Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BF7460

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
26-02-2008
Datum publicatie
12-02-2009
Zaaknummer
104.004.093
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Het hof is van oordeel dat [appellant] slechts aanspraak heeft op de vergoeding van € 40.000,- bruto indien aan twee voorwaarden is voldaan, te weten a. [appellant] heeft een wachtgelduitkering aangevraagd en b. [appellant] heeft in de periode van 4 mei 2006 tot 4 mei 2007 daadwerkelijk betalingen op grond van een wachtgeld- en/of een werkloosheidsuitkering ontvangen. Vast staat -het hof verwijst naar rechtsoverweging 2.4 van het bestreden vonnis- dat [appellant] met ingang van 1 juni 2006 een dienstverband met een derde heeft aanvaard en in de periode van 4 mei 2006 tot 4 mei 2007 geen wachtgelduitkering en/of werkloosheidsuitkering heeft ontvangen. Dit betekent dat [appellant], nu in ieder geval niet aan de hiervoor onder b vermelde voorwaarde is voldaan, geen aanspraak heeft op de eerdergenoemde vergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2009-0115
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

26 februari 2008

eerste civiele kamer

zaaknummer 104.004.093

rolnummer (oud) 2007/1058

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

procureur: mr. J.M. Bosnak,

tegen:

de stichting

Stichting Rijdende School,

gevestigd te Geldermalsen,

geïntimeerde,

procureur: mr. P.M. Wilmink.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis van 23 juli 2007 dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Arnhem in kort geding heeft gewezen tussen appellant (hierna te noemen: [appellant]) als gedaagde en geïntimeerde (hierna te noemen: De Rijdende School) als eiseres. Een fotokopie van dit vonnis is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 14 augustus 2007 De Rijdende School aangezegd in hoger beroep te komen van het hiervoor genoemde vonnis, met dagvaarding van De Rijdende School voor dit hof. In genoemd exploot heeft [appellant], onder overlegging van producties, acht grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht en bewijs aangeboden. [appellant] heeft aangekondigd te zullen concluderen dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, De Rijdende School in haar vorderingen in eerste aanleg niet ontvankelijk zal verklaren, althans haar deze zal ontzeggen als ongegrond en/of onbewezen, met veroordeling van De Rijdende School, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van beide instanties, het salaris van de (het hof leest) procureur van [appellant] daaronder begrepen.

2.3 Bij conclusie van eis in hoger beroep heeft [appellant] geconcludeerd overeenkomstig het hiervoor vermelde exploot.

2.4 Bij memorie van antwoord heeft De Rijdende School de grieven bestreden, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof [appellant] in zijn appel niet-ontvankelijk zal verklaren, althans het door hem ingestelde hoger beroep zal afwijzen en het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het appel.

2.5 Vervolgens hebben beide partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 De grieven

[appellant] heeft de volgende grieven aangevoerd.

Grief I

Motiveringsplicht

Ten onrechte is de voorzieningenrechter niet (inhoudelijk) ingegaan op de standpunten van [appellant], maar doet hij diens standpunten onder 4.9 van zijn vonnis af met “voor een andere uitleg van de beschikking, in het bijzonder voor de door [appellant] voorgestane uitleg, ziet de voorzieningenrechter onvoldoende aanknopingspunten.”

Grief II

Art. 31 Rv. niet bedoeld voor door De Rijdende School gevraagde herstel

Ten onrechte is de voorzieningenrechter niet ingegaan op het standpunt van [appellant] dat artikel 31 Rv. niet is bedoeld voor het door De Rijdende School gevraagde herstel.

Grief III

Onheus gebruik art. 31 Rv.

Ten onrechte is de voorzieningenrechter niet ingegaan op het standpunt van [appellant] dat artikel 31 Rv. door De Rijdende School oneigenlijk wordt gebruikt.

Grief IV

Uitgegaan dient te worden van het dictum

Ten onrechte heeft de voorzieningenrechter onder punt 4.8 van zijn vonnis overwogen “gelet ook op de door de kantonrechter geschreven brief van 5 september 2006 het dictum aldus moet worden begrepen dat voorwaarde voor de betaling (…)”.

Grief V

Het dictum mag niet worden uitgelegd of geïnterpreteerd

Ten onrechte heeft de voorzieningenrechter in zijn vonnis -onder punt 4.4. tot en met 4.8 van dit vonnis- een (eigen) interpretatie gegeven van hetgeen de kantonrechter in diens beschikking van 20 april 2006 wellicht bedoeld zou kunnen hebben.

Grief VI

Passend inkomen

Ten onrechte overweegt de voorzieningenrechter onder punt 4.4 van zijn vonnis dat de kantonrechter de bedoeling zou hebben gehad met het toekennen van bedoeld bedrag van € 40.000,- bruto om een passend inkomen voor [appellant] te garanderen in de situatie dat [appellant] nog geen ander werk zou hebben en geen wachtgelduitkering en/of werkloosheidsuitkering zou krijgen tot een bedrag van ongeveer 78% van zijn laatstverdiende loon.

Grief VII

Al dan niet wachtgeld

Ten onrechte overweegt de voorzieningenrechter dat de kantonrechter er kennelijk niet zeker van was of daadwerkelijk wachtgeld zou worden toegekend (4.6 van zijn vonnis).

Grief VIII

Wanneer recht op vergoeding?

Ten onrechte heeft de voorzieningenrechter de vraag van [appellant] -indien juist is dat inkomsten uit arbeid in mindering op de vergoeding kunnen worden gebracht- in welk geval hij aanspraak kon maken op geheel of gedeeltelijke betaling van bedoelde € 40.000,- bruto, niet beantwoord.

4 De vaststaande feiten

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.8 feiten vastgesteld. Aangezien tegen die vaststelling geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, zal het hof in hoger beroep ook van die feiten uitgaan.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1 Het geschil betreft de tenuitvoerlegging door [appellant] van een door de kantonrechter (rechtbank ’s-Hertogenbosch, sector kanton, locatie Eindhoven) op 20 april 2006 gegeven beschikking (hierna: de beschikking), waarbij de arbeidsovereenkomst tussen De Rijdende School en [appellant] is ontbonden per 4 mei 2006.

5.2 De kantonrechter heeft in rechtsoverweging 7.2 en 7.3 van de beschikking het volgende overwogen:

“7.2 Ten aanzien van [appellant] is met het oog op zijn leeftijd wel aannemelijk dat het enige tijd zal kosten voor hij weer aan het werk kan, maar daar staat tegenover dat als hem wachtgeld wordt toegekend dit geruime tijd zal doorlopen en hem langdurig een percentage van 78 tot 70 van zijn salaris verzekert, naar hij niet ontkend heeft.”

en

“7.3 Met het oog op een en ander wordt na te melden vergoeding passend geacht, onder aantekening dat uitgangspunt is dat [appellant] een wachtgelduitkering aanvraagt.”

In het dictum van de beschikking is -voor zover hier van belang- het volgende bepaald:

“Veroordeelt SRS (hof: De Rijdende School) tot betaling aan [appellant] van een billijkheidsvergoeding van € 55.000,- bruto, waarvan € 15.000,- onmiddellijk betaald moet worden en een bedrag van € 40.000,- bruto betaald moet worden per 4 mei 2007 nadat daarop in mindering is gebracht de over de periode 4 mei 2006 - 4 mei 2007 blijkens opgave van de uitkeringsinstelling aan [appellant] betaalde brutowachtgeld- en/of werkloosheidsuitkering;”(…)

5.3 De Rijdende School heeft het in de beschikking vermelde bedrag van € 15.000,- bruto aan [appellant] betaald. Zij weigert het in de beschikking vermelde bedrag van € 40.000,- bruto aan [appellant] te betalen. Volgens De Rijdende School is geen sprake van een “wachtgeldsituatie” omdat [appellant] met ingang van 1 juni 2006 een nieuwe baan heeft aanvaard, waaruit hij inkomsten heeft verworven en aan hem in de periode van 4 mei 2006 tot 4 mei 2007 geen wachtgeld- en/of werkloosheidsuitkering is toegekend noch is uitbetaald. [appellant] voert hiertegen aan dat hij, aangezien in de beschikking niets is vermeld omtrent mogelijke inkomsten uit arbeid, naast de door hem ontvangen inkomsten uit arbeid aanspraak heeft op het in de beschikking genoemde bedrag van € 40.000,- bruto.

5.4 De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis overwogen dat, aangezien [appellant] doordat hij een dienstbetrekking elders heeft aanvaard nimmer aanspraak heeft gemaakt op een werkloosheidsuitkering of een wachtgelduitkering en zich dus geen “wachtgeldsituatie” heeft voorgedaan, hij op grond van de beschikking geen aanspraak kan maken op betaling van € 40.000,- of een deel daarvan. Gelet hierop heeft de voorzieningenrechter [appellant] bevolen de executie van de beschikking te staken en gestaakt te houden.

5.5 Het hof stelt voorop dat de rechter in het executiegeschil gebonden is aan de in de beschikking gegeven beslissingen. De rechter in het executiegeschil heeft niet tot taak de door de kantonrechter besliste rechtsverhouding zelfstandig opnieuw te beoordelen, maar hij dient zich er toe te beperken de ter uitvoering van de veroordelende beschikking verrichte handelingen te toetsen aan de inhoud van de veroordeling zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. De in het dictum van de beschikking uitgesproken veroordeling moet worden gelezen in verband met de daaraan voorafgaande rechtsoverwegingen waarop zij steunt. Ook de voorzieningenrechter heeft -in rechtsoverweging 4.3 van het bestreden vonnis- deze uitgangspunten in aanmerking genomen. Voor zover [appellant] met grief V er over klaagt dat de voorzieningenrechter het dictum van de beschikking niet had mogen uitleggen, faalt deze grief.

5.6 Als het grondbeginsel van een behoorlijke rechtspleging geldt dat elke rechterlijke beslissing tenminste zodanig moet worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de aan haar ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden controleerbaar en aanvaardbaar te maken. Dit beginsel is ook vastgelegd in artikel 30 Rv, waarin is bepaald dat vonnissen, arresten en beschikkingen de gronden inhouden waarop zij rusten, tenzij uit de wet anders voortvloeit. Daarbij geldt dat de rechter niet behoeft in te gaan op alle door de procespartijen ter ondersteuning van hun standpunt aangevoerde stellingen. Voor zover [appellant] met de grieven I tot en met IV en met grief VIII er over klaagt dat de voorzieningenrechter niet op alle door hem aangevoerde argumenten is ingegaan, falen deze grieven.

5.7 Op grond van artikel 31 lid 4 Rv staat tegen de weigering van de rechter om in zijn beschikking een kennelijke fout als bedoeld in artikel 31 lid 1 Rv te verbeteren, geen voorziening open. Dit betekent dat de klacht van [appellant] tegen de wijze waarop de kantonrechter, op het kennelijk op artikel 31 Rv gebaseerde verzoek van de Rijdende School, heeft gereageerd, in deze procedure buiten beschouwing dient te blijven. Gelet hierop falen de grieven II en III ook voor het overige. Overigens staat vast dat de kantonrechter het door De Rijdende School gevraagde herstel heeft geweigerd, zodat [appellant] ook geen belang heeft bij de behandeling van deze grieven.

5.8 Anders dan [appellant] heeft aangevoerd, gaat het in deze procedure niet om de vraag of de door hem verworven inkomsten uit arbeid op de door de kantonrechter toegekende vergoeding van € 40.000,- in mindering mogen worden gebracht. Daaromtrent heeft de kantonrechter niets in zijn beschikking overwogen. Het gaat slechts om de vraag hoe (het dictum van) de beschikking van de kantonrechter moet worden uitgelegd.

5.9 In de beschikking is allereerst een verplichting van De Rijdende School vastgelegd om “onmiddellijk” een bedrag van € 15.000,- aan [appellant] te betalen. Aan die verplichting zijn geen verdere voorwaarden verbonden. Daarnaast is in de beschikking een verplichting van De Rijdende School vastgelegd om in de toekomst, te weten per 4 mei 2007, een bedrag van € 40.000,- aan [appellant] te betalen, nadat daarop in mindering is gebracht de over de periode van 4 mei 2006 tot 4 mei 2007 aan [appellant] betaalde (cursivering door het hof) brutowachtgeld- en/of werkloosheidsuitkering. Bij de toekenning van de hiervoor vermelde vergoeding heeft de kantonrechter in rechtsoverweging 7.3 van de beschikking “aangetekend” dat uitgangspunt is dat [appellant] een wachtgelduitkering aanvraagt.

5.10 Het hof is van oordeel dat [appellant] slechts aanspraak heeft op de vergoeding van € 40.000,- bruto indien aan twee voorwaarden is voldaan, te weten a. [appellant] heeft een wachtgelduitkering aangevraagd en b. [appellant] heeft in de periode van 4 mei 2006 tot 4 mei 2007 daadwerkelijk betalingen op grond van een wachtgeld- en/of een werkloosheidsuitkering ontvangen. Vast staat -het hof verwijst naar rechtsoverweging 2.4 van het bestreden vonnis- dat [appellant] met ingang van 1 juni 2006 een dienstverband met een derde heeft aanvaard en in de periode van 4 mei 2006 tot 4 mei 2007 geen wachtgelduitkering en/of werkloosheidsuitkering heeft ontvangen. Dit betekent dat [appellant], nu in ieder geval niet aan de hiervoor onder b vermelde voorwaarde is voldaan, geen aanspraak heeft op de eerdergenoemde vergoeding.

5.11 In deze procedure is niet van belang op welke wijze de beschikking dient te worden uitgelegd in eventuele andere situaties, die [appellant] in zijn toelichting op grief VIII heeft beschreven, aangezien niet is gesteld noch aannemelijk is geworden dat deze situaties zich hebben voorgedaan. Gelet hierop is evenmin van belang of [appellant] aanspraak zou hebben op de vergoeding van € 40.000,- bruto in de situatie, zoals vermeld in rechtsoverweging 4.4 van het bestreden vonnis.

5.12 Op grond van hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 5.5 is overwogen staat het het hof niet vrij te beoordelen of, zoals [appellant] heeft aangevoerd, de beschikking tot een voor hem onbillijke uitkomst heeft geleid.

5.13 Op grond van het voorgaande falen de grieven IV en V voor het overige en falen de grieven VI tot en met VIII eveneens.

5.14 Aangezien geen van de grieven slaagt, dient het bestreden vonnis te worden bekrachtigd. Evenals in eerste aanleg dient [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in hoger beroep te worden veroordeeld.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep in kort geding:

bekrachtigt het tussen partijen in kort geding gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Arnhem van 23 juli 2007;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van De Rijdende School begroot op € 300,- voor verschotten en € 1.158,- voor salaris van de procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. Smeeïng-van Hees, Van den Brink en Knottnerus en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 februari 2008.

Bij afwezigheid van de voorzitter is dit arrest ondertekend door de jongste raadsheer.