Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BF5417

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
11-03-2008
Datum publicatie
05-02-2009
Zaaknummer
104.002.333
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van het hof had het de voorkeur verdiend eerder een “pestbeleid” te ontwikkelen en heeft het wellicht geschort aan de communicatie met de ouders, maar dat betekent niet dat de stichting hier een zodanig relevant verwijt valt te maken, dat dit tot de conclusie zou moeten leiden dat de stichting toerekenbaar is te kort geschoten of onrechtmatig heeft gehandeld. Uit de overwegingen van de Klachtencommissie blijkt dat een pestbeleid in ontwikkeling was en de Inspectie constateert dat er inmiddels een pestbeleid is.

Overigens voorkomt een pestbeleid geen pesterijen. Het gaat erom dat de school erop toeziet dat pesten zoveel mogelijk wordt voorkomen. Niet is gebleken dat de school in dit opzicht is tekortgeschoten.

Het rapport van de Inspectie van het onderwijs is kritisch ten aanzien van de school en haar beleid, maar richt zich op drie vragen van algemene aard: hoe is de zorg voor de kwaliteit van het onderwijs, hoe is de kwaliteit van het onderwijs en het leren en hoe is de kwaliteit van de opbrengsten. Het rapport gaat niet in op individuele leerlingen. Tegenover “aandachtspunten” staan ook de nodige positieve observaties. “Zo gaan de personeelsleden en de leerlingen op een overwegend positieve manier met elkaar om en treffen de leerlingen een aangename, motiverende omgeving aan, met voldoende speelmogelijkheden binnen en buiten de school”.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ROT 2008/26
RAV 2009, 50

Uitspraak

11 maart 2008

vijfde civiele kamer

zaaknummer: 104.002.333

rolnummer (oud): 2006/643

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

1. [appellant sub 1],

2. [appellant sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

procureur: mr. H.A. Schenke,

tegen:

de stichting

Stichting Kans & Kleur,

gevestigd te [woonplaats],

geïntimeerde,

procureur: mr. F.J. Boom.

1 De verdere loop van het geding

1.1 Het hof verwijst naar zijn arrest van 18 juli 2006. Daarbij is bepaald dat partijen ter zitting dienen te verschijnen voor het verstrekken van inlichtingen en het beproeven van een schikking.

1.2 Ter zitting van 11 oktober 2006 hebben partijen de mogelijkheid van mediation besproken en ter zitting van 24 oktober 2006 hebben zij meegedeeld, dat zij ter beëindiging van hun geschil mediation zullen beproeven. Daartoe is de behandeling van de zaak door het hof aangehouden.

1.3 Ter zitting van 27 april 2007 hebben partijen meegedeeld geen overeenstemming te hebben bereikt; zij wensten voort te procederen.

1.4 [appellanten], verder: de ouders, hebben daarop bij memorie van grieven twee grieven aangevoerd en geconcludeerd: “tot persistit”, wat het hof opvat als een vordering overeenkomstig het appelexploot, dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en hun vorderingen alsnog zal toewijzen, met veroordeling van geïntimeerde, verder: de stichting, in de kosten van de procedure in beide instanties.

1.5 Bij memorie van antwoord heeft de stichting de grieven bestreden en geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen met veroordeling van de ouders in de kosten van het hoger beroep.

1.6 Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd.

2 De verdere beoordeling van het geschil in hoger beroep

2.1 Het hof verwijst voor de feiten waarvan het uitgaat naar het bestreden vonnis. Daarin heeft de kantonrechter (onder 1.1. tot en met 1.8) een aantal feiten vastgesteld. Tegen deze vaststelling is geen grief aangevoerd, zodat ook het hof daarvan uitgaat.

2.2 Het hof voegt daaraan het volgende als vaststaand toe. De ouders (althans de moeder) hebben een klacht tegen de directeur en de adjunct-directeur van de onder stichting ressorterende school [de school] ingediend bij de Klachtencommissie voor het Katholiek Onderwijs. De klacht luidde in de eerste plaats dat [het kind] zonder overleg met de ouders uit de combinatiegroep 5/6 is gehaald en in de reguliere groep 6 is geplaatst, terwijl volgens de gemaakte afspraken iedere beslissing over hem onderwerp van overleg zou zijn. Het tweede onderdeel luidde dat de school niet adequaat heeft gereageerd op het pestgedrag dat [het kind] van een medeleerling heeft moeten ondervinden.

De Commissie heeft in haar advies van 2 oktober 2003 het eerste onderdeel van de klacht ongegrond verklaard. De school heeft volgens de Commissie bij het nemen van haar besluit tot overplaatsing naar een andere groep de regels die daarvoor bestaan in acht genomen. Uit wat ter zitting is betoogd is de Commissie gebleken dat de school met een breed scala aan belangen rekening moet houden bij het indelen van de klassen, waaronder het belang van [het kind]. De Commissie is van oordeel dat de school in redelijkheid tot dit besluit kon komen. Er is een ouderavond belegd om de gemaakte keus toe te lichten en om aandachtspunten te bespreken. Daarna is er een avond belegd voor ouders die onoverkomelijke bezwaren hadden tegen de nieuwe indeling. Het is voor de Commissie niet vast komen te staan dat bij de nieuwe indeling de school aan [het kind] te weinig aandacht heeft besteed. Een gebrek aan communicatie met de ouders valt de school op het punt van de groepenindeling niet te verwijten.

Het tweede onderdeel van de klacht heeft de Commissie wel gegrond verklaard. Het verweer van de school dat geen pestgedrag is waargenomen en dat er regelmatig voorvallen waren tussen leerlingen houdt volgens de Commissie geen weerlegging in van wat de moeder aanvoert. De Commissie acht niet aannemelijk gemaakt dat de school voldoende heeft gedaan naar aanleiding van het gemelde pestgedrag en dat er voldoende onderzoek is gedaan naar de mate waarin [het kind] mogelijk gepest werd.

De Commissie heeft afgezien van het doen van aanbevelingen ten aanzien van het beleid met betrekking tot pesten aangezien de stichting bezig was met het ontwikkelen van een pestprotocol.

In een rapport van 18 februari 2004 heeft de Inspectie voor het onderwijs geconstateerd dat een punt van zorg betreft de relatie van de school met de ouders. “Contacten van individuele ouders met een lid van het team verlopen in de regel zonder problemen, de deuren staan vrijwel altijd open voor hen. Maar als er zaken spelen die vragen om een schoolgerichte aanpak, om een duidelijke, grote betrokkenheid van ouders, dan laat de school het wel eens vaker afweten dan het team zich realiseert. Ouders krijgen niet altijd de indruk dat er open en tijdig met hen wordt gecommuniceerd; dat er met hun belangen rekening wordt gehouden. Dat geldt niet alleen individuele ouders, maar tevens de ouderraad en de MR”.

In het rapport wordt voorts gemeld dat de school in principe voldoende zorg voor de veiligheid van zowel de leerlingen als de leraren draagt. Het rapport gaat verder:

“Zo is er inmiddels een pestprotocol vastgesteld en functioneren in de meeste groepen lijsten met afspraken over het gedrag binnen en op de speelplaats. Toch past ook hier enige oplettendheid van directie en team, omdat kennelijk niet iedereen zich volledig aan de afspraken houdt en er zo langzamerhand weer ruimte gaat ontstaan voor ongewenst gedrag. Niet alleen moeten alle leerlingen zich aan de afspraken houden; van de leraren en andere leden van het team mag eveneens worden verwacht dat ze leerlingen consequent aanspreken op ongewenst gedrag en daar allemaal op een vergelijkbare manier een vervolg aan geven.”

2.3 De ouders hebben de stichting verweten te kort te zijn geschoten in de nakoming van de uit de leerovereenkomst voortvloeiende verplichting een pestbeleid te hebben en te hanteren en voorts onrechtmatig te hebben gehandeld door onzorgvuldig te zijn geweest bij de aanpak van de bij hun zoon [het kind] gerezen problemen gedurende de periode dat hij onderwijs volgde op [de school].

Zij vorderen vergoeding van gemaakte kosten van psychologische hulp en smartengeld.

De kantonrechter heeft de vordering afgewezen, oordelende dat geen oorzakelijk verband is aangetoond tussen de medische klachten van [het kind] en zijn situatie op school.

2.4 De ouders hebben tegen het vonnis een “algemene grief” aangevoerd, inhoudende dat de kantonrechter ten onrechte geen causaal verband heeft aangenomen tussen de schade, die [het kind] is overkomen tijdens zijn schooljaren op [de school] en aan de school toe te rekenen gedragingen van leerkrachten en schoolleiding. De kantonrechter heeft volgens de ouders het geschil teveel toegespitst op de somatische klachten (klachten over buikpijn) van [het kind]. Uit onderzoek is komen vast te staan dat [het kind] lijdt aan een vorm van autisme in combinatie met een vorm van Gilles de la Tourette, gepaard gaande met motorische problemen; ergotherapeutisch is uitgemaakt dat schrijven een te grote belasting voor hem is en dat werken op een computer de enige oplossing is, aldus de ouders. Zij verwijten de stichting:

(i) dat deze in de eerste schooljaren van [het kind] wel heeft gesignaleerd dat hem “iets” mankeerde, maar dat op zijn beloop heeft gelaten;

(ii) dat deze verzoeken van de ouders om gezamenlijk actie te ondernemen heeft afgehouden;

(iii) dat deze op amateuristische wijze zelf onderzoek heeft gedaan zonder dit kenbaar te maken, en het daarbij te laten;

(iv) dat deze het pestgedrag jegens [het kind] niet heeft gesignaleerd en daaraan, na signalering door de ouders, niets, althans nauwelijks iets heeft gedaan;

(v) dat deze niet op het verzoek van de ouders tot samenwerking met de kinderpsychotherapeut [A.] is ingegaan;

(vi) dat deze [het kind] van een rustige groep heeft overgeplaatst naar een onrustige groep 6;

(vii) dat deze niet heeft erkend dat zij op grond van de onderwijsovereenkomst tussen partijen een eigen verantwoordelijkheid draagt voor de opvoeding van kinderen als [het kind] en de ouders geheel buiten de school heeft gelaten;

(viii) dat zij niet goed met de ouders heeft gecommuniceerd;

(ix) dat zij signalen van en rondom [het kind] niet adequaat heeft vertaald naar meer gerichte aandacht voor [het kind] en betere individuele begeleiding van [het kind] op school.

De ouders achten dit handelen of nalaten onrechtmatig en achten de school aansprakelijk voor de daardoor ontstane schade, “zelfs indien het aan de school te maken verwijt in deze slechts zou neerkomen op de stelling, dat de school door eerder – veel eerder – op professionele wijze de problematiek van [het kind] (mede) te laten onderzoeken, veel leed voor de ouders zou hebben bespaard”.

Als “bijkomende grief” keren de ouders zich tegen de kostenveroordeling in eerste aanleg.

2.5 Het hof oordeelt als volgt.

De stichting houdt met [de school] een school voor primair onderwijs in stand. De school valt onder de Wet op het primair onderwijs. Tussen partijen bestaat geen op schrift gestelde overeenkomst met rechten en verplichtingen.

2.6 Wat betreft de verwijten (i), (ii), (iii), (vii) en (ix) geldt dat eerst later is gesignaleerd wat precies aan de hand was met [het kind]. Eerst in hoger beroep hebben de ouders toegelicht dat hij lijdt aan een vorm van autisme en aan het syndroom van Gilles de la Tourette. Aannemelijk is dat dit invloed heeft gehad op het wel en wee van [het kind] op school. Naar het oordeel van het hof kan de stichting niet worden verweten deze bijzondere kenmerken van [het kind] niet eerder te hebben onderkend.

De stichting heeft onweersproken aangevoerd dat [het kind] zeer veel extra aandacht heeft gekregen. De ouders hadden al in groep 3, voordat de pestproblematiek speelde, aangegeven dat [het kind] last had van buikklachten, waarop de school extra aandacht heeft gegeven aan eten en drinken van [het kind].

Om de problemen grondiger te kunnen analyseren heeft de school besloten een School Video Interactie Training te houden. De ouders hebben echter verboden daarbij opnamen van [het kind] te maken.

De ouders hebben erkend dat zij de medewerking aan de videotraining hebben geweigerd. Zij achten dit hun goed recht. Daardoor is echter het desbetreffende onderzoek niet van de grond gekomen.

Op grond van de uitvoerige briefwisseling die is overgelegd kan niet worden gezegd dat het de stichting aan aandacht heeft ontbroken.

2.7 Wat betreft (iv) en (viii) geldt het volgende. De stichting heeft niet ontkend dat [het kind] is geconfronteerd met pesten door een medeleerling. Zij heeft aangevoerd dat op school is onderzocht of [het kind] gepest werd. Er is daarbij geconstateerd dat de problemen mede lagen in het gedrag van [het kind].

Het ging hierbij om ongepast taalgebruik, dat wil zeggen schelden en vloeken. Ook ging het om storend gedrag, zoals door de klas lopen, niet op zijn beurt wachten, omgedraaid zitten, douches opendraaien voor de gymles, lijm op deurgrepen smeren, en met knikkers gooien. Ook de omgang met andere leerlingen en volwassenen was niet in orde; zo vertoonde hij pestgedrag. Wanneer hij daarop aangesproken werd zei hij tegen de leerkracht dat hij van zijn vader mócht pesten. Bij andere correcties reageerde hij met de mededeling dat hij van zijn vader mocht slaan, of van zijn vader alles over school mocht zeggen wat hij wilde.

De ouders hebben dit alles niet, althans onvoldoende weersproken.

Naar het oordeel van het hof had het de voorkeur verdiend eerder een “pestbeleid” te ontwikkelen en heeft het wellicht geschort aan de communicatie met de ouders, maar dat betekent niet dat de stichting hier een zodanig relevant verwijt valt te maken, dat dit tot de conclusie zou moeten leiden dat de stichting toerekenbaar is te kort geschoten of onrechtmatig heeft gehandeld. Uit de overwegingen van de Klachtencommissie blijkt dat een pestbeleid in ontwikkeling was en de Inspectie constateert dat er inmiddels een pestbeleid is.

Overigens voorkomt een pestbeleid geen pesterijen. Het gaat erom dat de school erop toeziet dat pesten zoveel mogelijk wordt voorkomen. Niet is gebleken dat de school in dit opzicht is tekortgeschoten.

Het rapport van de Inspectie van het onderwijs is kritisch ten aanzien van de school en haar beleid, maar richt zich op drie vragen van algemene aard: hoe is de zorg voor de kwaliteit van het onderwijs, hoe is de kwaliteit van het onderwijs en het leren en hoe is de kwaliteit van de opbrengsten. Het rapport gaat niet in op individuele leerlingen. Tegenover “aandachtspunten” staan ook de nodige positieve observaties. “Zo gaan de personeelsleden en de leerlingen op een overwegend positieve manier met elkaar om en treffen de leerlingen een aangename, motiverende omgeving aan, met voldoende speelmogelijkheden binnen en buiten de school”.

2.8 Wat betreft (v) overweegt het hof als volgt. De stichting heeft aangevoerd dat zij van de ouders geen contact mocht opnemen met de heer [A.]. De ouders hebben dit in hoger beroep niet bestreden.

2.9 Wat betreft (vi) overweegt het hof dat deze klacht is afgewezen door de Klachtencommissie. Het hof onderschrijft hetgeen de commissie terzake overweegt.

2.10 De stichting voert voorts aan dat duidelijk is dat uit de rapporten van de afdeling kinderpsychologie van UMC Radboud bepaalde passages zijn verwijderd. Zij houdt terecht de mogelijkheid open dat die passages voor de ouders niet gunstig waren. Naar het oordeel van het hof moet aldus rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat geen compleet beeld wordt geschapen van de oorzaak of oorzaken van het door de ouders bedoelde functioneren van [het kind]. Uit de samenvatting van de onderzoeken blijkt dat [het kind] een kwetsbare jongen is bij wie weinig “eigenheid” aanwezig is en die de indruk maakt in zijn overwegingen mee te nemen wat zijn ouders vinden. De stichting verwijst hiernaar en wijst in dit verband onweersproken erop dat [het kind] steeds negatiever gedrag op school begon te vertonen naarmate het conflict tussen de ouders en de school grotere vormen begon aan te nemen.

2.11 Anders dan de ouders stellen is de [de leerkracht] niet geschorst en overgeplaatst, maar is hij ziek geworden en heeft hij later gebruik gemaakt van “interne mobiliteit”, aldus de stichting.

2.12 De slotsom luidt dat de stichting niet toerekenbaar is tekortgeschoten noch onrechtmatig heeft gehandeld.

Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.

De ouders zullen als in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

3 De beslissing

Het hof:

1. bekrachtigt het bestreden vonnis;

2. veroordeelt de ouders in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van de stichting gevallen en tot deze utspraak begroot op € 248,- vastrecht en

€ 632,- aan salaris voor de procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. Fokker, Katz-Soeterboek en Bronzwaer en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 maart 2008.