Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BF8520

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
15-04-2008
Datum publicatie
12-02-2009
Zaaknummer
104.002.808
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

nders dan [appellanten] aanvoeren, moet niet de situatie worden vergeleken tussen de bieding van de concurrent en de (oorspronkelijke) gezamenlijke bieding van partijen. Mèt de voorzieningenrechter oordeelt het hof voorshands aannemelijk dat partijen, zonder tekortkoming van [appellanten], in het verlengde van hun door de redelijkheid en billijkheid beheerste biedingsovereenkomst, tijdig gezamenlijk overleg zouden hebben gevoerd en dan onder afweging van hun kansen en van de risico’s van de gerezen concurrentie, hun gezamenlijke bieding (enigszins) zouden hebben aangepast en daarmee hun kans op verlening van het Jagdpachtvertrag zouden hebben vergroot. Dat de afloop van dat hypothetische scenario niet bekend is, hebben [appellanten] nu eenmaal zelf veroorzaakt door hun geheime, hogere bieding, waarmee zij [geïntimeerden] hebben weggeconcurreerd. In ieder geval is achteraf gebleken dat die hogere bieding van [appellanten] ad € 20,00 per ha per jaar voor negen jaar voldoende was om de broer van [persoon A], die tweemaal negen jaar verlangde, uit te schakelen. [appellanten] hebben ook niet (voldoende gemotiveerd) uiteengezet waarom [geïntimeerden] (al dan niet met opvolgers) niet bereid zouden zijn geweest tot aanpassing van hun gezamenlijke bieding om die concurrentie het hoofd te bieden. De voorzieningenrechter heeft [geïntimeerden] dus terecht in dezelfde feitelijke positie willen brengen als ware het Jagdpachtvertrag verlengd. Of dit nu tegen € 17,50 (de gezamenlijke bieding) of € 20,00 (de hogere bieding van [appellanten]) per ha zou zijn geweest, behoeft in dit kort geding geen beantwoording.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15 april 2008

tweede civiele kamer

zaaknummer 104.002.808

rolnummer (oud) 2006/1118

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

1 [appellant sub 1],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente], en

2 [appellant sub 2],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

appellanten in het principaal appel,

geïntimeerden in het incidenteel appel,

procureur: mr. A.P.J. Blokland,

tegen:

1 [geïntimeerde sub 1],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente], en

2 [geïntimeerde sub 2],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden in het principaal appel,

appellanten in het incidenteel appel,

procureur: mr. W.H.B.K. Brunet de Rochebrune.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar het vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem van 10 oktober 2006 (gepubliceerd onder LJN: AZ0077), gewezen tussen appellanten in het principaal appel, tevens geïntimeerden in het incidenteel appel (hierna ook gezamenlijk te noemen: [appellanten]) als gedaagden enerzijds en geïntimeerden in het principaal appel, tevens appellanten in het incidenteel appel (hierna ook te noemen: [geïntimeerden]) als eisers anderzijds. Een fotokopie van dat vonnis is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [appellanten] hebben bij exploot van 17 oktober 2006 [geïntimeerden] aangezegd van dat vonnis in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerden] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven hebben [appellanten] vijf grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht en gevorderd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, (naar het hof begrijpt:) het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, aan [geïntimeerden] hun vorderingen in eerste aanleg alsnog zal ontzeggen met hun veroordeling in de kosten van beide instanties.

2.3 Bij memorie van antwoord tevens incidenteel appel hebben [geïntimeerden] in het principaal appel de grieven bestreden, tegen het vonnis met één (verzamel-)grief incidenteel appel ingesteld, in beide appellen producties in het geding gebracht en onder wijziging van eis gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zo nodig onder aanvulling en verbetering en/of wijziging van rechtsgronden:

1.a. [appellanten] zal veroordelen er voor zorg te dragen dat [geïntimeerden] binnen drie dagen na betekening van het te wijzen arrest in de gelegenheid zullen worden gesteld hun jachtrechten tot en met 31 maart 2015 onder dezelfde condities en voorwaarden uit te oefenen als waaronder zij dit jachtrecht uitoefenden in de periode van 1 april 1997 tot en met 31 maart 2006, op straffe van verbeurte van een onmiddellijk opeisbare boete van € 1.000,00 voor iedere dag dat [appellanten] in gebreke blijven aan dat arrest te voldoen,

1.b. dan wel zodanige maatregelen zal treffen als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren, alsmede

2.a. aan [appellanten] zal verbieden het deel van de jacht [gebied] dat tot 1 april 2006 door [geïntimeerden] werd bejaagd, aan [appellanten] genoegzaam bekend, te bejagen, op straffe van verbeurte van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 15.000,00 per overtreding van het arrest,

2.b. althans dat een zodanige voorziening zal treffen als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren

3 en voor het overige zoveel mogelijk het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met dien verstande dat het in het dictum sub 3 aan de dwangsommen verbonden maximum van € 20.000,00 wordt verhoogd tot € 100.000,00 en met veroordeling van [appellanten] in de kosten van het incidenteel appel.

2.4 Bij memorie van antwoord in het incidenteel appel hebben [appellanten] verweer gevoerd, producties overgelegd en geconcludeerd dat het hof [geïntimeerden] in het incidenteel appel niet-ontvankelijk zal verklaren in hun vorderingen, althans hen deze als ongegrond en onbewezen zal ontzeggen, met hun veroordeling in de kosten van het incidenteel appel.

2.5 Daarna is aan [geïntimeerden] akte verleend van een schriftelijke verklaring, welke ontbreekt in het procesdossier van [appellanten]

2.6 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 De vaststaande feiten

Met aanpassing van namen en nummering zal het hof zal uitgaan van de door de voorzieningenrechter vastgestelde feiten:

3.1 In Duitsland worden de jachtrechten, in het onderhavige geval van het jachtterrein [gebied], verpacht door het ‘Jagdgenossenschaft’. Wanneer een jachtveld beschikbaar is, wordt dit door het betreffende ´Jagdgenossenschaft´ gepubliceerd. Geïnteresseerden in het betreffende jachtveld kunnen zich dan inschrijven en daarbij aangeven welke vergoeding zij bereid zijn te betalen voor het verkrijgen van de jachtrechten per hectare per jaar. Het ´Jagdgenossenschaft´ beslist wie de jachtrechten krijgt.

3.2. [appellanten] en [geïntimeerden] enerzijds en de ‘Jagdvorstand’ – optredende namens het ´Jagdgenossenschaft´ – anderzijds hebben in juli 1996 een jachtpachtovereenkomst gesloten. Daarin werden door de ‘Jagdvorstand’ aan partijen, die zich samen hadden ingeschreven, de jachtrechten verpacht voor het jachtveld [jachtgebied] (ter grootte van ongeveer 845 hectare land en 3 hectare water) (hierna: het jachtveld), voor de duur van negen jaar, ingaande op 1 april 1997 en eindigend op 31 maart 2006. Daarna hebben partijen het jachtveld verdeeld, zodat ieder der partijen ongeveer 424 hectare kon bejagen.

3.3 Vóór afloop van de jachtpachtovereenkomst zijn partijen overeengekomen om opnieuw gezamenlijk in te schrijven voor het jachtveld voor de opvolgende jachtperiode van negen jaar, ingaande op 1 april 2006 en eindigend op 31 maart 2015. Bij brief van 1 maart 2005, opgesteld door [appellanten] en door hen afgegeven aan de ´Jagdvorstand´, hebben partijen samen een verlenging van de jachtpachtovereenkomst onder dezelfde voorwaarden voorgesteld.

3.4 Zonder voorafgaand overleg met [geïntimeerden] hebben [appellanten], kort na de gezamenlijk geschreven brief van 1 maart 2005, een ander, hoger bod aan de ´Jagdvorstand´ gedaan, welk hoger bod door de ´Jagdvorstand´ werd geaccepteerd. Het jachtrecht voor de periode van 1 april 2006 tot en met 31 maart 2015 is aan [appellanten] gegund.

3.5 Bij brief van 26 oktober 2005 hebben [geïntimeerden] [appellanten] verzocht en gesommeerd [geïntimeerden] te bevestigen dat zij hen in de gelegenheid zullen stellen hun jachtgenot in het jachtveld voort te zetten onder dezelfde voorwaarden als voorheen. Daartoe bleken [appellanten] niet bereid.

3.6 Op verzoek van [geïntimeerden] heeft bij de rechtbank Arnhem op 30 juni 2006 een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden, waarbij zowel partijen als getuigen zijn verschenen en verhoord. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt.

3.7 Uit de inhoud van de getuigenverklaringen komt, naast de hiervoor al weergegeven vaststaande feiten (onder meer) het volgende naar voren. [geïntimeerde sub 2] heeft, toen het einde van de jachtrechten in beeld kwam, contact opgenomen met [appellant sub 2] met het voorstel om weer met zijn vieren in te schrijven. Ook heeft hij voorgesteld om twee jongeren, [persoon A]] en [persoon B], in het contract op te laten opnemen, opdat deze na enkele jaren in de plaats zouden kunnen komen van [geïntimeerden] [geïntimeerden] waren op dat moment al ruim in de zestig en vonden negen jaar wel erg lang. [appellant sub 2] heeft na enige bedenktijd teruggebeld en verklaard dat [appellant sub 1] en hij akkoord waren om weer met zijn vieren in te schrijven ter voorkoming van het opbieden tegen elkaar, maar dat zij niet bereid waren om met twee nieuwe namen in te schrijven. Na de gezamenlijke aanbiedingsbrief van 1 maart 2005 hebben [appellanten] in het jachtgebied vernomen dat een zekere [persoon C (deze heeft dezelfde achternaam als persoon A)] het jachtveld wilde verwerven en daarop ging bieden. [appellanten] dachten dat het dezelfde [persoon C (deze heeft dezelfde achternaam als persoon A)] betrof die door [geïntimeerde sub 2] als potentiële contractspartner naar voren was geschoven en dat dit een handigheidje van [geïntimeerden] was om hen, achter hun rug om, buiten spel te zetten. [appellanten] hebben toen besloten om geen contact op te nemen met [geïntimeerden] maar zich met zijn tweeën nogmaals in te schrijven voor het jachtveld voor een bedrag dat € 2,50 per hectare hoger lag dan de oude jachtprijs. Pas enkele weken nadat de jachtrechten aan [appellanten] waren gegund hebben zij vernomen dat de [persoon C], waarvan zij in het jachtveld hadden gehoord, een broer is van [persoon A], die [geïntimeerden] als contractspartner naar voren hadden geschoven. Gedurende de negen jaren dat partijen het jachtveld samen hebben gepacht, is de verhouding tussen hen verslechterd, omdat [appellanten] zich niet konden vinden in de wijze waarop [geïntimeerden] de jacht bedreven en het jachtveld beheerden.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Dit kort geding gaat over het volgende.

Onder een overeenkomst (Jagdpachtvertrag) met de (door de Jagdvorstand vertegenwoordigde) Jagdgenossenschaft hebben partijen gezamenlijk van 1 april 1997 tot en met 31 maart 2006 de jacht gepacht op het in Duitsland gelegen jachtveld [jachtgebied]. Dit jachtrecht hebben partijen verdeeld in een helft voor [appellanten] en een helft voor [geïntimeerden] Voor het nieuwe jachtrecht van 1 april 2006 tot en met 31 maart 2015 hebben partijen krachtens onderlinge afspraak bij brief van 1 maart 2005 wederom gezamenlijk ingeschreven voor € 17,50 per ha per jaar. Kort daarna hebben [appellanten] echter buiten [geïntimeerden] om een hoger bod van € 20,00 uitgebracht en het jachtrecht voor henzelf verkregen. Daarop laten zij [geïntimeerden] niet meer toe.

4.2 Naar aanleiding van de primaire vordering van [geïntimeerden] heeft de voorzieningenrechter [appellanten] veroordeeld:

1 om al het in redelijkheid mogelijke te doen om [geïntimeerden] in dezelfde feitelijke positie te brengen, als waarin [geïntimeerden] zouden hebben verkeerd als zij samen met [appellanten] de jachtrechten voor het jachtveld zouden hebben gekregen onder dezelfde voorwaarden als onder het ‘oude’ jachtpachtcontract,

2 om van hun inspanningen hiertoe één maal per week, te beginnen binnen één week na betekening van dit vonnis, schriftelijk verslag uit te brengen aan de raadsman van [geïntimeerden] en

3 om ingeval [appellanten] in gebreke mochten blijven verslag uit te brengen van hun inspanningen als hierboven genoemd, aan [geïntimeerden] een dwangsom te betalen van € 5.000,00 per week, echter met een maximum van € 20.000,00, een en ander met hun veroordeling in de proceskosten.

4.3 Het gaat hier om een jachtrecht op in Duitsland gelegen onroerend goed. Dit roept de ook in hoger beroep ambtshalve te beoordelen vraag op of het gerecht van Duitsland waar het onroerend goed is gelegen ingevolge artikel 22, aanhef en sub 1 EEX-Verordening exclusief bevoegd is. In het midden kan blijven of het hier naar verdragsautonome interpretatie een zakelijk recht op dan wel huur of pacht van een onroerend goed betreft. [geïntimeerden] hebben hun vorderingen (onder rov. 2.3) niet gericht tegen de Jagdgenossenschaft, maar tegen hun oude combinanten/mede-inschrijvers. De vorderingen strekken niet tot uitoefening van zakelijke of huur- of pachtrechten maar in wezen tot schadevergoeding in natura. De aard (jachtrecht) en de plaats (Duitsland) hebben geen invloed op het geschil tussen partijen maar hooguit op de wijze waarop [appellanten] aan een veroordeling tot schadevergoeding in natura uitvoering kunnen geven. De in onderzoekingen, getuigenverhoren en deskundigenberichten ter plaatse gelegen rechtvaardiging voor deze exclusieve bevoegdheid doet zich niet gelden. Vergelijk onder meer HvJEG 17 mei 1994, Zaak C-294/92, NJ 1994, 648. Nu zich geen geval voordoet volgens artikel 22, aanhef en sub 1 EEX-Verordening, komt in ieder geval ingevolge artikel 2 lid 1 EEX-Verordening aan de Nederlandse (kort geding-)rechter rechtsmacht toe.

4.4 De voorzieningenrechter heeft voorlopig geoordeeld dat [appellanten] de afspraak om tezamen in te schrijven en niet tegen elkaar op te bieden, hebben geschonden door buiten medeweten van [geïntimeerden] een hoger bod uit te brengen.

Daartegen richten [appellanten] hun grieven 1 en 2 in het principaal appel.

4.5 Hierover oordeelt het hof als volgt.

Onder grief 1 erkennen [appellanten] wel als onrechtmatig dat zij [geïntimeerden] van hun hogere bieding niet tevoren op de hoogte hebben gesteld.

Volgens [appellanten] was echter het enige motief voor de overeengekomen gezamenlijke bieding vervallen, had handhaving van de lagere gezamenlijke bieding geen zin meer en mochten zij zelfstandig een hogere bieding uitbrengen toen hen bleek dat er een (serieuze) concurrent was, namelijk (de broer van) [persoon A].

Daarbij zien zij er echter naar het oordeel van het hof aan voorbij dat de dreiging van externe concurrentie onder de biedingsovereenkomst naar redelijkheid en billijkheid nog niet een (heimelijke) interne concurrentie rechtvaardigde, zodat [geïntimeerden] de door [appellanten] achteraf voorgestelde oplossing van een hernieuwde inschrijving ook niet behoefden te accepteren. In de externe concurrentiesituatie was juist overleg geboden tussen de vier jachtcombinanten om het gevaar van die concurrentie in te schatten en te onderzoeken of en op welke wijze zij met zijn vieren daaraan het hoofd konden en wilden bieden, mogelijk met een gezamenlijke hogere bieding. Partijen zijn verdeeld over de ernst van de concurrentie van de broer van [persoon A], volgens [appellanten] serieus omdat hij (aanzienlijk) meer bood dan € 17,50, maar volgens [geïntimeerden] (achteraf) niet zwaar omdat hij daarbij twee perioden van negen jaar verlangde. Hoe dan ook, de (vrees van [appellanten] voor) concurrentie rechtvaardigde onder de biedingsovereenkomst naar redelijkheid en billijkheid in ieder geval niet dat [appellanten] met een hogere bieding trachtten het jachtrecht te verkrijgen voor henzelf alleen en daarbij [geïntimeerden] buiten spel zetten door voor hen de jacht ter plaatse onmogelijk te maken. Ook in dit opzicht zijn [appellanten], toerekenbaar, tekortgeschoten in hun overeenkomst tot een gezamenlijke bieding.

Grief 1 in het principaal appel faalt.

4.6 De voorzieningenrechter heeft een causaal verband aangenomen tussen de toerekenbare tekortkoming van [appellanten] en het gemis van de jacht voor [geïntimeerden]

Daartegen richten [appellanten] tevens hun grief 2 in het principaal appel.

4.7 Anders dan [appellanten] aanvoeren, moet niet de situatie worden vergeleken tussen de bieding van de concurrent en de (oorspronkelijke) gezamenlijke bieding van partijen. Mèt de voorzieningenrechter oordeelt het hof voorshands aannemelijk dat partijen, zonder tekortkoming van [appellanten], in het verlengde van hun door de redelijkheid en billijkheid beheerste biedingsovereenkomst, tijdig gezamenlijk overleg zouden hebben gevoerd en dan onder afweging van hun kansen en van de risico’s van de gerezen concurrentie, hun gezamenlijke bieding (enigszins) zouden hebben aangepast en daarmee hun kans op verlening van het Jagdpachtvertrag zouden hebben vergroot. Dat de afloop van dat hypothetische scenario niet bekend is, hebben [appellanten] nu eenmaal zelf veroorzaakt door hun geheime, hogere bieding, waarmee zij [geïntimeerden] hebben weggeconcurreerd. In ieder geval is achteraf gebleken dat die hogere bieding van [appellanten] ad € 20,00 per ha per jaar voor negen jaar voldoende was om de broer van [persoon A], die tweemaal negen jaar verlangde, uit te schakelen. [appellanten] hebben ook niet (voldoende gemotiveerd) uiteengezet waarom [geïntimeerden] (al dan niet met opvolgers) niet bereid zouden zijn geweest tot aanpassing van hun gezamenlijke bieding om die concurrentie het hoofd te bieden. De voorzieningenrechter heeft [geïntimeerden] dus terecht in dezelfde feitelijke positie willen brengen als ware het Jagdpachtvertrag verlengd. Of dit nu tegen € 17,50 (de gezamenlijke bieding) of € 20,00 (de hogere bieding van [appellanten]) per ha zou zijn geweest, behoeft in dit kort geding geen beantwoording.

De grief wordt verworpen.

4.8 De voorzieningenrechter heeft [appellanten] veroordeeld (1) om al het in redelijkheid mogelijke te doen om [geïntimeerden] in dezelfde feitelijke positie te brengen, (2) om van hun inspanningen hiertoe één maal per week schriftelijk verslag uit te brengen en (3) om dwangsommen te betalen ingeval zij in gebreke bleven verslag uit te brengen van hun inspanningen.

4.9 Naar de gerechtigden [geïntimeerden] terecht op grief 3 van [appellanten] in het principaal appel antwoordden, heeft de dwangsomveroordeling slechts betrekking op de schriftelijke informatieplicht in het dictum sub 2. Dit blijkt uit rov. 3.5 slot en de formulering van het dictum. De dwangsom is niet, ook niet indirect, gericht op de inspanningen van [appellanten] Daarvoor is het dictum sub 1 “om al het in redelijkheid mogelijke te doen”, mede in het licht van de daaraan voorafgaande overwegingen en het processuele debat, onvoldoende bepaald, zodat het ook niet goed kan strekken tot een door een dwangsom effectief afdwingbare hoofdveroordeling. Hierop stuiten alle klachten van [appellanten] over de koppeling van de dwangsom aan een volgens hen door een open norm te vage hoofdveroordeling sub 1 af.

Dit dictum dwong [appellanten], op straffe van verbeurte van dwangsommen, tot wekelijkse verantwoording over de voortgang van hun, verplichte, inspanningen om [geïntimeerden] alsnog de mogelijkheid van dezelfde jacht te geven, hetgeen [geïntimeerden] dan aanleiding kon geven om ingeval van onvoldoende voortgang en ter bestrijding van meer concreet opkomende obstakels opnieuw tegen [appellanten] te procederen. De veroordeling had daarmee een overwegend procedureel karakter. De grief heeft dus geen succes.

4.10 Ook [geïntimeerden] hebben bezwaren tegen dit dictum, waartegen zij hun grief in het incidenteel appel richten en waarbij zij, voor de toekomst, hun eis wijzigen.

4.11 Dit geeft aanleiding tot de volgende nadere feitenvaststelling.

Na en ter uitvoering van het vonnis van de voorzieningenrechter (van 10 oktober 2006), hebben partijen bij brief van 20 oktober 2006 de Jagdvorstand op de hoogte gebracht van dit geschil en vonnis en om een gesprek verzocht. Bij brief van 2 november 2006 heeft de door [geïntimeerden] ingeschakelde Duitse advocaat V. Gellert de Jagdvorstand aansprakelijk gesteld wegens de volgens hen, [geïntimeerden], onterechte pachtuitgifte aan [appellanten] Op 8 november 2006 hebben partijen gezamenlijk een bespreking gevoerd met ([persoon D], voorzitter van) de Jagdvorstand tot herstel van [geïntimeerden] in de jachtrechten, echter zonder resultaat.

4.12 In het kader van hun onder 2.3 weergegeven vordering sub 1.a. merken [geïntimeerden] zelf op dat toevoeging van hen beiden aan het Jagdpachtvertrag met [appellanten] kennelijk niet mogelijk is en dat zij [appellanten] evenmin willen dwingen tot een procedure tegen de Jagdvorstand wegens onrechtmatig handelen.

Wel verlangen zij, bereid tot betaling van € 17,50 per ha, dat [appellanten] aan hen overeenkomstig paragraaf 6 van het Jagdpachtvertrag zogenaamde unentgeltliche (gratis, om niet) Jagderlaubnisscheine (jachtvergunningen) zal afgeven.

Van het thans geldende Jagdpachtvertrag van [appellanten] bepaalt paragraaf 6 onder meer:

“(1) Jeder Pächter darf höchstens 1 unentgeltliche Jagdterlaubnisschein(e) ausgeben. (…)

Die Ausgabe der Jagderlaubnisscheine erfolgt vorbehaltlich einer etwaigen Beanstandung der unteren Jagdbehörde. (…)

(2) Die Unterverpachtung is – ausgeschlossen – nur mit Zustimmung des Verpächters und vorbehaltlich einer etwaigen Beanstandung durch die untere Jagbehörde zulässig.

(3) Alle Jagderlaubnisscheine sind von sämtlichen Pächtern und – in verpachteten Jagdbezirken – von dem Verpächter zu unterzeichnen. (…)”.

Bij brief van 17 november 2005 heeft de Landrat van de Kreis Kleve aan [appellant sub 2] unentgeltliche Jagderlaubnisscheine voor [persoon E], [persoon F] en [persoon G] met daarop een aantekening retour gezonden.

Of [appellanten] daarmee het gevorderde, c.q. vonnis hebben gefrustreerd, zoals [geïntimeerden] aanvoeren, kan in dit kader in het midden blijven. Zoals uit voorgaande paragraaf blijkt, mogen [appellanten] niet meer unentgeltliche Jagderlaubnisscheine uitgeven dan zij al hebben gedaan. [geïntimeerden] hebben zich nog beroepen op opzegbaarheid van de uitgegeven Jagderlaubnisscheine, maar dit standpunt hebben zij pas voor het eerst ingenomen bij het laatste processtuk in hoger beroep (hun akte van 29 januari 2008), waarover [appellanten] zich niet meer hebben uitgelaten en waartoe in het kader van dit kort geding evenmin gelegenheid zal worden gegeven. Van minstens even groot gewicht is echter de omstandigheid dat afgifte van Jagderlaubnisscheine aan [geïntimeerden] niet unentgeltlich, maar tegen een tegenprestatie van tenminste € 17,50 per ha zou plaatsvinden, hetgeen in strijd komt met het Jagdpachtvertrag.

Op grond van een en ander bestaat er voorshands onvoldoende zekerheid om aan te nemen dat [appellanten] (redelijkerwijs) in staat zijn om er voor zorg te dragen dat [geïntimeerden] in de gelegenheid zullen worden gesteld hun jacht(-rechten) ter plaatse uit te oefenen. Daarom heeft de voorzieningenrechter de daartoe strekkende vordering terecht in zoverre afgewezen, faalt de grief in het incidenteel appel op dit punt en moet ook het hof de gewijzigde vorderingen onder 1.a. en 1.b afwijzen.

4.13 [geïntimeerden] vorderen onder 2.a ook een verbod aan [appellanten] om hun oude jachtgebied onder het nieuwe Jagdpachtvertrag te bejagen.

4.14 Naar het oordeel van het hof hebben [geïntimeerden] echter geen rechten op de jacht ter plaatse. Naar zij vermelden, strekt hun vordering tot een extra prikkel om aan de onrechtmatige toestand een einde te maken. Blijkens het hiervoor overwogene is evenwel te onzeker dat [appellanten] (redelijkerwijze) in staat zijn om de thans ontstane situatie nog in het voordeel van [geïntimeerden] te wijzigen. Hoe toewijzing van het gevorderde verbod dan een prikkel zou kunnen vormen, valt zonder toelichting van [geïntimeerden], die ontbreekt, in redelijkheid niet in te zien.

Ook zou het gevorderde verbod volgens [geïntimeerden] strekken tot voordeelsontneming. Dit is in zoverre juist dat toewijzing daarvan enkel [appellanten] zou schaden, maar het zou aan [geïntimeerden] geen voordeel opleveren en dus ook niet kunnen fungeren tot een soort winstafdracht in natura. Een en ander is onvoldoende voor toewijzing van deze vordering.

Daarom worden de gewijzigde vorderingen onder 2.a. en 2.b eveneens afgewezen.

4.15 [appellanten] hebben onder hun grief 4 in het principaal appel aangevoerd dat de voorzieningenrechter het gevorderde integraal behoorde af te wijzen wegens de toen inmiddels “bekoelde” verhouding tussen partijen en omdat [appellanten] niet jegens de verpachter hoofdelijk aansprakelijk wilden zijn voor gedragingen van [geïntimeerden]

4.16 Naar het oordeel van het hof bestond de samenwerkingsvorm reeds gedurende negen jaar onder het eerdere Jagdpachtvertrag. Al was die verhouding tussen partijen in de loop van de tijd verslechterd, omdat [appellanten] zich niet konden vinden in de wijze waarop [geïntimeerden] de jacht bedreven en het jachtveld beheerden, dit heeft voor [appellanten] klaarblijkelijk aanvankelijk geen bezwaar gevormd om deze constructie opnieuw gedurende negen jaar met [geïntimeerden] voort te zetten. Wederom zouden beide partijen dan hun eigen helft bejagen en verder weinig met elkaar te maken hebben. [appellanten] hebben ook niet concreet uiteengezet welk (te vrezen) gedrag van [geïntimeerden] aanleiding zou kunnen geven tot hun hoofdelijke aansprakelijkheid jegens de verpachter.

De grief slaagt niet.

4.17 In hun incidenteel appel hebben [geïntimeerden] nog bezwaar gemaakt tegen de maximering van de dwangsommen tot in totaal € 20.000,00.

4.18 Naar het oordeel van het hof was deze maximering onder artikel 611b, laatste volzin Rv in het licht van de hiervoor besproken inhoud en strekking van de hoofdveroordeling sub 2 (om wekelijks verantwoording af te leggen over de voortgang van hun, verplichte, inspanningen) alleszins gepast. Zij deed niet af aan de prikkel van de dwangsommen op de wekelijkse rapportages. Dat blijkt ook wel uit het verloop na het vonnis (van 10 oktober 2006): binnen een maand zaten partijen met elkaar bij de Jagdvorstand aan tafel (op 8 november 2006). Het zou verder het niet billijk zijn om in dit geval van een dwangsom op een procedurele voortgang de maximering te relateren aan de waarde van het onderliggende materiële recht (in de vorm van een gecumuleerde pachtsom of, vervangende, schade in de buurt van € 100.000,00).

Ook dit onderdeel van het incidenteel appel mislukt.

Het hof maakt evenwel gebruik van zijn ambtshalve bevoegdheid om te bepalen dat [appellanten] geen dwangsommen (meer) verbeuren vanaf het moment dat van hun inspanningen redelijkerwijs geen resultaat meer te verwachten valt.

4.19 Voor het aanbod van [appellanten] tot bewijslevering door het horen van getuigen biedt het kort geding uit zijn aard in beginsel geen plaats. Omtrent de noodzaak van een uitzondering is niets gesteld of gebleken. Daarom gaat het hof daaraan voorbij.

4.20 Gelet op al het voorgaande heeft de voorzieningenrechter [appellanten] terecht als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van de eerste aanleg veroordeeld. Daarop stuit grief 5 in het principaal appel af.

5 De slotsom

5.1 Beide appellen falen, zodat het bestreden vonnis wordt bekrachtigd, zij het onder de nadere bepaling als bedoeld in rov. 4.18, slot.

5.2 De in hoger beroep gewijzigde vorderingen van [geïntimeerden] worden voor het overige afgewezen.

5.3 Als de in het ongelijk gestelde partijen zullen [appellanten] in de kosten van het principaal appel en [geïntimeerden] in de kosten van het incidenteel appel worden veroordeeld.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in kort geding in het principaal en het incidenteel appel:

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem van 10 oktober 2006 met dien verstande, en onder vernietiging in zoverre, dat [appellanten] geen dwangsommen (meer) verbeuren vanaf het moment dat van hun inspanningen redelijkerwijs geen resultaat meer te verwachten valt;

wijst de in hoger beroep gewijzigde vorderingen van [geïntimeerden] voor het overige af;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het principaal appel, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerden] begroot op € 894,00 voor salaris van de procureur en op € 296,00 voor griffierecht;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van het incidenteel appel, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellanten] begroot op € 447,00 voor salaris van de procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. Steeg, Valk en Van Daalen en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 15 april 2008.