Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BF5915

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
15-04-2008
Datum publicatie
05-02-2009
Zaaknummer
104.003.900
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voor zover [appellant] met zijn stellingen in hoger beroep zou hebben beoogd een beroep te doen op de zogenaamde doorbraak-jurisprudentie (ingezet met HR 29 maart 1985, NJ 1986, 242), kan zijn betoog niet slagen. In dat betoog beklaagt hij zich er immers niet over – zoals wèl nodig is om in een daarop gebaseerde vordering in hoger beroep ontvankelijk te kunnen zijn – dat de kantonrechter artikel 7:428 BW ten onrechte heeft toegepast of ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, maar stelt hij – zo begrijpt het hof dit betoog – dat de kantonrechter die bepaling, en met name het eerste lid ervan, onjuist heeft toegepast. Onjuiste toepassing van een wetsartikel kan echter geen grond opleveren voor doorbreking van een appelverbod, zodat [appellant] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering in hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15 april 2008

vijfde civiele kamer

zaaknummer 104.003.900

rolnummer (oud) 2007/865

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van

[appellant], h.o.d.n. [hoedanigheid appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in de hoofdzaak,

geïntimeerde in het incident,

procureur: mr. T.J. van Veen,

tegen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [geïntimeerde sub 1],

gevestigd te Nijmegen,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [geïntimeerde sub 2]],

gevestigd te Nijmegen,

geïntimeerden in de hoofdzaak,

appellanten in het incident,

procureur: mr. W.H.B.K. Brunet de Rochebrune.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis van de kantonrechter (rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Nijmegen) van 25 mei 2007, gewezen in het incident in de hoofdzaak tussen appellant in de hoofdzaak, geïntimeerde in het incident (hierna te noemen “[appellant]”) als eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident, en geïntimeerden in de hoofdzaak, appellanten in het incident (hierna afzonderlijk “[geïntimeerde sub 1]” respectievelijk “[geïntimeerde sub 2]” en gezamenlijk “[geïntimeerden]” te noemen) als gedaagden in de hoofdzaak, eiseressen in het incident. Dit vonnis is in fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in de hoofdzaak en in het incident in hoger beroep

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 27 juni 2007 [geïntimeerden] aangezegd van voornoemd vonnis in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerden] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] drie grieven geformuleerd en toegelicht, heeft hij producties overgelegd en bewijs aangeboden en heeft hij geconcludeerd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw recht doende, de kantonrechter (rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Nijmegen) bevoegd zal verklaren tot kennisname van het geschil, de zaak naar deze rechter zal verwijzen ter verdere behandeling en beslissing, [geïntimeerden] hoofdelijk zal veroordelen in de kosten van beide instanties, waaronder de kosten van de gelegde conservatoire beslagen, en zal bepalen dat [geïntimeerden] de wettelijke rente over deze proceskosten verschuldigd zullen zijn als zij niet binnen veertien dagen na dagtekening van het te wijzen arrest hebben betaald.

2.3 Bij memorie van antwoord tevens memorie van grieven in het incidenteel appel ex artikel 234 Rv hebben [geïntimeerden] in de hoofdzaak in hoger beroep verweer gevoerd en geconcludeerd dat het hof bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, primair [appellant] in zijn vordering in hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren en subsidiair het vonnis waarvan beroep, zonodig onder verbetering en/of aanvulling van gronden, zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure (het hof leest:) in de hoofdzaak in hoger beroep. [geïntimeerden] hebben daarbij tevens (het hof leest:) een incidentele vordering ingesteld ex artikel 234 Rv en geconcludeerd dat het hof bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis waarvan beroep in die zin zal vernietigen (bedoeld zal zijn: aan te vullen) dat het vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling alsnog uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure (het hof leest:) in het incident in hoger beroep.

2.4 Bij memorie van antwoord in het incident heeft [appellant] verweer gevoerd tegen voornoemde incidentele vordering en geconcludeerd dat het hof bij arrest in het incident, uitvoerbaar bij voorraad, de vordering van [geïntimeerden] zal afwijzen, [geïntimeerden] zal veroordelen in de kosten van de procedure in het incident en zal bepalen dat [geïntimeerden] de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd zullen zijn als zij niet binnen 14 dagen na dagtekening van het te wijzen arrest in het incident hebben betaald.

2.5 Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

3 De beoordeling van het geschil in de hoofdzaak en in het incident in hoger beroep

3.1 Partijen hebben geen grieven aangevoerd tegen de oordelen van de kantonrechter dat de Nederlandse rechter te dezen rechtsmacht heeft en dat het geschil moet worden beoordeeld naar Nederlands recht. Het hof ziet geen reden daarover, zo nodig ambtshalve, anders te oordelen.

3.2 In eerste aanleg heeft [appellant] bij de kantonrechter een vordering jegens [geïntimeerde sub 1] tot betaling van een bedrag van € 72.804,13 en een vordering jegens [geïntimeerde sub 2] tot betaling van een bedrag van € 23.849,03 ingesteld, beide gebaseerd op het bestaan van een agentuurovereenkomst tussen hem en [geïntimeerde sub 1] respectievelijk [geïntimeerde sub 2]. In het geschil in de hoofdzaak in hoger beroep gaat het om de vraag of van de beslissing van de kantonrechter waarbij deze de behandeling van de zaak in eerste aanleg heeft verwezen naar de civiele sector van de rechtbank – omdat naar zijn voorlopig oordeel de vordering geen betrekking had op een agentuurovereenkomst –, hoger beroep openstaat en, zo ja, of deze beslissing in stand kan blijven.

3.3 Het hof stelt voorop dat het vonnis waarvan beroep een incidenteel tussenvonnis is waarvan hoger beroep krachtens artikel 337 lid 2 Rv slechts tegelijk met dat van het eindvonnis kan worden ingesteld, tenzij de rechter anders heeft bepaald. In het onderhavige geval is van dit laatste echter geen sprake geweest en had een dergelijke bepaling ook geen rechtskracht kunnen hebben, omdat artikel 71 lid 5 Rv een specifieke regel geeft die bepaalt dat tegen onder meer een verwijzing zoals die hier heeft plaatsgevonden geen voorziening open staat. Dit heeft de wetgever gedaan ter vermijding van vertraging van de procedure. De wetgever achtte het "van belang dat procedures zo min mogelijk belast worden met discussies over welke rechter een zaak dient te behandelen" (zie Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, blz. 230). Een en ander betekent dat [appellant] in beginsel niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering in hoger beroep.

3.4 Voor zover [appellant] met zijn stellingen in hoger beroep zou hebben beoogd een beroep te doen op de zogenaamde doorbraak-jurisprudentie (ingezet met HR 29 maart 1985, NJ 1986, 242), kan zijn betoog niet slagen. In dat betoog beklaagt hij zich er immers niet over – zoals wèl nodig is om in een daarop gebaseerde vordering in hoger beroep ontvankelijk te kunnen zijn – dat de kantonrechter artikel 7:428 BW ten onrechte heeft toegepast of ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, maar stelt hij – zo begrijpt het hof dit betoog – dat de kantonrechter die bepaling, en met name het eerste lid ervan, onjuist heeft toegepast. Onjuiste toepassing van een wetsartikel kan echter geen grond opleveren voor doorbreking van een appelverbod, zodat [appellant] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering in hoger beroep.

3.5 Het voorgaande brengt mee dat aan de incidentele vordering van [geïntimeerden] tot uitvoerbaar verklaring bij voorraad niet meer wordt toegekomen, zodat deze vordering buiten bespreking blijft. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in de hoofdzaak.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep in de hoofdzaak:

4.1 verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn vordering in hoger beroep;

4.2 veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerden] begroot op € 815,50 voor salaris procureur en op € 251,- voor verschotten;

4.3 verklaart de onder 4.2 uitgesproken veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

4.4 wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van der Kwaak, Wammes en Prakke-Nieuwenhuizen en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 april 2008.