens hebben [appellante] en [geïntimeerde] elk een conclusie na deskundigenbericht genomen, waarna [appellante] nog een akte houdende uitlatingen productie heeft genomen.

1.3 Ten slotte heeft [geïntimeerde] wederom zijn processtukken aan het hof overgelegd voor het wijzen van arrest.

2 De verdere beoordeling van het geschil in hoger beroep

2.1 In het tussenarrest van 12 juli 2005 heeft het hof (sub 4.3) overwogen dat uit het – in zoverre onbestreden - bericht van de door de rechtbank benoemde deskundige, dr. M.A. van der Velden, Specialist Chirurgie Paard van de Faculteit der Diergeneeskunde, Hoofdafdeling Gezondheidszorg Paard, van de Universiteit Utrecht, blijkt dat, hoewel de kans klein is dat na toepassing van de onbedekte methode een darmprolaps optreedt -volgens dr. Van der Velden 0,8 tot 3% - die complicatie vrijwel altijd een fatale afloop heeft indien niet tijdig deskundig wordt opgetreden, en dat, onder meer vanwege dat risico de (half)bedekte methode is ontwikkeld, waarbij de kans op een darmprolaps vrijwel nihil is. Het hof heeft om die reden geoordeeld dat van een redelijk handelend en redelijk vakbekwaam castreur mag worden verwacht dat hij (alvorens de onbedekte methode toe te passen) de opdrachtgever op dat risico en in dat kader op het bestaan van het alternatief, de (half)bedekte methode wijst. Het hof heeft (sub 4.5) geconcludeerd dat [geïntimeerde], nu hij [appellante] niet daaromtrent heeft geïnformeerd, niet aan zijn informatieplicht heeft voldaan.

In dat tussenarrest heeft het hof voorts (sub 4.6) overwogen dat daarmee ter beantwoording voorligt de vraag of de door [appellante] gestelde geleden schade het gevolg is (in de zin van conditio sine qua non-verband) van het niet voldoen door [geïntimeerde] aan die informatieplicht. Het hof heeft overwogen dat [appellante] dient te bewijzen dat zij, indien zij voldoende zou zijn ingelicht, als redelijk handelend opdrachtgeefster c.q. eigenaresse van een hengst en/of om redenen van persoonlijke aard, niet voor castratie door middel van de onbedekte methode zou hebben gekozen.

2.2 Het hof heeft in dat tussenarrest (sub 4.7) in dat verband overwogen dat het behoefte heeft aan nadere voorlichting door een deskundige over de vraag of een redelijk handelend eigenaresse van een hengst, ware zij geïnformeerd over de aan de onbedekte methode verbonden risico’s, niet voor deze behandeling zou hebben gekozen. Het hof heeft aldaar bovendien overwogen dat het tevens behoefte heeft aan deskundige voorlichting omtrent de stelling van [geïntimeerde] dat het bij toepassing van de (half)bedekte methode voorkomt dat paarden niet uit de narcose komen en dat paarden ten gevolge van het kluisteren gebroken benen oplopen en dienen te worden afgemaakt, en dat derhalve, indien [appellante] zou hebben gekozen voor de (half)bedekte methode, de kans op een zelfde afloop zou hebben bestaan.

In het tussenarrest van 5 december 2006 heeft het hof dr. W.R. Klein, werkzaam aan de Faculteit der diergeneeskunde, departement Gezondheidszorg Paard van de Universiteit Utrecht, tot deskundige benoemd en aan deze tien vragen ter beantwoording voorgelegd. De antwoorden van deze deskundige zijn neergelegd in diens bericht met bijlagen, gedateerd 2 april 2007.

2.3 Het voorgaande brengt mee dat het hof niet meer zal ingaan op de stelling van [geïntimeerde] in zijn conclusie na deskundigenbericht in hoger beroep dat hij wel aan zijn informatieplicht heeft voldaan en op hetgeen hij aldaar (sub 6) ter onderbouwing daarvan nog heeft aangevoerd. Er zijn geen bijzondere feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die voor het hof aanleiding vormen om van zijn beslissing ter zake terug te komen. Het in die conclusie (sub 6) door [geïntimeerde] opnieuw genoemde feit dat hij met [appellante] wel degelijk over de risico’s van de onbedekte methode heeft gesproken in die zin dat daaraan geen noemenswaardige risico’s zijn verbonden - welk feit in het tussenarrest van 12 juli 2005 (sub 3.4) als vaststaand is vermeld - heeft het hof mede in aanmerking genomen bij het nemen van zijn beslissing dat [geïntimeerde] niet aan zijn informatieverplichting heeft voldaan.

Het hof zal thans, mede aan de hand van de inhoud van het deskundigenbericht met bijlagen van dr. Klein, overgaan tot beantwoording van de vraag of een redelijk handelend opdrachtgeefster c.q. eigenaresse van een hengst, indien zij voldoende zou zijn ingelicht, niet voor castratie door middel van de onbedekte methode zou hebben gekozen.

2.4 In zijn antwoord op vraag 5 heeft dr. Klein geconcludeerd dat in zijn opvatting de castreur in 1998 de onbedekte methode niet meer had moeten gebruiken, en dat de castreur, als hij dat toch wilde, de eigenaar had moeten waarschuwen voor de risico’s.

[geïntimeerde] heeft in zijn conclusie na deskundigenbericht (sub 2) aangevoerd dat de deskundige die conclusie baseert op de (Nederlandse) veterinaire litteratuur en de daarin vermelde statistische gegevens. Volgens hem zijn echter die litteratuur en die statistische gegevens gebaseerd op castraties, uitgevoerd door dierenartsen. Opmerking verdient in dit verband dat tussen partijen vaststaat dat [geïntimeerde] gediplomeerd veeverloskundige en castreur is (inl. dagv. sub 1 en cva sub 2). [geïntimeerde] wijst erop dat niet is onderzocht wat de stelling van castreurs in deze is, terwijl het in dit geding erom gaat wat van een redelijk handelend en redelijk bekwaam castreur mag worden verwacht.

2.5 Het hof wijst erop dat in (het antwoord op) de derde vraag van het hof mede aan de orde wordt gesteld hetgeen bij castreurs bekend was of behoorde te zijn omtrent de risico’s van de te kiezen castratiemethodes en de daarmee verband houdende informatieplicht. Deze vraag luidde als volgt.

“Wat was in 1998 de gangbare opinie in de (veterinaire) wetenschap aangaande de aanvaardbaarheid van de toepassing van de onbedekte methode en de (half)-bedekte methode?”.

Dr. Klein heeft hierop, onder verwijzing naar bijlagen waaruit dat blijkt, geantwoord dat in 1989 in de Nederlandse veterinaire litteratuur en in 1987 in de Duitse litteratuur duidelijk stelling is genomen tegen het uitvoeren van een onbedekte castratie. Hij heeft erop gewezen dat bij de onbedekte castratie de frequentie van een darm- of omentumprolaps acht keer hoger was dan bij een halfbedekte castratie met ligatuur.

Volgens dr. Klein heeft de discussie inzake de te gebruiken methode ook de paardenpers bereikt. Ter staving van die stelling heeft hij bij zijn bericht (als bijlage 4) een kopie gevoegd van een artikel uit de Boerderij van 8 oktober 1996 van de hand van dr. M.A. van der Velden, Vakgroep Algemene Heelkunde en Heelkunde der Grote Huisdieren. Het hof gaat ervan uit dat deze auteur dezelfde persoon is als die, welke het in opdracht van de rechtbank opgemaakte deskundigenbericht heeft opgesteld. Dr. Van der Velden heeft in dat artikel uiteengezet dat de onbedekte methode weliswaar gemakkelijker uitvoerbaar is, minder tijd vergt en ook minder weefselbeschadiging veroorzaakt dan de halfbedekte methode, zodat daarbij de kans op complicaties na de castratie in het kader van een gestoorde wondgenezing kleiner is dan na een halfbedekte castratie, maar dat na een onbedekte castratie een - zij het kleine - kans bestaat op een darmprolaps, terwijl bij een goed uitgevoerde halfbedekte castratie geen darmprolaps kan ontstaan en dat, hoewel darmprolaps de minst vaak optredende complicatie is, het wel als de meest gevreesde moet worden beschouwd. Hij heeft erop gewezen dat, omdat aan het voorkomen van deze levensbedreigende complicatie de hoogste prioriteit moet worden toegekend, in de Faculteit der Diergeneeskunde in Utrecht de halfbedekte methode met gebruik van een ligatuur als de meest veilige methode wordt beschouwd en aan de studenten als zodanig wordt onderwezen. Naar dr. Van der Velden in dat artikel verder nog heeft gesteld, zijn de complicaties in het kader van een gestoorde wondgenezing ook bij een halfbedekte castratie tot een aanvaarbaar minimum te beperken wanneer de castratie op een deskundige wijze wordt uitgevoerd. Zijn conclusie in dat artikel luidt dat bij de “huidige” stand van zaken betreffende kennis en kunde op het gebied van de diergeneeskunde en rekening houdend met onze verantwoordelijkheid tegenover het dier, voor de castratie van een hengst onder praktijkomstandigheden moet worden gekozen voor de halfbedekte methode en dat het verrichten van een onbedekte castratie “thans” als een kunstfout dient te worden beschouwd, tenzij het gebeurt op uitdrukkelijk verzoek van de eigenaar, nadat deze gewezen is op het aan deze castratiemethode verbonden risico van darmprolaps.

2.6 [geïntimeerde] heeft in zijn conclusie na deskundigenbericht in hoger beroep niet als zodanig bestreden dat in 1998 de discussie omtrent de risico’s van de te kiezen castratiemethodes en daarmee verband houdende informatieplicht ook de paardenpers had bereikt. Hij heeft bij die conclusie (als prod. 1) nog wel een lesbrief overgelegd van M.A. van der Velden, Hoofdafdeling Gezondheidszorg Paard, Discipline Heelkunde, te Utrecht, van maart 2000. Het hof gaat ervan uit dat ook de auteur van deze lesbrief dezelfde persoon is als die, welke het in opdracht van de rechtbank opgemaakte deskundigenrapport heeft opgesteld en als die, van wiens hand het voormelde artikel in de Boerderij van 8 oktober 1996 is. [geïntimeerde] wijst erop dat in die lesbrief te lezen is dat bij de gesloten methode de kans op infectie, ophoping van wondvocht en zwelling in het wondgebied veel groter is dan bij de onbedekte methode en dat daarom de onbedekte methode wordt aangemerkt als de methode met de minste pijn en ongerief voor het dier.

Het hof overweegt daaromtrent dat in die lesbrief (op p. 10 en 11) tevens erop wordt gewezen dat het aan de onbedekte methode verbonden risico van een darmprolaps direct een levensbedreigende situatie vormt en dat dit risico weliswaar klein is maar beslist niet nul en dat het argument dat bij de onbedekte methode (bijna) nooit problemen optreden bij de wondgenezing geen reden mag zijn om aan de onbedekte methode de voorkeur te geven, maar dat eerder omgekeerd moet worden geredeneerd. Bovendien wordt volgens die lesbrief de kans op problemen met de wondgenezing na een halfbedekte castratie tot een alleszins aanvaardbaar minimum teruggebracht indien die op de juiste wijze wordt uitgevoerd en vlot wordt doorgewerkt.

Hoewel dr. Van der Velden in de overgelegde pagina’s van de lesbrief (nu daarin een conclusie en een als zodanig herkenbaar slot van de lesbrief ontbreken, is voor het hof niet duidelijk of de gehele lesbrief is overgelegd) niet expliciet de onbedekte methode verwerpt, begrijpt het hof onder meer uit de hierboven aangehaalde passages dat hij aan de halfbedekte castratiemethode de voorkeur geeft. Bovendien geldt dat, zoals uit het voorgaande volgt, uit de discussie in de paardenpers aan castreurs al bekend was of behoorde te zijn welke opvatting ter zake bij dr. Van der Velden of, meer in het algemeen, in de Nederlandse veterinaire litteratuur, althans de Universiteit Utrecht leefde.

2.7 Op de vraag van het hof (vraag 4) of in 1998 de handelwijze in de praktijk strookte met de toen gangbare opinie in de (veterinaire) wetenschap, antwoordde dr. Klein dat er tussen 1983 en 2002 sprake was van een duidelijke afname van het aantal onbedekte castraties. In dit verband is ook van belang (het antwoord op) de eerste vraag. Deze luidde als volgt.

“Kunt u - zoveel mogelijk onderbouwd met statistische gegevens – aangeven hoe vaak de onbedekte methode en de (half)bedekte methode werd toegepast in 1998”.

Dr. Klein heeft geantwoord dat over het jaar 1998 geen exacte cijfers bekend zijn, doch dat een in 1983 gepubliceerde enquête onder dierenartsen liet zien dat 50% van de dierenartsen onbedekt castreerde, alsmede dat uit een in 2002 onder dierenartsen gehouden enquête bleek dat in 2002 nog 13% van de castraties (244 van de 1820) door de geënquêteerde dierenartsen onbedekt werd uitgevoerd. Gegevens over de castraties door castreurs waren de deskundige niet bekend.

2.8 In zijn conclusie na deskundigenbericht in hoger beroep (sub 5) voert [geïntimeerde] aan dat de stelling van de deskundige dat in 2002 nog slechts 13% van de castraties onbedekt werd uitgevoerd, geen stand kan houden omdat het onderzoek waarop de deskundige die stelling baseert, is uitgevoerd onder dierenartsen, terwijl de meeste castraties worden uitgevoerd door castreurs, bij wie de onbedekte methode nog vaak wordt toegepast. In diezelfde conclusie (sub 4) heeft hij aangevoerd dat uit de praktijk blijkt dat dierenartsen relatief weinig castraties uitvoeren.

Volgens [geïntimeerde] blijkt het feit dat dierenartsen relatief weinig castraties uitvoeren onder meer uit de statische gegevens van bijlage 1 bij het deskundigenbericht. Deze bijlage is een artikel in het Tijdschrift Diergeneeskunde, deel 108, aflevering 18, 1983, van drs. H.W. Merkens en drs. L.J.E. Rutgers, Vakgroep Algemene Heelkunde en Heelkunde der Grote Huisdieren, Faculteit der Diergeneeskunde, Utrecht, met de titel “Een inventarisatie van de castratie van de hengst aan de hand van een enquête gehouden onder Nederlandse dierenartsen”.

Het hof overweegt dat volgens (de inleiding van) dat artikel in 1979 30.000 merries werden gedekt en dat daarvan uitgaande jaarlijks 10 à 11.000 hengstveulens worden geboren, waarvan 50 à 60% wordt gecastreerd. Dat impliceert dat dan jaarlijks 5.000 tot 6.600 hengstveulens worden gecastreerd. In die inleiding is voorts vermeld dat, om een indruk te krijgen omtrent de wijze waarop in Nederland door dierenartsen onder praktijkomstandigheden wordt gecastreerd en welke postoperatieve complicaties daarbij worden gezien, een landelijke enquête is gehouden. Daartoe is, zoals onder “MATERIAAL EN METHODE” is aangegeven, in juni 1981 aan de 670 leden van de Groep Praktici Grote Huisdieren van de K.N.M.v.D. een enquêteformulier toegezonden.

Het hof begrijpt hieruit dat het bij deze enquête gaat om castraties door dierenartsen onder praktijkomstandigheden en dat aan alle leden van de Groep Praktici Grote Huisdieren van de K.N.M.v.D. een enquêteformulier is toegezonden.

Het hof neemt voorts aan dat deze enquête de in 1983 gepubliceerde enquête onder dierenartsen is, waarnaar de deskundige in zijn rapport verwijst.

2.9 Het artikel vermeldt onder “RESULTATEN” dat van de 670 verstuurde enquêteformulieren er 176 (27%) zijn geretourneerd. Van de 176 dierenartsen, die de formulieren hebben geretourneerd, geven 88 (derhalve 50%) de voorkeur aan de onbedekte methode. Deze 176 dierenartsen hebben in totaal 1850 castraties verricht, waarvan 870 onbedekt.

Anders dan [appellante] in haar akte houdende uitlatingen productie (sub 4) aanvoert, kan niet zonder meer worden volgehouden dat, indien 27% van de 670 dierenartsen aan wie een enquêteformulier is toegezonden, 1850 castraties hebben verricht, al deze 670 dierenartsen tezamen jaarlijks 7.043 cassaties zullen hebben uitgevoerd, derhalve meer dan het aantal castraties dat blijkens de inleiding van het artikel jaarlijks wordt uitgevoerd, zijnde volgens dat artikel (omgerekend) 5.000 tot 6.600.

Het hof kan echter ook [geïntimeerde] niet volgen waar die stelt dat uit de hiervoor bedoelde statistische cijfers blijkt dat dierenartsen (in 1983) relatief weinig castraties uitvoerden. Behalve het feit dat bij het totaal van 1850 moeten worden opgeteld de castraties die de (760 – 176 =) 584 dierenartsen hebben uitgevoerd die het enquêteformulier niet hebben ingevuld, verdient in dit verband ook opmerking dat het in deze enquête slechts ging om castraties onder praktijkomstandigheden en niet in een kliniek. De in een kliniek uitgevoerde castraties maken dus ook deel uit van de volgens dat artikel jaarlijks in totaal (omgerekend) 5.000 tot 6.600 verrichte castraties. Het hof wijst in dit verband voorts erop dat in de hiervoor (sub 2.6) reeds genoemde lesbrief van dr. Van der Velden van maart 2000 (op p. 7, 2e tekstblok) is vermeld dat geleidelijk aan steeds meer hengsten in een kliniek worden gecastreerd. Het hof gaat, evenals kennelijk [geïntimeerde], ervan uit dat castreurs geen castraties in een kliniek uitvoeren.

Hoewel ook voor het door de deskundige gestelde feit dat uit een in 2002 onder dierenartsen gehouden enquête blijkt dat nog slechts 13% van de castraties onbedekt werd uitgevoerd, geldt dat daarin niet mede begrepen zijn de castraties uitgevoerd door castreurs (evenmin als de in een kliniek uitgevoerde castraties), levert zulks, mede gelet op het feit dat de discussie over de toe te passen castratiemethode ook de paardenpers heeft bereikt, voor het hof een aanwijzing op dat in de jaren tussen 1983 en 2002 ook onder castreurs de opvatting dat toepassing van de onbedekte methode zoveel mogelijk moet worden vermeden, steeds meer opgeld is gaan doen met als gevolg dat ook zij steeds vaker zijn gaan kiezen voor het alternatief van de (half)bedekte castratie en, indien zij toch een onbedekte castratie toepasten, dat slechts gebeurde na waarschuwing voor de risico’s daarvan en het aanbieden van het alternatief van de (half)bedekte methode.

2.10 Naar [geïntimeerde] in zijn conclusie na deskundigenbericht in hoger beroep (sub 4) heeft gesteld, volgt het feit dat uit de praktijk blijkt dat veel castreurs nog altijd de onbedekte methode toepassen, ook uit meergenoemde lesbrief van dr. Van der Velden van maart 2000. [geïntimeerde] wijst in dit verband erop dat op pagina 7 van die lesbrief, tweede alinea, te lezen is dat castratie nog vaak wordt uitgevoerd onder praktijkomstandigheden c.q. in de eerstelijns praktijk bij de eigenaar thuis. De desbetreffende passage uit de lesbrief luidt als volgt.

“Voor de castratie van de hengst werden in het verleden en in de tegenwoordige tijd vooral de half-bedekte en de onbedekte methode gebruikt, waarbij in beide gevallen de scrotaalwonden niet gesloten worden. Dit hangt vooral samen met het feit dat de castratie nog zo vaak wordt uitgevoerd onder praktijkomstandigheden c.q. in de eerstelijns praktijk bij de eigenaar thuis. Het verhoogde risico van contaminatie tijdens de castratie maakt het wenselijk dat niet steriel wondvocht goed kan afvloeien. Nu er geleidelijk steeds meer hengsten in een kliniek gecastreerd worden, vinden ook andere en met name gesloten methoden en methoden zonder orchidectomie steeds meer toepassing.”.

Hoewel, zoals hiervoor (onder 2.9) reeds is overwogen, ook het hof ervan uitgaat dat castreurs niet in een kliniek castreren, ziet het hof niet in dat uit de hiervoor geciteerde passage volgt dat (speciaal) veel castreurs de onbedekte methode toepassen. Hetgeen in die passage is vermeld omtrent castratie onder praktijkomstandigheden c.q. in de eerstelijns praktijk bij de eigenaar thuis, is slechts een feitelijke constatering die zowel de onbedekte als de halfbedekte methode betreft, waarbij ook geen onderscheid wordt gemaakt tussen castraties uitgevoerd door een dierenarts, en die, welke door castreurs worden verricht. Dr. Van der Velden vermeldt in (de overgelegde pagina’s van) zijn lesbrief niet, zoals hij deed in het voormelde artikel in de Boerderij van 8 oktober 1996, dat zijns inziens onbedekte castraties slechts mogen worden uitgevoerd op uitdrukkelijk verzoek van de eigenaar nadat deze is gewezen op het aan deze castratiemethode verbonden risico van darmprolaps.

2.11 Op de vraag van het hof hoe groot de kans is dat bij de halfbedekte methode het paard niet uit de narcose komt (vraag 6), heeft dr. Klein geantwoord dat een groot internationaal onderzoek, uitgevoerd in 1991 tot maart 1994 liet zien dat bij urigenitale operaties, waaronder castraties vallen, het sterftepercentage 0,8 was en dat volgens gegevens van de Universiteit Kliniek voor Paarden in Utrecht over der periode van januari 2003 tot 2007 voor niet-abdominale chirurgie het sterftepercentage 0,75 was, maar dat bij intraveneuze anesthesie (die bij kortdurende ingrepen, zoals castraties, gebruikelijk is) het sterftepercentage 0,27 was. Dr. Klein wijst erop dat de halfbedekte methode ook bij het staande dier kan worden uitgevoerd, in welk geval het anesthesierisico vervalt, doch het risico van infectie groter wordt.

Op de vraag van het hof hoe groot de kans is dat paarden bij toepassing van de halfbedekte methode ten gevolge van het kluisteren gebroken benen oplopen en dienen te worden afgemaakt (vraag 7), antwoordde de deskundige dat die kans vrijwel nihil is.

Op het verzoek van het hof (in vraag 8) om de antwoorden op de vragen 6 en 7 zoveel mogelijk te onderbouwen met statistische gegevens, verwees dr. Klein naar de onderbouwing van zijn antwoord op vraag 6.

In het kader van zijn antwoord op vraag 9 (luidende: “hebben de antwoorden op de vragen 6 en 7 nog gevolgen voor uw antwoord op de vragen 3, 4 en 5?”) gaf dr. Klein te kennen dat het algemene advies blijft: geen onbedekte castratie uitvoeren, tenzij de eigenaar de onbedekte methode prefereert. De eigenaar dient dan op de risico’s gewezen te worden. Daaraan kan volgens dr. Klein worden toegevoegd dat als de eigenaar kiest voor een castratie onder algemene anesthesie, ook hiervan de risico’s zullen moeten worden genoemd. Hij wijst daarbij erop dat de halfbedekte castratie ook bij het staande dier kan worden uitgevoerd en dat dan het anesthesierisico niet groter is dan bij de onbedekte castratie bij het staande dier, de kans op infectie is echter wel groter. Hoeveel groter de infectiekans is bij de halfbedekte castratie is volgens dr. Klein niet exact te zeggen. De infectiekans is groter omdat meer manipulatie nodig is.

Met betrekking tot vraag 4 voegde dr. Klein daaraan verder nog toe dat de handelwijze nog steeds niet strookt met wat wenselijk is: het toepassen van een zo veilig mogelijke castratietechniek en goede voorlichting van de eigenaar.

2.12 Het hof is op grond van al het voorgaande van oordeel dat een redelijk handelend opdrachtgeefster c.q. eigenaresse van een hengst, indien zij voldoende zou zijn ingelicht, niet voor castratie door middel van de onbedekte methode zou hebben gekozen. Daarbij houdt naar het oordeel van het hof een voldoende informatie ten minste in dat de opdrachtgeefster c.q. eigenaresse erop wordt gewezen dat, zoals ook Dr. Van der Velden in zijn artikel in de Boerderij van 8 oktober 1996 (en ook als deskundige aan de rechtbank) heeft vermeld, de onbedekte methode weliswaar gemakkelijker uitvoerbaar is, minder tijd vergt en ook minder weefselbeschadiging veroorzaakt dan de halfbedekte methode, zodat daarbij de kans op complicaties na de castratie in het kader van een gestoorde wondgenezing kleiner is dan na een halfbedekte castratie, maar dat gedurende de eerste dagen na een onbedekte castratie een - zij het kleine - kans bestaat op een darmprolaps, waarvan de afloop, indien geen snelle en deskundige behandeling plaatsvindt, meestal fataal is. De castreur zou voorts moeten meedelen dat, omdat aan het voorkomen van deze levensbedreigende complicatie de hoogste prioriteit moet worden toegekend, de halfbedekte methode met gebruik van een ligatuur als de meest veilige methode moet worden beschouwd en dat het mogelijk is om de complicaties in het kader van een gestoorde wondgenezing ook bij een halfbedekte castratie tot een aanvaarbaar minimum te beperken wanneer de castratie op een deskundige wijze wordt uitgevoerd.

2.13 Dat, zoals dr. Klein (in zijn antwoord op de tweede vraag van het hof) heeft aangegeven, de prijs van een onbedekte castratie bij het staande dier (€ 95,=, met een mogelijke afwijking van de prijs naar boven of beneden van € 4,73) lager is dan die van een halfbedekte castratie bij het staande dier (€ 105,=, met een mogelijke afwijking van de prijs naar boven of beneden van € 33,=) en bij het liggende dier (€ 143,=, met een mogelijke afwijking van de prijs naar boven of beneden van € 45,91) zal naar het oordeel van het hof de keuze van een redelijk handelend opdrachtgeefster c.q. eigenaresse van een hengst niet anders doen zijn. De verantwoordelijkheid voor het dier en de grootte van de schade bij verwezenlijking van het risico van een darmprolaps brengen mee dat een redelijk handelend opdrachtgeefster c.q. eigenaresse van een hengst ondanks een relatief klein bedrag aan extra kosten voor de veiligste methode van castratie, derhalve voor de (half)bedekte methode zal kiezen. Opmerking verdient in dit verband nog dat de prijzen die [geïntimeerde] in zijn memorie van antwoord (sub 6) heeft genoemd, betrekking hebben op poliklinische behandelingen, die hier niet aan de orde zijn.

2.14 Het hof overweegt in dit verband verder nog dat ook het feit dat [geïntimeerde], naar hij heeft gesteld, na 6.500 – naar het hof begrijpt: onbedekte – castraties te hebben uitgevoerd, nog nooit een darmprolaps had meegemaakt, aan het voorgaande niet afdoet. Weliswaar is niet uitgesloten dat [appellante], indien zij ermee bekend zou zijn geweest dat het risico van darmprolaps zich bij geen van die 6.500 door [geïntimeerde] uitgevoerde castraties heeft verwezenlijkt, (toch) voor castratie door [geïntimeerde] en door middel van de onbedekte methode zou hebben gekozen, doch de onzekerheid omtrent de vraag of [appellante] dat zou hebben gedaan, dient naar het oordeel van het hof voor risico van [geïntimeerde] te komen nu deze het door de schending van zijn informatieplicht juist onmogelijk heeft gemaakt met zekerheid vast te stellen welke keuze [appellante] zou hebben gemaakt indien zij volledig zou zijn geïnformeerd.

2.15 Op grond van bovenstaande gaat het hof ervan uit dat [appellante], indien zij voldoende zou zijn voorgelicht, als een redelijk handelend opdrachtgeefster c.q. eigenaresse van een hengst niet voor castratie door middel van de onbedekte methode zou hebben gekozen. Dit heeft tot gevolg dat aan een bewijsopdracht ter zake daarvan niet (meer) wordt toegekomen, en dat dus ook niet (meer) behoeft te worden bewezen dat [appellante] mede of slechts om redenen van persoonlijke aard niet voor castratie door middel van de onbedekte methode zou hebben gekozen.

Mede gelet op hetgeen reeds in het tussenarrest van 12 juli 2005 is overwogen en beslist, kan dus samenvattend worden gesteld dat [geïntimeerde] in zijn informatieverplichting is tekortgeschoten, dat tussen de schade en het niet voldoen door [geïntimeerde] aan zijn informatieplicht causaal verband (in de zin van conditio sine qua non- verband) bestaat, terwijl van eigen schuld aan de zijde van [appellante] geen sprake is.

2.16 Het voorgaande brengt mee dat [geïntimeerde] aan [appellante] de schade dient te vergoeden die deze als gevolg van de toerekenbare tekortkoming van [geïntimeerde] heeft geleden. In de inleidende dagvaarding (sub 8) heeft [appellante] een opsomming gegeven van de onderscheidene posten waaruit, naar zij stelt, haar schade bestaat, te weten een bedrag van f 15.000,= ter zake van de waarde van [Paard A], een bedrag van f 81,08 ter zake van de kosten van noodslachting, een bedrag van f 411,25 ter zake van de kosten van taxatie door Cavalcade, een bedrag pm ter zake van de kosten van prof. dr. Breukink, een bedrag van f 1.785,= ter zake van door DAS Rechtsbijstand gemaakte redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte, alsmede een bedrag van f 125,= ter zake van restitutie van de kosten van castratie, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente over f 15.000,= vanaf 12 mei 1998 tot aan de dag der algehele voldoening.

2.17 Met betrekking tot de door DAS Rechtsbijstand gemaakte redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte overweegt het hof dat het, mede gelet op hetgeen in het rapport voorwerk II, zoals gewijzigd in 2000, is vermeld (onder 16), aanleiding ziet om bij de vaststelling van de omvang van de door [appellante] geleden schade die kosten buiten beschouwing te laten, nu niet is gesteld of gebleken dat deze kosten door [appellante] zijn betaald en aldus vermogensschade aan haar zijde opleveren.

Ook de door [appellante] opgevoerde post kosten van prof. dr. Breukink zal het hof buiten beschouwing laten. [appellante] heeft geen opgave gedaan van de hoogte van die kosten. Zij heeft daaromtrent slechts gesteld in de inleidende dagvaarding (sub 5) dat DAS Rechtsbijstand bij brief van 28 september 1998 aan prof. dr. H.J. Breukink heeft gevraagd de kwestie te onderzoeken en daarover een oordeel te geven, hetgeen deze bij brief van 25 november 1998 heeft gedaan. Ook voor deze kosten geldt dat niet is

gesteld of gebleken dat zij door [appellante] zijn betaald en aldus vermogensschade aan haar zijde opleveren.

Met betrekking tot de kosten van taxatie van Cavalcade overweegt het hof dat in het desbetreffende taxatierapport, gedateerd 19 februari 1999, dat door de raadsman van [appellante] bij brief van 6 maart 2000 (als prod. 5) met het oog op de comparitie van partijen aan de griffier van de rechtbank is toegezonden, is vermeld dat – zakelijk weergegeven – het onderzoek naar de waarde van [Paard A] in opdracht van DAS Rechtsbijstand heeft plaatsgevonden. Nu ook voor deze kosten geldt dat niet is gesteld of gebleken dat zij door [appellante] zijn betaald en aldus vermogensschade aan haar zijde opleveren, ziet het hof aanleiding om ook deze kosten niet voor vergoeding aan [appellante] in aanmerking te laten komen.

Nu voor de hand ligt dat [appellante] de kosten van de noodslachting ten bedrage van f 81,08, die aan haar persoonlijk in rekening zijn gebracht op de door de raadsman van [appellante] bij brief van 6 maart 2000 (als prod. 3) met het oog op de comparitie van partijen aan de griffier van de rechtbank toegezonden factuur, zelf heeft betaald en [geïntimeerde] ook niet heeft betwist dat deze kosten vermogensschade aan de zijde van [appellante] opleveren, terwijl (ook overigens) niet is gesteld of gebleken dat dit anders was, gaat het hof ervan uit dat deze kosten ten belope van f 81,08 schade opleveren die [appellante] als gevolg van de toerekenbare tekortkoming van [geïntimeerde] heeft geleden.

[geïntimeerde] heeft voorts niet betwist dat de waarde van [Paard A] op 12 mei 1998, zijnde de datum van slachting, gelijk was aan die, vermeld in het hiervoor genoemde taxatierapport van Cavalcade, derhalve f 15.000,=. [geïntimeerde] heeft evenmin betwist dat de - kennelijk door [appellante] aan hem betaalde - kosten van castratie f 125,= beliepen. Het hof zal daarom [geïntimeerde] veroordelen om ook de met deze beide posten gemoeide bedragen als schadevergoeding aan [appellante] te betalen.

De conclusie is dat het hoger beroep gedeeltelijk slaagt en dat [geïntimeerde] alsnog zal worden veroordeeld om aan [appellante] ter vergoeding van de door deze geleden schade de tegenwaarde in euro’s van een bedrag van (f 15.000,= + f 81,08 + f 125,=, derhalve in totaal) f 15.206,08 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 mei 1998, zijnde de dag van slachting van [Paard A]. Hetgeen partijen overigens nog hebben gesteld behoeft geen bespreking meer.

3 De slotsom

3.1 Het hoger beroep slaagt voor het overgrote deel. Het door de rechtbank Arnhem tussen partijen gewezen vonnis van 11 januari 2001 zal worden vernietigd en [geïntimeerde] zal alsnog worden veroordeeld om aan [appellante] de tegenwaarde in euro’s van een bedrag van f 15.206,08, derhalve € 6.900,22 vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van f 15.000,=, derhalve € 6.806,70 te betalen.

3.2 [geïntimeerde] zal als de voor het overgrote deel in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van beide instanties, waaronder die van de in eerste aanleg en in hoger beroep uitgebrachte deskundigenberichten ad respectievelijk f 1.500,=, derhalve € 680,67, en € 840,=.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het door de rechtbank Arnhem tussen partijen gewezen vonnis van 11 januari 2001 en opnieuw recht doende

veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellante] tegen behoorlijk bewijs van kwijting een bedrag van € 6.900,22 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over € 6.806,70 vanaf 12 mei 1998 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in eerste aanleg, tot aan de uitspraak van het vonnis van 11 januari 2001 aan de zijde van [appellante] bepaald op € 827,50 wegens salaris procureur, € 71,77 (f 158,15) wegens kosten dagvaarding, € 215,55 wegens griffierecht en € 680,67 wegens kosten deskundigenrapport;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellante] bepaald op € 1.264,= wegens salaris procureur, € 35,69 (f 78,65) wegens kosten dagvaarding, nihil wegens griffierecht en € 840,= wegens kosten deskundigenrapport;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. Valk, Van Wijland-Kalkman en Wattendorff en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 juni 2008.