Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BG1478

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
17-06-2008
Datum publicatie
24-10-2008
Zaaknummer
104.003.429
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof sluit zich dan ook aan bij het oordeel van de rechtbank (vonnis van 28 juni 2006, r.o. 2.4) dat, gelet op de summiere stellingen van [appellant sub 1] aangaande de staat van de stacaravan, onduidelijk blijft waarom het door [appellant sub 1] voor de stacaravan betaalde bedrag van € 17.500,-- geen reden behoefde te vormen voor twijfel aan de beschikkingsbevoegdheid van [persoon A], nu vaststaat dat de nieuwprijs van een stacaravan van dit type circa € 31.000,-- bedraagt. De twee door [appellant sub 1] overgelegde advertenties voor stacaravans van dit type met vraagprijzen van € 25.000,-- respectievelijk € 22.500,-- maken dit niet anders. De eerstgenoemde vraagprijs, voor een stacaravan waarin volgens de advertentie maar 1x in is geslapen, ligt immers aanzienlijk hoger dan het door [appellant sub 1] betaalde bedrag. De vraagprijs van € 22.500,-- ligt ook nog altijd aanzienlijk hoger dan de door [appellant sub 1] betaalde prijs en is bovendien voor een stacaravan met bouwjaar 1997 terwijl de adver-tentie dateert van 2005, dus een stacaravan van op dat moment acht jaar oud. Zijn stelling dat deze vraagprijs (veel) te hoog zou zijn, heeft [appellant sub 1] onvoldoende onderbouwd. [appellant sub 1] heeft verder zijn stelling dat de stacaravans in deze advertenties over allerlei "extra's" beschikten die de door hem gekochte stacaravan niet bezat en die de hogere vraagprijzen (deels) konden verklaren, onvoldoende toegelicht, mede gezien de stelling van IRM (akte na tussenvonnis d.d. 3 mei 2006, p. 3) dat de onderhavige stacaravan af fabriek is voorzien van eenzelfde interieur als het interieur dat wordt aangeboden in een van de bij conclusie van antwoord overgelegde advertenties (naar het hof begrijpt:) voor stacaravans van hetzelfde merk en type ([type]).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 juni 2008

tweede civiele kamer

zaaknummer 104.003.429

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

1.[appellant sub 1]

wonende te [woonplaats],

2.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[appellante sub 2],

gevestigd te Loosdrecht,

appellanten,

procureur: mr. N.L.J.M. Rijssenbeek,

tegen:

De vennootschap naar Frans recht

Ideale Residence Mobile S.A.S.,

gevestigd te Luçon Cedex (85402), Frankrijk

geïntimeerde,

procureur: mr. P.M. Wilmink.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van de vonnissen van 15 februari 2006, 28 juni 2006 en 13 december 2006 die de rechtbank Zutphen tussen appellanten (hierna te noemen: [appellanten]) als gedaagden in conventie en eisers in reconventie en geïntimeerde (hierna te noemen: IRM) als eiseres in conventie en verweerster in reconventie heeft gewezen; van die vonnissen is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [appellanten] heeft bij exploot van 9 maart 2007 IRM aangezegd van die vonnissen in hoger beroep te komen, met dagvaarding van IRM voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellanten] vier grieven tegen de bestreden vonnissen aangevoerd en toegelicht, heeft hij bewijs aangeboden en producties in het geding ge-bracht. Hij heeft gevorderd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en, opnieuw recht doende, overeenkomstig de eis in de appeldagvaarding, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest IRM alsnog in haar vorderingen niet ontvankelijk zal verklaren c.q. haar vorderingen alsnog zal afwijzen en de vorderingen van [appellanten] in reconventie alsnog zal toewijzen, met veroordeling van IRM zowel in de kosten van de procedure in eerste aanleg als in de kosten in hoger beroep.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft IRM de grieven bestreden, bewijs aangeboden en een aantal producties in het geding gebracht. Zij heeft geconcludeerd dat het hof de eis als verwoord door IRM bij akte uitlating productie, tevens houdende wijziging van eis, van 20 september 2006, alsnog zal toewijzen en de vordering van [appellanten] in hoger beroep ongegrond zal verklaren dan wel zal afwijzen, met veroordeling van [appellanten] in de kosten van het hoger beroep.

2.4 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

2.5 Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

Tussen partijen staan in hoger beroep als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken en op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde producties de door de rechtbank in haar vonnis van 15 februari 2006 onder 2 vermelde feiten vast.

4 De beoordeling in hoger beroep

4.1 Het gaat in dit geding om de vraag of IRM een door haar onder eigendomsvoorbehoud aan een inmiddels gefailleerd Duits bedrijf (AMC International GmbH; verder: AMC) geleverde, onbetaald gebleven stacaravan als haar eigendom kan opvorderen bij [appellanten], die de stacaravan heeft gekocht van een zekere [persoon A] voor € 17.500,--. Subsidiair vordert IRM vergoeding van de schade die zij lijdt doordat [appellanten] niet in staat is aan de verplichting tot afgifte van de stacaravan te voldoen nu hij de stacaravan inmiddels heeft doorverkocht. De rechtbank heeft deze subsidiaire vordering voorzover gericht tegen appellant sub 1, [appellant sub 1], toegewezen en diens reconventionele vordering, een verklaring voor recht dat [appellant sub 1] eigenaar is geworden van de stacaravan, afgewezen. De rechtbank heeft daartoe onder meer geoordeeld (vonnis van 28 juni 2006, r.o. 2.5) dat [appellant sub 1] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die zijn beroep op de goede trouw als bedoeld in artikel 3:86 lid 1 BW kunnen dragen en dat daaruit volgt dat IRM de beschik-kingsonbevoegdheid van [persoon A] aan [appellant sub 1] kan tegenwerpen.

4.2 Nu de vorderingen van IRM, voorzover deze waren ingesteld tegen appellante sub 2, [appellante sub 2], door de rechtbank zijn afgewezen, heeft deze partij geen belang bij het door haar ingestelde hoger beroep en zal zij daarin niet-ontvankelijk worden verklaard. In het navolgende zal met "[appellant sub 1]" slechts appellant sub 1 worden aangeduid.

4.3 IRM heeft bij memorie van antwoord tot toewijzing van haar vorderingen in eerste aanleg geconcludeerd, en het hof verzocht de vordering tegen de appellante sub 2, Autobedrijf [appellante sub 2], in dit appel te betrekken; zij stelt zich ten onrechte op het standpunt dat daarvoor geen incidenteel appel nodig is (memorie van antwoord onder 13). Voorzover hiermee in de stellingen van IRM een incidentele grief tegen de afwijzing van haar vorderingen voorzover gericht tegen [appellante sub 2] moet worden gelezen, faalt deze op grond van hetgeen de rechtbank heeft overwogen in het tussenvonnis van 15 februari 2006 onder 7.3.

4.4 Met partijen en de rechtbank in eerste aanleg zal het hof uitgaan van de toepasselijkheid van Nederlands recht.

4.5 Met zijn eerste grief richt [appellant sub 1] zich tegen de beslissing van de rechtbank onder 7.1 van het vonnis van 15 februari 2006 dat door [appellant sub 1] niet, althans niet voldoende stel-lig en onderbouwd, wordt betwist dat IRM uit hoofde van een bedongen eigendomsvoorbehoud eigenaar is gebleven van de onderhavige stacaravan type [type] met chassisnummer [nummer]. De grief houdt in dat niet is gebleken dat de stacaravan onder eigendomsvoorbehoud is geleverd aan AMC.

Bij memorie van antwoord (onder 7) heeft IRM gesteld dat het eigendomsvoorbehoud is overeengekomen bij de overeenkomst van september 2003, dat op de opdrachtbevestiging en factuur, verzonden door IRM aan AMC, onderaan op het voorblad een verwijzing staat naar de algemene verkoopvoorwaarden van IRM, dat deze algemene verkoopvoorwaarden achterop de facturen staan afgedrukt, dat onderdeel van deze verkoopvoorwaarden een eigendomsvoorbehoud op de geleverde goederen is totdat betaling heeft plaatsgevonden en dat dit eigendomsvoorbehoud ook door de curator van AMC is erkend. Ten bewijze van deze stellingen heeft IRM als producties a en b bij memorie van antwoord overgelegd een exemplaar van haar algemene verkoopvoorwaarden respectievelijk een brief van de curator van AMC waarin deze IRM een boedelbijdrage vraagt voor de op grond van het eigendomsvoorbehoud teruggegeven stacaravans.

Nu [appellant sub 1] op deze stellingen en producties niet meer heeft kunnen reageren en het hof deze stellingen en producties relevant acht voor de beoordeling van de gegrondheid van de eerste grief van [appellant sub 1], zal deze in de gelegenheid worden gesteld bij akte zijn zienswijze daarover naar voren te brengen. IRM zal daarna bij antwoordakte kunnen reageren.

4.6 Bij de beoordeling van de overige grieven zal het hof veronderstellenderwijs uitgaan van een door IRM bij de verkoop van de stacaravan aan AMC rechtsgeldig bedongen eigendomsvoorbehoud.

4.7 Grief 2 keert zich tegen de overweging van de rechtbank in het vonnis van 28 juni 2006 (r.o. 2.4) dat [appellant sub 1] zich niet, althans niet duidelijk, uitlaat over de vraag of de door hem gekochte stacaravan nieuw of gebruikt (tweedehands) was. Grief 3 is gericht tegen het daarop volgende oordeel van de rechtbank (r.o. 2.5) dat [appellant sub 1] reeds op het punt van de door hem betaalde prijs onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die zijn beroep op goede trouw kunnen dragen. [appellant sub 1] betoogt ter toelichting op beide grieven dat hij alles heeft aangegeven en gemeld dat in redelijkheid van hem kan worden verwacht. De grieven 2 en 3 lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4.8 Het gaat hier om de vraag of [appellant sub 1] als derde-verkrijger te goeder trouw is in de zin van artikel 3:86 lid 1 BW. Bij de beantwoording van de vraag of [appellant sub 1] te goeder trouw was bij de verkrijging van de stacaravan, kunnen onder meer een rol spelen de hoogte van de door [appellant sub 1] voor de stacaravan betaalde prijs in relatie tot de gebruikelijke aanschafprijs van een stacaravan van hetzelfde merk, type en bouwjaar, de staat waarin de stacaravan verkeerde op het moment van verkrijging daarvan door [appellant sub 1], de inlichtingen die [appellant sub 1] heeft ingewonnen over de persoon van de verkoper en over de voorgeschiedenis van de stacaravan en overige omstandigheden rondom de verkrijging door [appellant sub 1]. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de stelplicht met betrekking tot feiten en omstandigheden die rechtvaardigen dat [appellant sub 1] de verkoper voor beschikkingsbevoegd hield, op [appellant sub 1] rust (Parl. Gesch. Boek 3, Inv. Boek 3, 5 en 6, p. 1214).

4.9 Het hof neemt tot uitgangspunt dat [appellant sub 1] op een woonwagenkamp een stacaravan van circa vijf maanden oud heeft gekocht voor een prijs van €17.500,00 terwijl de nieuwwaarde circa € 31.000,00 bedraagt, van een verkoper die zegt te handelen "in allerlei goederen die mij ter beschikking komen, waaronder (sta)caravans".

4.10 Wat betreft de staat waarin de stacaravan verkeerde heeft [appellant sub 1] niet meer gesteld dan dat deze schaars was gemeubileerd, maar dat hij daaruit niet de conclusie heeft kunnen trekken of de stacaravan ongebruikt was, dat de stacaravan volgens de inschatting van [appellant sub 1] in redelijke staat verkeerde, en dat deze "kaal" aan hem is aangeboden, dus zonder de extra's die werden aangeboden in de door hem overgelegde advertenties (memorie van grieven p. 5). Wat betreft de vraag of de stacaravan nieuw of tweedehands was, heeft [appellant sub 1] slechts gesteld dat het voor hem vaststond dat de caravan niet nieuw was en dat hij de stacaravan heeft gekocht van iemand die beroepsmatig handelt in gebruikte goederen waaronder (sta)caravans die niet in nieuwe stacaravans handelt. [appellant sub 1] heeft niet aangegeven op grond waarvan hij concludeerde dat de caravan in "redelijke" staat (en niet: in zeer goede, dan wel in nieuwe staat) verkeerde. Evenmin heeft [appellant sub 1] aangegeven of de stacaravan door zijn verkoper, [persoon A], of diens voorgangers was gebruikt en hij heeft evenmin gesteld dat hij daarover aan [persoon A] vragen heeft gesteld. IRM heeft daartegenover gesteld dat de heer [persoon C], onderzoeker bij het particuliere recherchebureau dat is ingeschakeld door de curator in het faillissement van AMC, de stacaravan in ongebruikte staat heeft aangetroffen op het recreatiepark te [plaats] (memorie van antwoord onder 9). De heer [persoon C] heeft de stacaravan aangetroffen in, voorzover hij kon nagaan, nieuwe staat, en heeft vastgesteld dat de stacaravan er netjes en ongebruikt uitzag en dat ook het interieur aan de binnenzijde intact leek te zijn, dat wil zeggen dat alle zaken die af fabriek door IRM bij de stacaravan worden meegeleverd nog in de stacaravan aanwezig waren, aldus IRM (akte van 3 mei 2006; memorie van antwoord onder 10). IRM heeft voorts gesteld dat van de 18 stacaravans die onder eigendomsvoorbehoud waren geleverd aan het Duitse bedrijf AMC, er 15 door de heer [persoon C] zijn teruggevonden in Nederland, waardoor de heer [persoon C] goed in staat is te beoordelen of een stacaravan van IRM nog in oorspronkelijke staat wordt aangetroffen.

4.11 Mede in het licht van de onder 4.10 weergegeven stellingen van IRM en van het gegeven dat de stacaravan, die in september of oktober 2003 door IRM aan AMC is geleverd (productie 1 bij akte van 20 september 2006: "Date de livraison souhaitée: semaine 39") en begin maart 2004 door [appellant sub 1] is gekocht, ten tijde van de koop door [appellant sub 1] slechts zo'n vijf maanden oud was, lag het op de weg van [appellant sub 1] concreet en onderbouwd te stellen of en zo ja in hoeverre hij een reeds gebruikte (tweedehands) stacaravan heeft gekocht, en of en zo ja in hoeverre hij op dit punt heeft voldaan aan zijn onderzoeksplicht door aan [persoon A] vragen te stellen over de ouderdom en de mate van gebruikt zijn van de stacaravan. Bij gebreke van een en ander moet het ervoor worden gehouden dat [appellant sub 1] zijn onderzoeksplicht heeft verzaakt door enkel op grond van het feit dat [persoon A] handelde in tweedehands zaken aan te nemen dat het hier om een gebruikte stacaravan ging.

4.12 Het hof sluit zich dan ook aan bij het oordeel van de rechtbank (vonnis van 28 juni 2006, r.o. 2.4) dat, gelet op de summiere stellingen van [appellant sub 1] aangaande de staat van de stacaravan, onduidelijk blijft waarom het door [appellant sub 1] voor de stacaravan betaalde bedrag van € 17.500,-- geen reden behoefde te vormen voor twijfel aan de beschikkingsbevoegdheid van [persoon A], nu vaststaat dat de nieuwprijs van een stacaravan van dit type circa € 31.000,-- bedraagt. De twee door [appellant sub 1] overgelegde advertenties voor stacaravans van dit type met vraagprijzen van € 25.000,-- respectievelijk € 22.500,-- maken dit niet anders. De eerstgenoemde vraagprijs, voor een stacaravan waarin volgens de advertentie maar 1x in is geslapen, ligt immers aanzienlijk hoger dan het door [appellant sub 1] betaalde bedrag. De vraagprijs van € 22.500,-- ligt ook nog altijd aanzienlijk hoger dan de door [appellant sub 1] betaalde prijs en is bovendien voor een stacaravan met bouwjaar 1997 terwijl de adver-tentie dateert van 2005, dus een stacaravan van op dat moment acht jaar oud. Zijn stelling dat deze vraagprijs (veel) te hoog zou zijn, heeft [appellant sub 1] onvoldoende onderbouwd. [appellant sub 1] heeft verder zijn stelling dat de stacaravans in deze advertenties over allerlei "extra's" beschikten die de door hem gekochte stacaravan niet bezat en die de hogere vraagprijzen (deels) konden verklaren, onvoldoende toegelicht, mede gezien de stelling van IRM (akte na tussenvonnis d.d. 3 mei 2006, p. 3) dat de onderhavige stacaravan af fabriek is voorzien van eenzelfde interieur als het interieur dat wordt aangeboden in een van de bij conclusie van antwoord overgelegde advertenties (naar het hof begrijpt:) voor stacaravans van hetzelfde merk en type ([type]).

4.13 Los van het voorgaande overweegt het hof nog het volgende. Weliswaar heeft [appellant sub 1] in de akte van 15 maart 2006 onder 9 de naam en het adres van de verkoper, de heer [persoon A], genoemd en gesteld dat [persoon A] woonachtig is in een stacaravan op een woonwagenpark te [plaats], maar IRM heeft daarop in haar akte van 3 mei 2006 gesteld dat volgens de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA) geen [persoon A] woonachtig is of is geweest in de gemeente [plaats], en dat deze [persoon A] niet traceerbaar is op het opgegeven adres. Bij memorie van grieven heeft [appellant sub 1] geen nadere informatie verstrekt over deze [persoon A]. Zo heeft [appellant sub 1] geen telefoonnummer of e-mailadres, noch een kopie van een paspoort of rijbewijs of iets dergelijks van [persoon A] verstrekt. Gelet op een en ander heeft [appellant sub 1] naar het oordeel van het hof onvoldoende voldaan aan zijn "wegwijsplicht" als bedoeld in artikel 3:87 BW, volgens welke bepaling een verkrijger die binnen drie jaren na zijn verkrijging gevraagd wordt wie het goed aan hem vervreemdde, onverwijld de gegevens dient te verschaffen die nodig zijn om deze terug te vinden of die hij ten tijde van zijn verkrijging daartoe voldoende mocht achten. Het overleggen van een schriftelijke verklaring (productie 1 bij memorie van grieven) van ene [persoon B met dezelfde achternaam als persoon A], woonachtig te [plaats], waarin deze verklaart dat hij beroepsmatig handelt in allerlei goederen die hem ter beschikking komen, waaronder (sta)caravans, en voorts verklaart dat hij de stacaravan die hij aan [appellant sub 1] heeft verkocht in eerste instantie voor eigen gebruik zou houden, maar dat hij wegens familieomstandigheden heeft besloten de stacaravan te verhandelen en dat hij deze aan [appellant sub 1] heeft verkocht voor een redelijke prijs, maakt dit niet anders, nu daarmee immers geen gegevens worden verschaft die nodig zijn om [appellant sub 1]s voorman terug te vinden. Ook om deze reden is [appellant sub 1] niet te goeder trouw in de zin van artikel 3:86 lid 1 BW.

4.14 De grieven 2 en 3 falen op grond van het onder 4.8 tot en met 4.13 overwogene. Aan het bewijsaanbod van [appellant sub 1] ter zake van de aanleiding en toedracht van de koop van de stacaravan, zijn goede trouw en de staat waarin de stacaravan zich bevond, wordt niet toegekomen, nu [appellant sub 1] op deze punten, zoals uit het vorenoverwogene volgt, niet heeft voldaan aan zijn stelplicht.

4.15 Grief 4 bevat in de eerste plaats de klacht dat de rechtbank ten onrechte in het eindvonis van 13 december 2006 heeft geoordeeld dat het voor de schadeberekening redelijk is om als uitgangspunt te nemen hoe de vermogenspositie van IRM zou zijn geweest indien de stacaravan niet bij AMC zou zijn ontvreemd. [appellant sub 1] betoogt ter toelichting op deze grief dat uit niets blijkt dat sprake is van ontvreemding. [appellant sub 1] voert voorts aan dat in redelijkheid kan worden aangenomen dat het leveren van een stacaravan aan een derde door AMC niet onrechtmatig was, nu AMC de stacaravans van IRM niet koopt voor eigen gebruik en bevoegd moet worden geacht tot doorverkoop daarvan als dealer van IRM.

4.16 Het hof begrijpt deze klacht aldus dat [appellant sub 1] zich erop beroept dat moet worden aangenomen dat AMC bevoegd was tot doorverkoop in haar normale bedrijfsvoering van de aan haar onder eigendomsvoorbehoud geleverde stacaravans, en dat zij in geval van een dergelijke doorverkoop derhalve niet beschikkingsonbevoegd was, zodat IRM als gevolg daarvan de eigendom heeft verloren en geen recht heeft op afgifte van de stacaravan.

Dit betoog gaat niet op. Daargelaten of AMC bevoegd was tot doorverkoop van de stacaravan in de normale uitoefening van haar bedrijf, en eveneens daargelaten of sprake is geweest van ontvreemding (diefstal), kan van doorverkoop in de normale bedrijfsuitoefening van AMC in ieder geval niet worden gesproken gelet op de gang van zaken die blijkt uit het verslag van de curator in het faillissement van AMC, overgelegd als productie 4 bij de inleidende dagvaarding, welk verslag onder meer (p. 4/5) de volgende passages bevat:

"Die kriminellen Handlungen der beteiligten Geschäftsführer und Gesellschaf-ter der Firma A.M.C. International GmbH wurden darauf konzentriert, spätestens ab dem Jahre 2003 in größerem Stil Wareneinkäufe zu tätigen und die bezogenen Waren kurzfristig nach Erhalt ins Ausland Niederlande/ Belgien/ Luxemburg zu verschieben ohne Bezahlung der jeweiligen Lieferantenkredite.

.

Nach ersten Ermittlungen wird geschätzt, dass Warenkredite im Verhältnis zur Firma A.M.C. International GmbH beteiligt sind in einer Größenordnung von mindestens 12.0 Mio. EUR.

(...)

Der Insolvenzverwalter hat eine international tätige Detektei

-> Firma ISB International GmbH, Herrn [persoon C], (...)

(...)

damit beauftragt, die entzogenen Waren der heutigen Insolvenzschuldnern zu ermitteln und in enger Abstimmung mit dem Unterzeichner sicherzustellen. Of-fensichtlich befinden sich an verschiedenen Standorten in Holland, Belgien und Luxemburg in erheblichem Umfang Warenvorräte, die durch die heutige Insolvenzschuldnern nicht bezahlt wurden. An verschiedenen Lagerstandorten in Holland, Belgien und Luxemburg wurden im bisherigen Verlauf des Verfahrens Waren mit einem Wert von ca. 4.5 Mio. EUR aufgefunden und sichergestellt. (...)

Sofern die vorgefundenen Warenvorräte mit Eigentumsvorbehaltsrechten der Warenlieferanten belastet sind, wird durch den Insolvenzverwalter sukzessive die Herausgabe bzw. Aussonderung derartiger Warenvorräte veranlasst.

(...)"

4.17 Grief 4 bevat voorts nog de klacht dat het onredelijk is dat [appellant sub 1] wordt aangesproken voor de nieuwwaarde van de stacaravan. Nu [appellant sub 1] heeft gesteld en bewezen dat hij de stacaravan van een derde, zijnde de heer [persoon A], heeft gekocht en dat hij niet heeft gekocht van AMC, is het redelijk ervan uit te gaan dat [appellant sub 1] geen nieuwe stacaravan heeft gekocht en derhalve ook niet kan worden aangesproken voor de nieuwwaarde van de stacaravan, aldus de toelichting op deze grief. [appellant sub 1] betoogt voorts dat hij tot maximaal het bedrag kan worden aangesproken waarvoor hij de stacaravan van [persoon A] heeft gekocht.

Ook dit betoog faalt. IRM heeft subsidiair gevorderd dat [appellant sub 1] wordt veroordeeld tot vergoeding van de schade die IRM lijdt indien blijkt dat [appellant sub 1] de stacaravan niet kan afgeven; IRM heeft in dit verband aangevoerd dat [appellant sub 1] bij conclusie van dupliek in conventie tevens conclusie van repliek in conventie heeft aangegeven de stacaravan inmiddels doorverkocht te hebben. [appellant sub 1] heeft in de daarop volgende processtukken niet betwist dat hij de stacaravan inmiddels heeft doorverkocht. Nu [appellant sub 1] de stacaravan heeft doorverkocht terwijl hij wist van de eigendomsaanspraak daarop van IRM, heeft hij daarmee willens en wetens het risico genomen dat hij, indien in rechte zou worden beslist dat hij geen eigenaar was van de stacaravan wegens het ontbreken van goede trouw, niet aan een veroordeling tot afgifte van de stacaravan zou kunnen voldoen. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat [appellant sub 1] aansprakelijk is voor de hierdoor aan de zijde van IRM ontstane schade. Deze schade moet worden begroot aan de hand van de waarde die de stacaravan voor IRM had op het moment dat deze bij [appellant sub 1] werd aangetroffen. IRM heeft, gelet op het hiervoor onder 4.10 en 4.11 overwogene, voldoende aannemelijk gemaakt dat dit de prijs was waarvoor de stacaravan af fabriek door IRM werd verkocht.

4.18 Grief 4 wordt op grond van het in 4.15 en 4.16 overwogene verworpen.

Slotsom

Appellante sub 2 zal niet-ontvankelijk worden verklaard in het door haar ingestelde hoger beroep, nu zij daarbij geen belang heeft.

[appellant sub 1] zal in de gelegenheid worden gesteld zich bij akte uit te laten als hiervoor onder 4.5 bedoeld. IRM zal vervolgens bij antwoord-akte kunnen reageren.

De grieven 2 tot en met 4 falen.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verklaart appellante sub 2 niet-ontvankelijk in haar hoger beroep van de vonnissen van 15 februari 2006, 28 juni 2006 en 13 december 2006;

verwijst de zaak naar de rolzitting van 15 juli 2008 voor het nemen van een akte door [appellant sub 1] met het doel omschreven onder 4.5;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Valk, Wattendorff en Van Daalen en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 juni 2008.