Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BF7306

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
17-06-2008
Datum publicatie
09-02-2009
Zaaknummer
104.006.958
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nu is gebleken dat de sponsorovereenkomst eindigt (twee maanden) na afloop van de Eneco Tour 2008 en deze overeenkomst niet zal worden voortgezet, Eneco zelf stelt een licentie te willen en kunnen verkrijgen voor (de organisatie van) de Eneco Tour na 2008 en de basis voor samenwerking met de stichting - die thans over 50% van de UCI-licentie voor de Beneluxronde beschikt - ontbreekt, heeft Eneco bij haar verzoek tot ontslag van [verzoeker] als bestuurder van de stichting geen rechtstreeks - rechtens te respecteren - belang als bedoeld in artikel 2:298 BW. Eneco kan, gelet op voornoemde omstandigheden, thans - wat er zij van de situatie ten tijde van de beschikking in eerste aanleg - in elk geval niet (meer) worden beschouwd als zodanig in een eigen belang te zijn getroffen dat zij ter bescherming van dat belang kan worden ontvangen in haar op grond van artikel 2:298 BW gedane verzoek. Evenmin heeft Eneco andere omstandigheden aangevoerd die de conclusie kunnen wettigen dat zij als belanghebbende in de zin van evengenoemde bepaling moet worden aangemerkt.

Hetzelfde geldt voor Bora en BRRC, die in eerste aanleg het verzoek van Eneco hebben ondersteund.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 298
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JRV 2009, 317
JIN 2009/202
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 juni 2008

vijfde civiele kamer

zaaknummer 104.006.958

rekestnummer (oud) 2007/463

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Beschikking

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

procureur: mr. J.A.M.P. Keijser,

tegen:

de naamloze vennootschap

Eneco Holding N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

verweerster in hoger beroep,

procureur: mr. L. Paulus,

en

de besloten vennootschap naar Belgisch recht

Bora BVBA,

gevestigd te Tessenderlo, België,

procureur: mr. F.J. Boom,

en

de vereniging naar Belgisch recht

Belgium Road Runners Club,

gevestigd te Scherpenheuvel-Zichem, België,

procureur: mr. F.J. Boom.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikkingen van de rechtbank Arnhem van 17 januari 2007 en 30 januari 2007, gegeven tussen verweersters in hoger beroep (hierna te noemen: Eneco, Bora en BRRC) als verzoeksters en verzoeker in hoger beroep (hierna te noemen: [verzoeker]) als verweerder. Van deze beschikkingen is een fotokopie aan deze beschikking gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij ter griffie van het hof op 17 april 2007 ingekomen beroepschrift is [verzoeker] in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikkingen. [verzoeker] heeft het hof verzocht de bestreden beschikkingen te vernietigen en, opnieuw recht doende, (alsnog) de verzoeken van Eneco af te wijzen, met compensatie van de proceskosten.

2.3 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 22 november 2007, heeft Eneco het hof verzocht het hoger beroep van [verzoeker] ongegrond te verklaren en de bestreden beschikkingen te bekrachtigen en [verzoeker] te veroordelen in de kosten van deze procedure onder bepaling dat, indien deze kosten niet binnen zeven dagen na datum van de beschikking van het hof worden voldaan, daarover vanaf de achtste dag wettelijke rente verschuldigd is.

2.4 Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder twee faxberichten van de advocaat van [verzoeker], mr. T.E.P.A. Lam, advocaat te Nijmegen, van respectievelijk 14 april 2008 en 22 april 2008, beide met bijlagen, een faxbericht van de advocaat van Eneco, mr. G. te Winkel, advocaat te Amsterdam, van 22 april 2008, met bijlagen, en een op voorhand door mr. Lam voornoemd aan het hof en de wederpartij gezonden schriftelijke toelichting, ingekomen ter griffie van het hof op 15 april 2008, met bijlagen.

2.5 Namens Eneco heeft mr. Te Winkel voornoemd schriftelijk en per e-mail bezwaar gemaakt tegen het in het geding brengen van de producties door Eneco en verzocht om aanhouding van de mondelinge behandeling. Het hof heeft daarop besloten dat de mondelinge behandeling doorgang zal vinden en dat er geen reden is om de op voorhand door mr. Lam gezonden stukken te weigeren, nu deze tijdig - in ieder geval niet zo ontijdig dat sprake is van strijd met een goede procesorde - aan het hof en de advocaat van Eneco zijn toegezonden. Daarbij heeft het hof medegedeeld dat, indien en voor zover de advocaat van Eneco niet in staat zal zijn geweest de ontvangen stukken te bespreken met haar cliënte, zij dat tijdens de mondelinge behandeling zal kunnen aangeven en in dat geval het hof kan verzoeken nog nader schriftelijk op die stukken te mogen reageren.

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft Eneco zich in zoverre gerefereerd aan het oordeel van het hof. Het hof is van oordeel dat voornoemde producties in het geding mochten worden gebracht, nu, rekening houdend met de aard en omvang van die producties en het tijdstip waarop deze zijn overgelegd, Eneco geacht moet worden behoorlijk kennis te hebben kunnen nemen van die producties, zich voldoende moet hebben kunnen voorbereiden op een verweer daartegen en adequaat daarop heeft kunnen reageren.

2.6 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 april 2008. [verzoeker] is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Lam voornoemd. Namens Eneco zijn verschenen [persoon A] (directeur communicatie) en [persoon B] (bedrijfsjurist), bijgestaan door mrs. Te Winkel en G.F.E.Koster, advocaat te Amsterdam.

Bora en BRRC, die beiden in eerste aanleg als belanghebbenden zijn verschenen, zijn - met kennisgeving aan het hof - niet ter terechtzitting verschenen.

3 De vaststaande feiten

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking van 30 januari 2007 onder “De vaststaande feiten” feiten vastgesteld. Aangezien daartegen geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, zal het hof in hoger beroep ook van die feiten uitgaan. Aanvulling behoeven die feiten in die zin, dat partijen nadien een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten, waarbij - voor zover hier van belang - is bepaald in artikel 2:

“[verzoeker] zal zich inzetten voor de organisatie van de Eneco Tour 2007.

[verzoeker] respecteert de beschikking van 30 januari 2007, gegeven door de Rechtbank te Arnhem met zaaknummer 149490 / KV RK 06-1509, evenwel met dien verstande dat hij gebruik zal maken van het recht tegen deze beschikking beroep in te stellen bij het Gerechtshof te Arnhem.

Eneco Holding B.V. behoudt zich het recht voor eveneens tegen de beschikking beroep in te stellen.

[verzoeker] zal het daarheen leiden dat het door hem in te stellen beroep niet eerder bij het Gerechtshof te Arnhem zal dienen dan nadat de Eneco Tour 2007 heeft plaatsgevonden.

[verzoeker] zal zich inzetten voor de organisatie van de Eneco Tour 2007. Daarbij zal [verzoeker] in de luwte opereren (en derhalve niet op de voorgrond treden).

Bora en BRRC verbinden zich en staan ervoor in dat de heer [C] op geen enkele wijze betrokken zal zijn bij de (organisatie van) de Eneco Tour.”

4 De motivering van de beslissing

4.1 Bij de bestreden beschikking van 17 januari 2007 heeft de rechtbank op verzoek van Eneco - bij wege van voorlopige voorziening - [verzoeker] met onmiddellijke ingang geschorst in zijn functie als bestuurder van de stichting [de Stichting] (verder te noemen: de stichting), het meer of anders verzochte afgewezen en de overige beslissingen aangehouden. Bij de bestreden beschikking van 30 januari 2007 heeft de rechtbank - beslissende op het verzoek in de hoofdzaak - [verzoeker] ontslagen als bestuurder van de stichting en het meer of anders verzochte afgewezen, met compensatie van de proceskosten tussen de partijen.

4.2 [verzoeker] is van deze beschikking in hoger beroep gekomen. [verzoeker] stelt dat partijen hun geschillen hebben bijgelegd, hebben afgesproken dat terugkeer van [verzoeker] in het bestuur van de stichting aan de orde is nadat de Eneco Tour 2007 is gereden en dat, gelet op artikel 2:298 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW), de door partijen gewenste benoeming van [verzoeker] slechts kan worden bewerkstelligd na vernietiging van de bestreden beschikkingen. Subsidiair voert [verzoeker] aan dat de bestreden beschikkingen dienen te worden vernietigd, omdat Eneco, Bora en BRRC niet als belanghebbenden in de zin van artikel 2:298 BW kunnen worden aangemerkt en voorts omdat geen sprake is van strijd met de wet of met de statuten van de stichting, maar slechts van verschil van mening over het te voeren beleid en slechte onderlinge verhoudingen.

4.3 Eneco bestrijdt dat is afgesproken dat [verzoeker] zou kunnen terugkeren in het bestuur van de stichting. Zij stelt dat zij uitsluitend met het doel de Eneco Tour 2007 toch doorgang te laten vinden bereid is geweest een schikking te treffen, die inhield dat [verzoeker] achter de schermen zou meehelpen aan de organisatie van de Eneco Tour 2007. De bij de vaststellingsovereenkomst betrokken partijen hebben niet terugkeer van [verzoeker] in het bestuur niet beoogd, aldus Eneco. Een en ander neemt niet weg dat Eneco bereid is te accepteren dat [verzoeker] terugkeert in het bestuur, mits wordt vastgelegd dat hij zich op dezelfde wijze terughoudend opstelt met betrekking tot de Eneco Tour als het afgelopen jaar. Volgens Eneco is [verzoeker] daartoe niet bereid, hetgeen extra grond is voor afwijzing van zijn verzoek in hoger beroep. Ten aanzien van het subsidiaire verzoek van [verzoeker] stelt Eneco dat zij onmiskenbaar belanghebbende is in de zin van artikel 2:298 lid 1 BW; zij heeft als sponsor en naamgever een direct belang bij de organisatie van de Eneco Tour. [verzoeker] heeft gehandeld in strijd met de wet en in strijd met de statuten en er was sprake van wanbeheer, aldus Eneco.

4.4 De eerste vraag die voorligt is de vraag of Eneco belanghebbende is in de zin van artikel 2:298 BW. Daarbij moet worden vooropgesteld dat in voormeld artikel niet in het algemeen is aangegeven wie tot de belanghebbenden in de zin van deze bepaling zijn te rekenen en dat dit uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen moet worden afgeleid. Bij de beantwoording van de vraag of iemand belanghebbende is, zal een rol spelen in hoeverre deze door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat deze daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang, of in hoeverre deze anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen (vgl. HR 10 november 2006, NJ 2007,45).

4.5 Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft Eneco uitdrukkelijk te kennen gegeven dat zij heeft besloten de samenwerking met de stichting niet te willen voortzetten, omdat een vruchtbare basis voor verdere samenwerking volgens Eneco ontbreekt. Eneco heeft in dat verband verwezen naar haar brief van 22 april 2007 aan [vof] (verder: de vof), waarin Eneco de vof erop heeft gewezen dat de sponsorovereenkomst in beginsel voortduurt tot twee maanden na afloop van de Eneco Tour van 2008 en waarin zij de vof heeft medegedeeld dat Eneco heeft besloten niet door te gaan met de sponsoring van de Eneco Tour op basis van de huidige organisatiestructuur. Eneco overweegt - zo is eveneens ter terechtzitting bevestigd - een aanvraag in te dienen voor een eigen licentie die recht geeft op de organisatie van de Eneco Tour na 2008, en meent die ook te kunnen krijgen. Zij heeft gesteld er geen vertrouwen in het hebben om tezamen met de stichting een licentie aan te vragen.

4.6 Nu is gebleken dat de sponsorovereenkomst eindigt (twee maanden) na afloop van de Eneco Tour 2008 en deze overeenkomst niet zal worden voortgezet, Eneco zelf stelt een licentie te willen en kunnen verkrijgen voor (de organisatie van) de Eneco Tour na 2008 en de basis voor samenwerking met de stichting - die thans over 50% van de UCI-licentie voor de Beneluxronde beschikt - ontbreekt, heeft Eneco bij haar verzoek tot ontslag van [verzoeker] als bestuurder van de stichting geen rechtstreeks - rechtens te respecteren - belang als bedoeld in artikel 2:298 BW. Eneco kan, gelet op voornoemde omstandigheden, thans - wat er zij van de situatie ten tijde van de beschikking in eerste aanleg - in elk geval niet (meer) worden beschouwd als zodanig in een eigen belang te zijn getroffen dat zij ter bescherming van dat belang kan worden ontvangen in haar op grond van artikel 2:298 BW gedane verzoek. Evenmin heeft Eneco andere omstandigheden aangevoerd die de conclusie kunnen wettigen dat zij als belanghebbende in de zin van evengenoemde bepaling moet worden aangemerkt.

Hetzelfde geldt voor Bora en BRRC, die in eerste aanleg het verzoek van Eneco hebben ondersteund.

4.7 Ten overvloede overweegt het hof dat de door Eneco jegens [verzoeker] geuite verwijten in overwegende mate betrekking hebben op gedragingen van [verzoeker] in zijn hoedanigheid van medeorganisator van de Eneco Tour - als directeur van ICSO en de vof - en niet op zijn gedrag in zijn functie van bestuurder van de stichting. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de stichting niet zelf de Eneco Tour organiseert, maar het beheer van de licentie heeft en zich verder voornamelijk bezighoudt met het werven van sponsors. Dat [verzoeker] zich als bestuurder van de stichting zou hebben gedragen in strijd met de statuten van de stichting of met wettelijke bepalingen of dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan wanbeheer is niet, althans onvoldoende, gebleken.

4.8 Uit het voorgaande volgt dat de bestreden beschikkingen dienen te worden vernietigd.

4.9 Nu [verzoeker] het hof heeft verzocht een veroordeling van Eneco, Bora en BRRC achterwege te laten en er geen gronden zijn [verzoeker] in de proceskosten te veroordelen, zal het hof geen beslissing over de proceskosten geven.

4 De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

vernietigt de tussen de partijen gegeven beschikkingen van de rechtbank Arnhem van 17 januari 2007 en 30 januari 2007 en opnieuw beschikkende:

wijst de verzoeken van Eneco alsnog af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Loo, Van der Kwaak en Duitemeijer en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 juni 2008.