Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BF7389

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
01-04-2008
Datum publicatie
21-10-2008
Zaaknummer
104.003.934
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Hoge Raad heeft meermalen beslist dat de beslissing van de rechter -in een voor deze rechter aanhangig geding- omtrent een door een getuige gedaan beroep op verschoningsrecht hetzelfde karakter heeft als een beslissing in de hoofdzaak. In navolging van deze rechtspraak is het hof van oordeel dat de in rechtsoverweging 3.3 vermelde beslissing van de rechtbank Arnhem van 7 november 2007 hetzelfde karakter heeft als een beslissing in de hoofdzaak. Dit betekent dat indien de voorzieningenrechter in kort geding moet beslissen op een vordering tot het geven van een voorlopige voorziening nadat de bodemrechter reeds een vonnis in de hoofdzaak heeft gewezen, de voorzieningenrechter in beginsel zijn vonnis dient af te stemmen op het oordeel van de bodemrechter, ongeacht of dit oordeel is gegeven in een tussenvonnis of in een eindvonnis, in de overwegingen of in het dictum van het vonnis, en ongeacht of dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan en, zo dit niet het geval is, zonder daarbij de kans van slagen van een tegen dat vonnis ingesteld rechtsmiddel te betrekken. Onder omstandigheden kan plaats zijn voor een uitzondering op dit beginsel, hetgeen het geval zal kunnen zijn indien het vonnis van de bodemrechter klaarblijkelijk op een misslag berust en de zaak dermate spoedeisend is dat de beslissing op een tegen dat vonnis aangewend rechtsmiddel niet kan worden afgewacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

1 april 2008

eerste civiele kamer

zaaknummer 104.003.934

rolnummer (oud) 2007/899

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellante],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

appellante,

procureur: mr. A.W.H.L.M. van Bon-Moors,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

procureur: mr. P.J.M. van Wersch.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van het vonnis van 14 juni 2007 dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Arnhem in kort geding heeft gewezen tussen appellante (hierna te noemen: [appellante]) als eiseres en geïntimeerde (hierna te noemen: [geïntimeerde]) als gedaagde. Een fotokopie van dit vonnis is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [appellante] heeft bij exploot van 10 juli 2007 [geïntimeerde] aangezegd van dat vonnis van

14 juni 2007 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellante] twee grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht en heeft zij een nieuwe productie in het geding gebracht. Zij heeft gevorderd dat het hof (het hof begrijpt) het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende:

1. [geïntimeerde] zal verbieden [appellante] op te roepen in de vrijwaringszaak van [geïntimeerde] tegen [persoon A] (en de Europese Stichting voor Angst & Depressieklachten) of [appellante] zal verplichten op andere wijze haar medewerking te verlenen aan de vrijwaringsprocedure in verband met problemen die zich in deze zaak voordoen of kunnen voordoen omdat dit misbruik van recht is en in strijd met de redelijkheid en billijkheid die de verhoudingen tussen partijen beheersen;

2. [geïntimeerde] zal veroordelen tot de buitengerechtelijke kosten bestaande uit advocaatkosten ter hoogte van € 2.334,85;

3. [geïntimeerde] zal veroordelen tot de kosten van de behandelende psychiater voor de door haar afgegeven verklaring, nader op te maken bij staat;

4. evenals tot de kosten van de “quickscan” van HSK, eveneens nader op te maken bij staat;

5. [geïntimeerde] zal veroordelen in de kosten van dit geding en van het geding in eerste aanleg.

2.3 [appellante] heeft ter rolzitting van 16 oktober 2007, onder overlegging van producties, akte verzocht van het inbrengen van stukken. Deze akte ontbreekt in het procesdossier van [geïntimeerde].

2.4 [appellante] heeft ter rolzitting van 27 november 2007 akte verzocht van enkele op schrift gestelde mededelingen, waarbij zij tevens haar eis heeft gewijzigd.

2.5 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden, heeft hij producties in het geding gebracht en heeft hij gereageerd op de in rechtsoverweging 2.4 vermelde akte, die [appellante] op voorhand aan hem heeft toegezonden. Hij heeft geconcludeerd dat het hof [appellante] in de door haar gehandhaafde vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten (bestaande uit advocaatkosten) tot een bedrag van € 2.334,85 alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren nu zij daarbij geen (voldoende) spoedeisend belang heeft, althans subsidiair dat het vonnis van de voorzieningenrechter in eerste aanleg op dit punt zal worden bekrachtigd en dat [appellante], bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het hoger beroep zal worden veroordeeld.

2.6 Ten slotte hebben beide partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 De vaststaande feiten

3.1 De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.9 feiten vastgesteld. Aangezien daartegen geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, zal het hof in hoger beroep ook van die feiten uitgaan. Op grond van hetgeen verder is gesteld en niet of onvoldoende weersproken, kunnen hieraan de volgende vaststaande feiten worden toegevoegd.

3.2 [appellante] heeft in de bij de rechtbank Arnhem onder zaaknummer/rolnummer 104149/HA ZA 03-1546 aanhangige procedure tussen [geïntimeerde] als eiser en de Europese Stichting voor Angst & Depressiebestrijding en [persoon A] als gedaagden bij brief van 21 september 2007 de rechtbank verzocht dat primair wordt afgezien van het horen van haar als getuige, subsidiair tot er een eindoordeel is van het hof Arnhem in het kort geding dat over dat onderwerp dient.

3.3 De rechtbank Arnhem, die de hiervoor genoemde brief als een incidentele vordering heeft geduid, heeft bij vonnis in incident van 7 november 2007 verstaan dat niet van [appellante] kan worden gevergd dat zij in die procedure als getuige wordt gehoord en heeft [geïntimeerde] in de kosten van het incident veroordeeld.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 [appellante] heeft bij haar in rechtsoverweging 2.4 vermelde akte haar eis gewijzigd, in die zin dat zij haar in rechtsoverweging 2.2 onder 1, 3 en 4 vermelde vorderingen heeft ingetrokken, hetgeen neerkomt op een vermindering van eis. Dit betekent dat de grieven

1 en 2 niet meer behoeven te worden besproken. Ook [geïntimeerde] is hiervan uitgegaan en heeft niet meer inhoudelijk gereageerd op de door [appellante] aangevoerde grieven.

4.2 [appellante] heeft haar in rechtsoverweging 2.2 onder 2 en 5 vermelde vorderingen tot betaling door [geïntimeerde] van buitengerechtelijke kosten en veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten gehandhaafd. [geïntimeerde] heeft deze vorderingen gemotiveerd weersproken. Het hof overweegt het volgende.

4.3 De Hoge Raad heeft meermalen beslist dat de beslissing van de rechter -in een voor deze rechter aanhangig geding- omtrent een door een getuige gedaan beroep op verschoningsrecht hetzelfde karakter heeft als een beslissing in de hoofdzaak. In navolging van deze rechtspraak is het hof van oordeel dat de in rechtsoverweging 3.3 vermelde beslissing van de rechtbank Arnhem van 7 november 2007 hetzelfde karakter heeft als een beslissing in de hoofdzaak. Dit betekent dat indien de voorzieningenrechter in kort geding moet beslissen op een vordering tot het geven van een voorlopige voorziening nadat de bodemrechter reeds een vonnis in de hoofdzaak heeft gewezen, de voorzieningenrechter in beginsel zijn vonnis dient af te stemmen op het oordeel van de bodemrechter, ongeacht of dit oordeel is gegeven in een tussenvonnis of in een eindvonnis, in de overwegingen of in het dictum van het vonnis, en ongeacht of dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan en, zo dit niet het geval is, zonder daarbij de kans van slagen van een tegen dat vonnis ingesteld rechtsmiddel te betrekken. Onder omstandigheden kan plaats zijn voor een uitzondering op dit beginsel, hetgeen het geval zal kunnen zijn indien het vonnis van de bodemrechter klaarblijkelijk op een misslag berust en de zaak dermate spoedeisend is dat de beslissing op een tegen dat vonnis aangewend rechtsmiddel niet kan worden afgewacht.

4.4 Op grond van hetgeen in rechtsoverweging 4.3 is overwogen dient het hof uit te gaan van de in het vonnis van de rechtbank Arnhem van 7 november 2007 gegeven beslissingen, zoals hiervoor in rechtsoverweging 3.3. vermeld. Gesteld noch gebleken is dat zich in dit geval een van de in rechtsoverweging 4.3 vermelde uitzonderingen voordoet.

4.5 De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis beslist dat [geïntimeerde] [appellante] als getuige kon oproepen en heeft de vorderingen van [appellante] afgewezen, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten. De rechtbank Arnhem heeft op 7 november 2007 -kortweg gezegd- beslist dat niet van [appellante] kan worden gevergd dat zij als getuige wordt gehoord. Dit betekent dat de voorzieningenrechter ten onrechte [appellante], in plaats van [geïntimeerde], als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten heeft veroordeeld. In zoverre dient het bestreden vonnis te worden vernietigd en dient [geïntimeerde] in de proceskosten in eerste aanleg te worden veroordeeld.

4.6 De rechtbank Arnhem heeft voorts in het vonnis van 7 november 2007 [geïntimeerde] in de proceskosten veroordeeld. Het hof zal de door [appellante] gevorderde buitengerechtelijke kosten afwijzen, daargelaten de vraag of [appellante] in hoger beroep een spoedeisend belang heeft bij deze voorziening. [appellante] heeft als productie 12 bij haar inleidende dagvaarding een specificatie overgelegd van de door haar gevorderde buitengerechtelijke kosten. Gesteld noch gebleken is echter dat deze door [appellante] gevorderde kosten zijn gemaakt ter zake van andere verrichtingen dan die waarvoor de in artikelen 237 e.v. Rv. vermelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten. In zoverre dient het bestreden vonnis te worden bekrachtigd.

4.7 [geïntimeerde] zal, als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

4.8 Met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof als volgt beslissen.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep in kort geding:

verstaat dat [appellante] het door haar gevorderde verbod om haar als getuige op te roepen in de bij de rechtbank Arnhem onder zaaknummer/rolnummer 104149/HA ZA 03-1546 aanhangige procedure tussen [geïntimeerde] als eiser en de Europese Stichting voor Angst & Depressiebestrijding en [persoon A] als gedaagden, in hoger beroep heeft ingetrokken naar aanleiding van de beslissing van de rechtbank Arnhem in het vonnis van 7 november 2007, zodat het hoger beroep is beperkt tot de beoordeling van de beslissing van de voorzieningenrechter met betrekking tot de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten;

vernietigt het tussen partijen in kort geding gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Arnhem van 14 juni 2007, voor zover het de daarin uitgesproken proceskostenveroordeling betreft en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg, tot aan het bestreden vonnis aan de zijde van [appellante] begroot op € 1.151,31 in eerste aanleg, waarvan te voldoen aan de griffier van het gerechtshof (bankrekeningnummer 1923.25.752 ten name van MvJ arrondissement Arnhem, postbus 9030, 6800 EM Arnhem, onder vermelding van het zaaknummer en de namen van partijen) het bedrag van € 1.088,56 te weten:

- € 188,25 wegens in debet gesteld griffierecht,

- € 84,31 wegens exploten,

- € 816,- wegens salaris van de procureur,

en het restant ad € 62,75 aan de procureur van [appellante] wegens het eigen aandeel in het griffierecht;

bekrachtigt het tussen partijen in kort geding gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Arnhem van 14 juni 2007, voor zover daarbij de door [appellante] gevorderde buitengerechtelijke kosten zijn afgewezen;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellante] begroot op € 1.725,31, waarvan te voldoen aan de griffier van het gerechtshof (bankrekeningnummer 1923.25.752 ten name van MvJ arrondissement Arnhem, postbus 9030, 6800 EM Arnhem, onder vermelding van het zaaknummer en de namen van partijen) het bedrag van € 1.650,31 te weten:

- € 225,- wegens in debet gesteld griffierecht,

- € 84,31 wegens exploten,

- € 1.341,- wegens salaris van de procureur,

en het restant ad € 75,- aan de procureur van [appellante] wegens het eigen aandeel in het griffierecht.

Dit arrest is gewezen door mrs. Smeeïng-van Hees, Van den Brink en Knottnerus, bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de jongste raadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 april 2008.