Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BF3815

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
24-06-2008
Datum publicatie
01-10-2008
Zaaknummer
104.001.033
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van het hof gaat de scheiding tussen kerk en staat, ook in rechtsverhoudingen tussen een kerkgenootschap en individuen daarbinnen, niet zover dat de gang naar de burgerlijke rechter per definitie gesloten is. Dat zou in strijd zijn met de grondrechtelijke waarborgen die ten behoeve van individuen zijn neergelegd in de artikelen 17 in samenhang met artikel 112 van de Grondwet en in artikel 6 EVRM. Het recht op godsdienstvrijheid kan aan deze waarborgen niet afdoen. Het recht op godsdienstvrijheid ziet uiteindelijk op de vrijheid van individuen om uiting te geven aan hun religieuze overtuigingen. Die vrijheid brengt echter niet mee dat daardoor voor leden van bepaalde kerkgenootschappen andere grondrechten zonder meer buiten werking gesteld worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-0624
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

24 juni 2008

vijfde civiele kamer

zaaknummer 104.001.033

rolnummer (oud) 05/0527

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

1. de Christelijke Gereformeerde Kerk te Zeewolde,

gevestigd te Zeewolde,

2. de Classis Amersfoort van de Christelijke Gereformeerde Kerken in

Nederland,

gevestigd te Nijkerk,

appellanten,

procureur: mr. H. van Ravenhorst,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

procureur: mr. A.T. Bolt.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van het vonnis van 2 februari 2005 dat de kantonrechter (rechtbank Zwolle-Lelystad, sector kanton, locatie Lelystad) tussen appellanten (hierna ieder afzonderlijk ook te noemen: de Kerk, respectievelijk de Classis) als gedaagden en geïntimeerde (hierna ook te noemen: [geïntimeerde]) als eiser heeft gewezen. Van dat vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Appellanten hebben bij exploot van 29 april 2005 aangezegd van dat vonnis van 2 februari 2005 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven hebben appellanten zes grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht, hebben zij bewijs aangeboden en nieuwe producties in het geding gebracht. Zij hebben gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, [geïntimeerde] in zijn vorderingen niet ontvankelijk zal verklaren, althans deze vorderingen zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden, en heeft hij bewijs aangeboden en een aantal producties in het geding gebracht. Hij heeft geconcludeerd dat het hof de grieven zal afwijzen en het vonnis van de kantonrechter op dat deel in stand zal laten, met veroordeling van appellanten in de kosten van (bedoeld zal zijn:) het hoger beroep. De vordering van [geïntimeerde] (zoals omschreven in de memorie van grieven in de parallelprocedure tussen [geïntimeerde] als appellant en de CGK Zeewolde en de classis als geïntimeerden, welke memorie van grieven [geïntimeerde] ingelast wil zien) luidt: dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, de CGK Zeewolde en de classis hoofdelijk zal veroordelen tot betaling van:

1. een bedrag van € 17.648,60 bruto, berekend over de periode 2 juli 2003 tot en met 30 november 2003, terzake schadevergoeding op grond van art. 7:680 BW wegens het niet in acht nemen van de wettelijke opzegbepalingen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag van verval van iedere loonbetalingsverplichting tot aan de dag der algehele voldoening;

2. een bedrag van € 331.793,68 bruto, wegens kennelijk onredelijk ontslag, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 3 juli 2003 tot de dag der algehele voldoening;

3. een bedrag van € 30.000,-- netto terzake vergoeding van geleden immateriële schade;

4. een bedrag van € 129.211,34 (inclusief BTW) op grond van de artikelen 6:74 en/of 6:162 BW, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

5. schadevergoeding nader op te maken bij staat, wegens pensioenschade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 juli 2003 tot de dag der algehele voldoening.

Tevens vordert [geïntimeerde] veroordeling van appellanten in de kosten van (het hof begrijpt:) het hoger beroep.

2.4 Ter zitting van 22 februari 2008 hebben partijen de zaak doen bepleiten, appellanten door mr. P.T. Pel, advocaat te Hattem, en [geïntimeerde] door mr. P.J. den Boef, advocaat te Woudenberg. Beiden hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht.

Mr. Den Boef voornoemd heeft voorafgaand aan de zitting aan appellanten en het hof de producties 11 tot en met 19 gezonden.

Desgevraagd heeft mr. Pel voornoemd ter zitting meegedeeld dat hij voldoende heeft kennisgenomen van die producties, dat hij zich voldoende heeft kunnen voorbereiden op een verweer daartegen en dat hij instemt met het in het geding brengen van die producties zonder nadere maatregel door het hof. Vervolgens is aan mr. Den Boef voornoemd akte verleend van het in het geding brengen van die producties.

2.5 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 De vaststaande feiten

3.1 Tussen partijen staan in hoger beroep als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet (voldoende) weersproken de volgende feiten vast.

3.2 [geïntimeerde] is in 1983 beroepen en benoemd tot predikant van de Christelijke Gereformeerde Kerken. Vanaf 14 januari tot 6 april 1983 heeft [geïntimeerde] binnen de classis Amersfoort gediend. Aanvankelijk in de CGK Eemnes (14 januari 1983 tot 6 april 1990) en vervolgens in de CGK Harderwijk vanaf 6 april 1990, van waaruit hij diensten hield te Zeewolde, waar op dat moment enkel een afdeling van de Christelijke Gereformeerde Kerken was gevestigd. Op 15 september 1995 is de CGK Zeewolde geïnstitueerd en is [geïntimeerde] predikant van deze kerk geworden.

3.3 Overeenkomstig artikel 37 van de Kerkorde (hierna ook: “KO”) van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland zoals laatstelijk in 1998 gewijzigd en aangevuld, die deel uitmaakt van het statuut van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland in de zin van artikel 2:2 lid 2 BW, was [geïntimeerde] uit hoofde van zijn ambt voorzitter van de kerkenraad van de CGK Zeewolde. Art. 37 Kerkorde bepaalt voorts (onder meer) dat in alle kerken een kerkenraad is, bestaande uit de dienaren des Woords (predikanten), de ouderlingen en de diakenen. De kerkenraad heeft ambtelijk opzicht over de verenigingen in de gemeente en bedoelt toe te zien, dat in de arbeid van de verenigingen de belijdenis van de kerken wordt nageleefd.

3.4 In de loop van het jaar 2000 heeft de kerkenraad van de CGK Zeewolde besloten om enkele leden van de kerkgemeente Zeewolde onder censuur (een vorm van tucht) te plaatsen. Eén van de onder censuur staande leden, [A.], heeft zich bij brief van 8 februari 2001 gewend tot de classis (een kerkelijke vergadering die geldt als meerdere vergadering van de kerkenraad en die bestaat uit de kerken van het classicaal ressort) met het verzoek om te bemiddelen tussen hem enerzijds en anderzijds [geïntimeerde] en enkele kerkenraadsleden. Bij brief van 10 februari 2001 heeft de kerkenraad van de CGK Zeewolde de classis geïnformeerd over de censuur die was opgelegd aan leden van de gemeente. Voorts hebben twee echtparen uit [plaatsnaam], de families [B.] en [C.], de classis op 10 respectievelijk 12 februari 2001 een brief geschreven, waarin zij kritiek uitten op het functioneren van [geïntimeerde] en op enkele kerkenraadsleden. De scriba (secretaris) van de kerkenraad van de CGK Zeewolde, [D.] heeft bij brieven van 13 en 14 februari 2001 de classis verzocht de brieven van de leden van de gemeente Zeewolde niet in behandeling te nemen. De classis heeft op haar vergadering van 14 februari 2001 kennis genomen van de brieven van [A.], [B.] en [C.] voornoemd, en heeft besloten:

1. dat de kerkenraad van Zeewoldie niet meer zelfstandig kan vergaderen en daarom op 14 februari 2001 alleen dit besluit kan voorlezen;

2. dat voor 18 februari 2001 een bijzondere kerkvisitatie zal worden gehouden waarvoor de hele kerkenraad hoofdelijk wordt uitgenodigd;

3. dat visitatoren een mededeling dienen op te stellen die zondag aan de gemeente wordt voorgelezen;

4. dat kerkenraadsvergaderingen alleen gehouden kunnen worden in het bijzijn van visitatoren;

5. dat visitatoren gelegenheid hebben ook met appellanten te spreken;

6. als visitatoren te benoemen: ds. [E.] en ds. [F.], aangevuld met de consulent ds. [G.] (tevens voorzitter);

7. van dit besluit ook mededeling te doen aan appellanten.

3.5 Naar aanleiding van de kerkvisitatie is een rapport opgesteld. Dit rapport is besproken tijdens een vergadering van de classis op 28 maart 2001. De classis heeft op deze vergadering naar aanleiding hiervan een classicale commissie (hierna ook: de commissie) benoemd, bestaande uit de ouderlingen: [H.] (voorzitter, samenroeper) en [I.], en de predikanten [F.], [E.] en [G.], met als opdracht:

“a. alles te doen wat nodig en wenselijk is om de eenheid in de gemeente van Zeewolde te herstellen op basis van de volgende conclusies en adviezen:

Wat het functioneren van de kerkenraad in zijn geheel betreft:

1. In het kader van de gewenste openheid mag het moderamen geen diepgaand afzonderlijk vooroverleg hebben; het kan slechts gaan om formele voorbereidingen van op de kerkenraad te behandelen agendapunten;

2. In het kader van een normale afwisseling binnen de kerkenraad (art. 27 KO) moet er geen herkiesbaarheid zijn van zittende ambtsdragers;

3. tuchtzaken moeten alleen door de predikant en de ouderlingen worden behandeld (Diakenen hebben nl. ook barmhartigheid te bewijzen aan tuchtwaardige leden);

4. Er is bij een niet te verwaarlozen deel van de gemeente geen vertrouwen meer in de huidige kerkenraad. Zo is er een haast onwerkbare situatie ontstaan. Dit wordt door de kerkenraad ingezien. Vanwege de compromitterende situatie zou de gehele kerkenraad daarom moeten worden vernieuwd. Een diaken die sinds kort in het ambt kwam kan daarvan worden uitgesloten.

Wat het functioneren van ds. [geïntimeerde] betreft:

1. Als preses van de kerkenraad had hij het moderamen moeten corrigeren in alle zaken waarin van eigenmachtig optreden of althans van een niet naar alle kerkenraadsleden open communiceren sprake is geweest;

2. Als pastor had hij geen geld moeten lenen aan gemeenteleden over wie nu tucht wordt uitgeoefend. Het is immers bezwaarlijk om tegelijk pastor en schuldeiser te zijn, zoals nu het geval is;

3. Als dienaar des Woords heeft hij de taak om dat Woord ook tijdens zijn pastorale bezoeken te lezen en de boodschap daarvan in de persoonlijke omstandigheden te laten klinken;

4. Bepaald woordgebruik op de kansel en tijdens de catechisaties en pastorale bezoeken moet als het ambt onwaardig worden beschouwd. Wanneer gemeenteleden hierover struikelen moet dit voor de predikant aanleiding zijn zichzelf hierop kritisch te bezien;

5. In bepaalde gevallen heeft de predikant op zijn minst de schijn van solistisch en manipulatief gedrag en selectief pastoraat niet vermeden. Ook blijkt hij niet goed tegen kritiek op zijn functioneren bestand te zijn en reageert volgens betrokkenen overmatig heftig. Het verdient aanbeveling dat ds. [geïntimeerde] op deze punten deskundige begeleiding zoekt.

b. vooralsnog de leiding van de kerkenraadsvergaderingen op zich te nemen;

c. de gemeente zo spoedig mogelijk samen te roepen om de onderhavige zaken te bespreken;

d. rapport uit te brengen op de najaarsvergadering 2001.”

Tevens heeft de classis besloten van het voormelde besluit mededeling te doen aan de kerkenraad van Zeewolde.

3.6 Tegen het besluit van de classis van 28 maart 2001 heeft [geïntimeerde] bij brief van 1 mei 2001 appel ingesteld bij de Particuliere Synode van het Oosten. Een Particuliere Synode is een kerkelijke vergadering en geldt als meerdere vergadering van een classis. Uit de Kerkorde volgt dat elk jaar (tenzij de omstandigheden het vaker vereisen) enige naburige classes samenkomen als Particuliere Synode. Partijen verschillen van mening over de vraag of het appel tegen het besluit van 28 maart 2001 vervolgens is ingetrokken of enkel is opgeschort. Vaststaat dat de Particuliere Synode uiteindelijk niet heeft beslist op het appel.

3.7 Op de vergadering van de classis van 16 mei 2001 is het tussenrapport van de commissie besproken, waarin de commissie tegenwerking door de kerkenraad heeft gemeld. De kerkenraad en [geïntimeerde] hebben de classis daarop hun medewerking toegezegd. De commissie heeft in de daaropvolgende maanden de situatie binnen de kerkgemeente Zeewolde onderzocht en enkele maatregelen getroffen in verband met de organisatie van de CGK Zeewolde.

3.8 Op 13 juli 2001 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de commissieleden [F.] en [H.] en [geïntimeerde] over de punten betreffende zijn functioneren genoemd in het hiervoor genoemde classisbesluit van 28 maart 2001. [geïntimeerde] heeft in dit gesprek aangegeven dat hij geen grond ziet voor de gegeven adviezen en dat hij derhalve geen enkele aanleiding ziet om deskundige begeleiding te zoeken. Op 21 september 2001 heeft een vervolggesprek tussen [F.], [H.] en [geïntimeerde] plaatsgevonden. [geïntimeerde] heeft daarbij aangegeven bereid te zijn “zich onder het gezag van de classis te stellen, mits er niet gehandeld wordt in strijd met Gods Woord.” Hij bleef er bezwaren tegen houden dat bezwaarden bij de classis en commissie hun bezwaren tegen hem uitspraken zonder dat zij deze eerst tegenover hemzelf, naar Matt. 18, hadden uitgesproken. [geïntimeerde] heeft voorts aangegeven dat hij alleen het punt dat financiële afhankelijkheid de pastorale relatie ten opzichte van gemeenteleden kan vertroebelen herkent, hoewel hij meent in de bedoelde situatie niet anders te hebben kunnen handelen dan hij heeft gedaan. Voor wat betreft de overige punten betreffende zijn persoonlijk functioneren heeft hij aangegeven de punten uit het classisbesluit van 28 maart 2001 niet te herkennen.

3.9 Bij brief van 27 september 2001 heeft [geïntimeerde] tegenover de commissie een aantal opmerkingen gemaakt naar aanleiding van (het verslag van) de gesprekken van 13 juli 2007 en 21 september 2007 en met betrekking tot de gang van zaken rondom de kerkeraadverkiezingen.

3.10 Op 12 oktober 2001 vond een vergadering plaats van de kerkenraad en de commissie. Na een onderhoud in de pauze met [H.] voornoemd, waarin deze de korte inhoud van het oordeel van de commissie over [geïntimeerde] aan [geïntimeerde] heeft meegedeeld, heeft [geïntimeerde] de vergadering verlaten en zich vervolgens ziek gemeld.

3.11 Op 17 oktober 2001 heeft de commissie verslag uitgebracht bij de classis en als volgt geconcludeerd:

“Wanneer blijkt dat ds [geïntimeerde] niet inziet dat een belangrijke oorzaak van de problematiek door zijn functioneren komt en niet bereid is zich daarvoor onder deskundige begeleiding te stellen, dan ziet de commissie geen andere oplossing om de eenheid in de gemeente te herstellen dan dat de predikant van deze gemeente wordt losgemaakt of dat we net zolang wachten totdat de gemeente leegloopt en er alleen nog maar predikant-getrouwen overblijven.

Losmaking in Kerkordelijke zin betekent dat de predikant opnieuw beroepbaar wordt gesteld. Op basis van onderliggend rapport kan de commissie echter de classis niet positief adviseren met betrekking tot het aanvaarden van een beroep in een andere gemeente.

De commissie zou zich voor kunnen stellen dat de predikant vooralsnog gedurende een periode door zijn kerkenraad ontheven wordt van de uitoefening van zijn dienst (art. 16 KO) , met de opdracht zich op de uitoefening van zijn dienst te bezinnen en zich gewillig onder deskundige begeleiding te laten stellen. Gedurende deze periode zou de predikant nog wel voor kunnen gaan in de kerken, waarbij het de voorkeur verdient dat hij voorlopig niet voor zal gaan in Zeewolde totdat naar het oordeel van de kerkenraad en classicale commissie dit weer mogelijk is.”

3.12 De classis heeft op 17 oktober 2001 besloten de kerkenraad Zeewolde van zijn taken te ontheffen en [geïntimeerde] in ieder geval tot de voortzetting van de classisvergadering te ontheffen van alle ambtelijke dienst in en buiten Zeewolde. Nadere besluitvorming ten aanzien van [geïntimeerde] schortte de classis op. Voorts heeft de classis de commissie, die nog is aangevuld met [J.] als tweede voorzitter, opdracht gegeven haar werk voort te zetten. Bij brief van 22 oktober 2001 heeft [geïntimeerde] bezwaar gemaakt tegen het besluit van 2001 oktober 2001 en de scriba van de classis verzocht om in het kader van het voornoemde besluit en verdere besluitvorming te worden gehoord op de eerstvolgende classisvergadering.

Namens [geïntimeerde] heeft mr. Den Boef tegen het besluit van 17 oktober 2001 bij de Particuliere Synode appel ingesteld bij brief van 20 november 2001.

3.13 [geïntimeerde] heeft de classis in kort geding laten dagvaarden (tegen 17 december 2001) teneinde opheffing te verkrijgen van de maatregel op grond waarvan hij was ontheven van alle ambtelijke dienst. Op 16 november 2001 heeft vervolgens een classisvergadering plaatsgevonden waar [geïntimeerde], bijgestaan door zijn raadsman, is gehoord. Tijdens deze vergadering heeft de commissie Zeewolde nader verslag gedaan van zijn bevindingen, toegespitst op [geïntimeerde]. De vergadering heeft geleid tot een besluit waarin het eerdere classisbesluit van 17 oktober 2001 nader is gepreciseerd en aangevuld en waarin de tijdelijke ontheffing van [geïntimeerde] is gehandhaafd. Over de tijdelijke ontheffing heeft de classis bovendien uitgesproken dat deze niet gezien moet worden als een tuchtmaatregel, maar ten eerste als clementie met het oog op het ziek zijn en ten tweede gezien moet worden in het licht van zijn bijzondere positie van dienaar des Woords naar analogie van artikel 79 KO . Voorts heeft de classis besloten om de roepende kerk te verzoeken de Particuliere Synode van het Oosten vervroegd te laten bijeenkomen.

Van het classisbesluit van 16 november 2001 is op 18 november 2001 in de kerkgemeente Zeewolde mededeling gedaan in een kanselboodschap.

[geïntimeerde] heeft tegen het classisbesluit van 16 november 2001 appel ingesteld bij de Particuliere Synode van het Oosten.

3.14 De mondelinge behandeling van het kort geding is op 17 december 2001 aangehouden in afwachting van de vergadering van de Particuliere Synode van het Oosten van 27 december 2001. Eveneens op 17 december 2001 heeft een classisvergadering plaatsgevonden. De commissie heeft tijdens deze vergadering opnieuw verslag gedaan van zijn bevindingen met betrekking tot de CGK Zeewolde. De vergadering besloot onder meer dat een gesprek zou dienen te worden gearrangeerd met [geïntimeerde] over het ondertekeningsformulier en zijn functioneren. [geïntimeerde] heeft op dat verzoek schriftelijk gereageerd en aangegeven dat hij niet op de uitnodiging in kan gaan vanwege zijn ziek zijn (zie verslag van de vergadering van de classis van 9 januari 2002), om begrip gevraagd en de classis verzocht hem met rust te laten.

3.15 Op 27 december 2001 is de Particuliere Synode van het Oosten bijeen gekomen. Deze heeft besloten een commissie in te stellen die onder meer de ontvankelijkheid van de diverse appelschriften moest beoordelen en daarvan een samenvatting moest geven. De commissie van de Particuliere Synode van het Oosten heeft [geïntimeerde] op 3 januari 2002 gehoord. Op verzoek van [geïntimeerde] en de classis is de mondelinge behandeling van het kort geding (die de volgende dag zou plaatsvinden) vervolgens opnieuw uitgesteld.

3.16 Hangende de appelprocedure bij de Particuliere Synode van het Oosten heeft de classis op 9 januari 2002 opnieuw vergaderd. De classis heeft toen geoordeeld dat er op dat moment een dwingende reden was om [geïntimeerde] te schorsen gelet op het gestelde in de artikelen 79 en 80 KO , en heeft besloten om de tijdelijke ontheffing van [geïntimeerde] op te heffen en deze met ingang van die datum om te zetten in een schorsing. Kort gezegd waren de redenen hiervoor gelegen deels in het persoonlijk optreden van [geïntimeerde] en deels in financieel wanbeleid. Onderdeel van dit besluit van de classis was verder dat [geïntimeerde] zich op 6 februari 2002 persoonlijk zou moeten verantwoorden ten overstaan van de classis en dat de classis dan een nader oordeel en besluit omtrent de positie van [geïntimeerde] zou vellen. Ook tegen dit besluit heeft [geïntimeerde] appel ingesteld bij de Particuliere Synode van het Oosten.

3.17 Op 25 januari 2002 heeft de mondelinge behandeling van het kort geding plaatsgevonden, waarna de Voorzieningenrechter bij vonnis van 1 februari 2002 de schorsing van [geïntimeerde] met onmiddellijke ingang heeft opgeheven en heeft geoordeeld dat [geïntimeerde] in de gelegenheid diende te worden gesteld om zijn gebruikelijke werkzaamheden als predikant uit te voeren. [geïntimeerde] heeft de classis verzocht uitvoering te geven aan het vonnis. De classis heeft aan dit verzoek geen gehoor gegeven. Tegen dit vonnis van de Voorzieningenrechter is geen appel ingesteld.

3.18 Het appel van [geïntimeerde] tegen de besluiten van de classis van 17 oktober en 16 november 2001 is door de Particuliere Synode op 4 februari 2002 behandeld.

3.19 Op 6 februari 2002 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [geïntimeerde] en/of mr. Den Boef enerzijds en de classis dan wel de commissie Zeewolde anderzijds. De classis heeft vervolgens een besluit genomen. Tegen dit besluit is (naar uit een besluit van de Particuliere Synode van 26 juni 2003, productie 2 bij de conclusie van dupliek in eerste aanleg, blijkt) [geïntimeerde] op 27 februari 2002 appel gegaan bij de Particuliere Synode.

3.20 De appellen van [geïntimeerde] tegen de besluiten van de classis van 9 januari 2002, respectievelijk 6 februari 2002, zijn door de Particuliere Synode behandeld op 15 maart 2002, respectievelijk 13 april 2002 en vervolgens (naar uit het besluit van de Particuliere Synode van 26 juni 2003, prod. 2 bij de conclusie van dupliek, blijkt) afgewezen.

3.21 Bij concept rapport van 1 mei 2002 heeft de commissie Zeewolde nader verslag gedaan van haar bevindingen. Voorafgaand aan toezending van dit rapport zijn [geïntimeerde] en zijn raadsman uitgenodigd om te worden gehoord door de commissie Zeewolde en door de classis. De raadsman van [geïntimeerde] heeft de commissie Zeewolde daarop laten weten verhinderd te zijn.

3.22 Het concept rapport van 1 mei 2002 van de commissie Zeewolde is op 14 juni 2002 aangevuld met verdere bijlagen. Gelijktijdig met verzending van deze stukken zijn [geïntimeerde] en zijn raadsman uitgenodigd om te worden gehoord door de commissie Zeewolde en door de classis. Daarop heeft mr. Den Boef namens [geïntimeerde] het woord gevoerd bij een hoorzitting van de commissie Zeewolde op 24 juni 2002, waarbij hij ook een wrakingsverzoek heeft gedaan. Op 1 juli 2002 is het wrakingsverzoek met betrekking tot de commissie Zeewolde door mr. Den Boef mondeling toegelicht op een hoorzitting bij de classis. De classis heeft het wrakingsverzoek bij beslissing van 5 juli 2002 afgewezen.

3.23 [geïntimeerde] heeft tegen het besluit van 5 juli 2002 op het wrakingsverzoek appel ingesteld bij de Particuliere Synode, die dit bij beslissing van 29 oktober 2002 heeft afgewezen. [geïntimeerde] heeft tegen deze afwijzing van de Particuliere Synode aanvankelijk appel ingesteld bij de Generale Synode. De Generale Synode is een kerkelijke vergadering die geldt als meerdere vergadering van een Particuliere Synode. Uit de Kerkorde volgt dat de Generale Synode in de regel eenmaal in de drie jaren vergadert, tenzij er gewichtige redenen zijn om eerder bijeen te komen. Naar de Generale Synode wordt uit elke Particuliere Synode een vastgesteld aantal afgevaardigden gestuurd.

3.24 Op 20 november 2002 heeft de classis een hernieuwde commissie ingesteld met de opdracht om advies uit te brengen omtrent het functioneren van [geïntimeerde] binnen de CGK Zeewolde. De hernieuwde commissie bestond uit: Ds. [K.] (voorzitter), [L.], Prof. Dr. [M.], Ds. [N.] (secretaris), mr. [O.] en mr.dr. [P.]. [geïntimeerde] is bij brief van 19 december 2002 van de commissie schriftelijk geïnformeerd over de namen van de nieuwe commissie Zeewolde en de te volgen procedure en is uitgenodigd te reageren op het concept-rapport van 1 mei 2002 en de aanvullende bijlagen daarbij. In een appelschrift van 17 januari 2003 heeft [geïntimeerde] bij de Partiuliere Synode van het Oosten onder meer appel ingesteld tegen het besluit van de classis van 20 november 2002. Dit appel is door de Particuliere Synode van het Oosten behandeld op 18 maart 2003 en vervolgens afgewezen.

3.25 Mr. Den Boef heeft op de brief van de commissie Zeewolde van 19 december 2002 gereageerd in een brief van 6 januari 2003 waarin hij een aantal vragen heeft gesteld over de procedurele gang van zaken (prod. 16 conclusie van eis in eerste aanleg). Onder meer heeft hij erover geklaagd dat de wijze van tot standkoming van het concept-rapport van 1 mei 2002, waarbij hem onder meer stukken zijn onthouden, in strijd is met het kerkrecht en dat jegens zijn cliënt geen sprake is van een eerlijk proces, dat de classis handelt in strijd met het vonnis van de voorzieningenrechter van 1 februari 2002; dat sprake is van belangenverstrengeling en dat de commissie Zeewolde eenzijdig data heeft vastgesteld, zonder dat met hem zoals hij had gevraagd vooroverleg werd gevoerd over de data en tijdstippen waarop de commissie Zeewolde bijeen zou komen om getuigen en [geïntimeerde] te horen, waardoor hij op enkele aangegeven data verhinderd is. Tevens heeft mr. Den Boef de kerkenraad van de CGK Zeewolde bij brief van 6 januari 2003 aangeschreven, waarbij hij eveneens een groot aantal vragen heeft gesteld en kritische kanttekeningen heeft geplaatst bij de gang van zaken (prod. 14 conclusie van eis in eerste aanleg). Bij brief van eveneens 6 januari 2003 aan de classis heeft mr. Den Boef (kort gezegd) onder meer aangegeven dat hij vindt dat door de bijstand van mr. Pel aan zowel de classis als de commissie en de kerkenraad sprake is van belangenverstrengeling, en dat sprake is van willekeur omdat een ander ex-moderamenlid van de kerkeraad daarvoor wel weer gekandideerd mocht worden terwijl [geïntimeerde] als enig ex-moderamenlid nog wordt onderzocht (prod. 15 conclusie van eis in eerste aanleg). Voorts heeft hij verzocht hem de besluiten van de classis van 20 november en 11 december 2002 te doen toekomen en om alle verdere beslissingen op te schorten totdat in appel zal zijn beslist, zich beroepen op de nietigheid van alle classisbesluiten, waaronder de twee laatstgenoemde, en heeft hij gevraagd om inzage van de notulen van alle classisvergaderingen vanaf 17 oktober 2001. Tenslotte heeft hij geklaagd over schending door de commissie Zeewolde en de classis van de afspraak dat wat is besproken op de commissievergadering van 24 juni 2002 niet openbaar zou worden gemaakt. De commissie Zeewolde en de classis hebben op de brieven van 6 januari 2003 gereageerd bij brief van 21 januari, respectievelijk 27 januari 2003 (prod. 17 en 18 conclusie van eis in eerste aanleg), waarbij zij antwoord hebben gegeven op een aantal door mr. Den Boef gestelde vragen en de door hem aangegeven bezwaren tegen de procedurele gang van zaken hebben verworpen.

De classis heeft in haar antwoord onder meer aangegeven:

- dat zij vindt dat geen sprake is van belangenverstrengeling; dat mr. Pel raadsman is van de classis en in die hoedanigheid ook jurdisich adviseur is van de commissie Zeewolde en van de kerkenraad ad interim;

- dat mr. Pel niet is opgetreden in enige appel- of revisiezaak van een besluit van de kerkenraad ad interim op de classis;

- dat de commissie Zeewolde en de kerkenraad ad interim geen zelfstandige organen zijn, maar werk doen in opdracht en onder verantwoordelijkheid van de classis;

- dat de classis doet wat des kerkenraads is in Zeewolde naar analogie van art. 39 KO, dat de kerkenraad ad interim momenteel geen zelfstandige kerkenraad is maar feitelijk niet anders is dan een commissie van de classis, en dat de kerkenraad ad interim daarom niet als kerkenraad van Zeewolde naar de classisvergadering wordt afgevaardigd;

- dat predikanten niet op persoonlijke titel op de classis komen maar als afgevaardigde, en dat [geïntimeerde] geen afgevaardigde is;

- dat op 20 november en 11 december 2002 geen beslissingen zijn genomen die specifiek [geïntimeerde] regarderen, en de wijzigingen in de samenstelling van de commissie Zeewolde aan mr. Den Boef al op 20 november 2002 zijn bekendgemaakt;

- dat er geen algemene regel is dat appel opschortende werking heeft, maar dat de classis bij elke kennisneming van appel afweegt of het appel moet leiden tot opschortende werking van het bestreden besluit of niet;

- dat haar er alles aan gelegen is de zaken zo spoedig mogelijk te behandelen;

- dat zij terzake kennisneming van notulen van classisvergaderingen verwijst naar haar al eerder bekendgemaakte standpunt.

De commissie Zeewolde heeft in haar antwoord onder meer aangegeven:

- dat het gebruikelijk is dat juristen bij een tuchtzaak betrokken zijn;

- dat de inhoudelijke bespreking van haar conceptrapport nog steeds wacht op het inhoudelijke verweer van [geïntimeerde];

- dat zij het betreurt dat [geïntimeerde] en mr. Den Boef hun agenda’s niet hebben willen aanpassen en ook geen verhinderdata hebben opgegeven, en heeft 8 en 15 maart 2003 als alternatieve data aangegeven.

3.26 [geïntimeerde] heeft naar aanleiding van deze reacties besloten om vooralsnog geen gehoor te geven aan de oproep van de commissie om een verweerschrift in te dienen en te worden gehoord, omdat volgens hem niet gezegd kon worden dat alsnog eerlijke procesvoering zou gaan plaatsvinden.

3.27 In maart 2003 heeft de commissie een aanvullend rapport uitgebracht. Dit aanvullend rapport is op 20 maart 2003 toegestuurd aan [geïntimeerde] met het verzoek op 2 april 2003 voor de classis te verschijnen.

3.28 Bij brief van 1 april 2003 heeft de raadsman van [geïntimeerde] de Generale Synode aangeschreven met het verzoek het daartoe te leiden dat de appelschriften die tot dat moment waren binnengekomen, op korte termijn zouden worden behandeld. Reden hiervoor was dat [geïntimeerde] had vernomen dat de Generale Synode pas medio 2004 bijeen zou komen, waardoor zijn appelschriften lange tijd zouden moeten wachten op behandeling. De Generale Synode heeft de raadsman bij brief van 22 april 2003 laten weten dat de Generale Synode eerder bijeen zouden komen indien zij naar het oordeel van tenminste twee Particuliere Synodes eerder bijeen moest komen. Nu aan deze voorwaarde niet was voldaan, zou de Generale Synode niet vervroegd bijeen komen. Bij brief van 25 april 2003 heeft de raadsman van [geïntimeerde] vervolgens de Particuliere Synode van het Oosten verzocht het ertoe te leiden dat de Generale Synode vervroegd bijeen zou komen om de ingediende appelschriften te behandelen. Bij brief van 14 mei 2003 heeft de Particuliere Synode van het Oosten de raadsman geïnformeerd dat de Generale Synode een beroepsinstantie is die op afstand functioneert en dat er geen reden was om eerder samen te komen. [geïntimeerde] heeft nadien in ieder geval het eerder bij de Generale Synode ingestelde appel tegen het besluit van de Particuliere Synode van 29 oktober 2002 ingetrokken.

3.29 Tijdens haar vergadering van 2 april 2003 heeft de classis (opnieuw) besloten om [geïntimeerde] te schorsen. Tijdens deze vergadering heeft de raadsman van [geïntimeerde] het woord gevoerd. De classis is daarbij onder meer tot het oordeel gekomen dat [geïntimeerde]:

i. door zijn wijze van optreden in de kerkenraad, in strijd met de KO, verhoudingen had gecreëerd en in stand gehouden had, die het noodzakelijke toezicht op zijn ambtelijk functioneren conform de KO onmogelijk maakten;

ii. als voorzitter van de kerkenraad leiding had gegeven aan het creëren en in stand houden van een financiële wanorde;

iii. als voorzitter van de kerkenraad medeverantwoordelijk was voor de besluitvorming binnen de kerkenraad om een gedeelte van de activiteitengelden buiten de boeken te houden; en

iv. de behandeling van zijn zaak nodeloos had opgehouden door vele procedurele appelschriften en dat hij hierdoor de kerkgemeente Zeewolde alsmede de Christelijke Gereformeerde Kerken in breder verband grote schade had toegebracht zonder dat hiermee een wezenlijk belang van hemzelf was gediend. [geïntimeerde] werd opgeroepen zich te bekeren, bij gebreke waarvan de classis over zou gaan tot afzetting. [geïntimeerde] heeft tegen het besluit van 2 april 2003 appel ingesteld bij de Particuliere Synode van het Oosten bij brief van 28 april 2003. [geïntimeerde] had geen gehoor gegeven aan de oproep van de door de Particuliere Synode van het Oosten ingestelde commissie om op dit appel te worden gehoord, omdat hij van mening was dat ook op dit niveau fundamentele rechtsbeginselen werden veronachtzaamd.

3.30 [geïntimeerde] is per 9 mei 2003 benoemd voor tweeëntwintig uur per week als docent maatschappijleer aan het [...]college te [plaatsnaam].

3.31 [geïntimeerde] heeft zich op 26 juni 2003 ziek gemeld bij de kerkenraad van de CGK Zeewolde.

3.32 De Particuliere Synode heeft op 26 juni 2003 afwijzend beslist op het appel van [geïntimeerde] tegen het schorsingsbesluit van 2 april 2003. [geïntimeerde] heeft tegen de beslissing van de Particuliere Synode van het Oosten aanvankelijk hoger beroep in gesteld bij de Generale Synode, maar heeft dit appel later ingetrokken.

3.33 Bij brief van de preses en scriba van de classis van 28 juni 2003 is [geïntimeerde] nogmaals “indringend” gevraagd of hij de classis “nog iets te melden” had, waarbij is aangegeven dat als hij geen blijk zou geven van bekering de classis genoodzaakt zal zijn om op 2 juli 2003 verdere stappen omtrent zijn positie als predikant te ondernemen. [geïntimeerde] heeft hierop bij brief van 30 juni 2003 gereageerd. Hij heeft daarbij aangegeven dat hij zich ziek heeft gemeld bij de kerkenraad, dat zijn krachten op zijn en zijn gezin de spanningen niet meer aan kan, dat hij ten onrechte is beschuldigd en geschorst. Hij heeft voorts dringend verzocht de schorsing op te heffen, en aangegeven dat hij zich blijft beroepen op zijn rechten en bereid blijft via bemiddeling/arbitrage tot een oplossing te komen. Verder heeft hij verwezen naar zijn raadsman en heeft gevraagd om voorlopig met rust te worden gelaten en verdere briefwisseling via mr. Den Boef te laten lopen.

3.34 Tijdens haar vergadering van 2 juli 2003 heeft de classis geconstateerd dat [geïntimeerde] geen blijk had gegeven van bekering en heeft zij besloten tot afzetting van [geïntimeerde]. De financiële Commissie Classis Amersfoort werd opgedragen zorg te dragen voor de financiële afwikkeling van de zaak volgens de geldende richtlijnen van de Particuliere Synode voor afgezette predikanten. De maximale uitkeringsperiode voor [geïntimeerde] zou, gelet op zijn leeftijd, 12 maanden zijn. De Financiële Commissie kreeg bovendien mandaat om met [geïntimeerde] een tijdelijke regeling te treffen voor de periode tot 8 oktober 2003.

3.34 Bij brief van 3 juli 2003 heeft de classis de leden van de kerkgemeente te Zeewolde schriftelijk uitgelegd wat in verband met [geïntimeerde] was besloten en wat daarvoor de gronden waren. Mr. Den Boef heeft bij brief van 7 juli 2003 namens [geïntimeerde] de nietigheid van het afzettingsbesluit ingeroepen, aanspraak gemaakt op het traktement en emolumenten, en de classis voor de gevolgen van het besluit aansprakelijk gesteld. Voorts heeft hij gevraagd om intrekking van het afzettingsbesluit, toelating tot de ambtelijke werkzaamheden en verzoening. [geïntimeerde] heeft tegen het afzettingsbesluit geen kerkelijk appel ingesteld.

3.35 Met [geïntimeerde] is uiteindelijk geen financiële regeling getroffen. De classis heeft op haar vergadering van 8 oktober 2003 besloten geen tijdelijke uitkering vast te stellen ter voorziening in het levensonderhoud van [geïntimeerde] en zijn gezin, op grond dat [geïntimeerde] niet heeft voldaan aan de door de Generale Synode (Acta GS 1986 art.97) vastgestelde voorwaarde van verzoening met de kerkenraad van zijn laatste gemeente en evenmin inzicht heeft verschaft omtrent zijn (eventuele) inkomsten.

[geïntimeerde] is gevraagd de pastorie per 1 november 2003 leeg op te leveren.

4 De grieven

Appellanten hebben de volgende grieven aangevoerd.

Grief 1: Ontvankelijkheid

Ten onrechte heeft de kantonrechter in rechtsoverweging 3.6 geoordeeld dat [geïntimeerde] ontvankelijk is in zijn vorderingen op de gronden als vermeld in rechtsoverweging 3.4.

De kantonrechter heeft op basis van een verkeerde interpretatie van artikel 31 KO ten onrechte overwogen dat [geïntimeerde] niet (eerst) de kerkelijke rechtsgang behoefde te volgen.

Grief 2: Ontvankelijkheid

Ten onrechte heeft de kantonrechter in rechtsoverweging 3.6 geoordeeld dat [geïntimeerde] ontvankelijk is in zijn vorderingen op de gronden als vermeld in rechtsoverweging 3.5.

Grief 3: Geen arbeidsovereenkomst

Ten onrechte heeft de kantonrechter in de rechtsoverwegingen 3.7 t/m 3.17 op de daar aangevoerde gronden geoordeeld dat de rechtsverhouding tussen [geïntimeerde] enerzijds en de CGK Zeewolde en/of de classis anderzijds dient te worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst in de zin van art. 7:610 BW.

Grief 4: opzegtermijn en gefixeerde schadeloosstelling ex art 7:680

Ten onrechte heeft de kantonrechter in rechtsoverweging 4.1 geoordeeld dat de CGK Zeewolde de rechtens geldende opzegtermijn in acht had behoren te nemen en bij gebreke daarvan de kerk veroordeeld tot betaling van een gefixeerde schadeloosstelling ad € 10.588,-- (bruto).

Grief 5: geen kennelijk onredelijk ontslag

Ten onrechte heeft de kantonrechter in rechtsoverweging 4.2 tot en met 4.8 geoordeeld dat sprake is van een kennelijk onredelijke beëindiging in de zin van artikel 7: 681 BW wegens schending van de beginselen van een behoorlijk proces en op grond hiervan de CGK Zeewolde veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding ad € 30.000,--.

Grief 6: proceskosten

Ten onrechte heeft de kantonrechter de CGK Zeewolde en de classis veroordeeld in de kosten.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

Grieven 1 en 2

5.1 De eerste twee grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

Bevoegdheid van de burgerlijke rechter

5.2.1 Appellanten stellen zich primair op het standpunt dat de burgerlijke rechter onbevoegd is om van dit geschil kennis te nemen. Zij beroepen zich hiertoe op artikel 6 Grondwet en artikel 9 EVRM. Het gaat om een interne kerkelijke – geen burgerlijke - aangelegenheid, op welk gebied de burgerlijke rechter gelet op de scheiding tussen kerk en staat en de vrijheid van godsdienst geen rechtsmacht heeft. De overheid dient zich te onthouden van bemoeienis met de inhoud van de godsdienst of levensovertuiging en de interne organisatie van de kerk.

5.2.2 [geïntimeerde] heeft dit standpunt van appellanten gemotiveerd bestreden. Hij beroept zich op de artikelen 17 en 112 van de Grondwet en op artikel 6 EVRM.

5.2.3 Naar het oordeel van het hof gaat de scheiding tussen kerk en staat, ook in rechtsverhoudingen tussen een kerkgenootschap en individuen daarbinnen, niet zover dat de gang naar de burgerlijke rechter per definitie gesloten is. Dat zou in strijd zijn met de grondrechtelijke waarborgen die ten behoeve van individuen zijn neergelegd in de artikelen 17 in samenhang met artikel 112 van de Grondwet en in artikel 6 EVRM. Het recht op godsdienstvrijheid kan aan deze waarborgen niet afdoen. Het recht op godsdienstvrijheid ziet uiteindelijk op de vrijheid van individuen om uiting te geven aan hun religieuze overtuigingen. Die vrijheid brengt echter niet mee dat daardoor voor leden van bepaalde kerkgenootschappen andere grondrechten zonder meer buiten werking gesteld worden.

5.2.4 Het is vaste rechtspraak dat de bevoegdheid van de burgerlijke rechter wordt beoordeeld naar het recht waarin de eiser vraagt te worden beschermd. [geïntimeerde] baseert zijn eis tot schadevergoeding op de grondslag “kennelijk onredelijke/onregelmatige beëindiging van een arbeidsovereenkomst, respectievelijk onrechtmatige daad en wanprestatie”, en dus op rechten waarvoor het Nederlands burgerlijk recht bescherming biedt. De burgerlijke rechter – in eerste aanleg de kantonrechter en nu in hoger beroep het hof – is dan ook bevoegd om van de zaak kennis te nemen.

Ontvankelijkheid

5.3.1 Appellanten stellen zich, subsidiair, op het standpunt dat [geïntimeerde] in zijn vordering bij de burgerlijke rechter niet ontvankelijk is. In de onderhavige zaak is het kerkelijke recht – de Kerkorde - van toepassing. Voor het onderhavige geschil stond een interne, met voldoende waarborgen omklede, kerkelijke rechtsgang inclusief appelmogelijkheid open die [geïntimeerde] had moeten volgen, of – subsidiair – eerst had moeten volgen alvorens zich tot de burgerlijke rechter te wenden. [geïntimeerde] was hiertoe verplicht op grond van zijn geloofsbelijdenis en het door hem ondertekende Ondertekeningsformulier voor dienaren des woords. [geïntimeerde] heeft echter niet de kerkelijke rechtsgang geheel benut, maar hij heeft zijn appels bij de Generale Synode tegen de schorsingsbesluiten ingetrokken en heeft geen appel ingesteld tegen het afzettingsbesluit. Daardoor hebben de besluiten inmiddels formele rechtskracht gekregen, zodat daarmee in het onderhavige geschil iedere weg naar de burgerlijke rechter voor [geïntimeerde] is afgesloten.

5.3.2 [geïntimeerde] heeft in hoger beroep – kort samengevat - het volgende aangevoerd:

- Geïntimeerden gaan ten onrechte uit van het primaat van en de binding aan het Statuut. [geïntimeerde] kan nimmer van de rechter worden afgehouden, een dergelijke overeenkomst - die er tussen partijen niet is - zou nietig zijn.

- Het Statuut regelt niets omtrent rechtsverhouding en vermogensrechtelijke zaken.

- Uit artikel 31 KO en daarop gebaseerde regels blijkt niet dat [geïntimeerde] gehouden is eerst de volledige kerkelijke rechtsgang te begaan voordat hij zich tot de burgerlijke rechter kan wenden.

- Zowel binnen de CGK als de appelmogelijkheden die de Kerkorde biedt is geen sprake van een rechtsgang die met fundamentele waarborgen is omkleed.

- In de kerkelijke procedures zijn fundamentele rechtsbeginselen geschonden.

Dit alles maakt, dat van [geïntimeerde] in redelijkheid niet gevergd kon worden eerst de kerkelijke rechtsgang te volgen voordat hij zich tot de burgerlijke rechter wendde.

5.3.3 Het hof oordeelt als volgt. Ingevolge artikel 17 van de Grondwet kan niemand tegen zijn wil worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent. Artikel 112, lid 1 van de Grondwet bepaalt dat de berechting van geschillen over burgerlijke rechten en over schuldvorderingen aan de rechterlijke macht is opgedragen. Op deze beginselen zijn echter uitzonderingen mogelijk, bij wet of overeenkomst.

5.3.4 Ingevolge artikel 2:2 van het Burgerlijk Wetboek, worden kerkgenootschappen geregeerd door hun eigen statuut voor zover dit niet in strijd is met de wet. De CGK Zeewolde is een kerkgenootschap in de zin van artikel 2:2 lid 1 BW. Hetzelfde geldt voor de classis. Beide, en ook hun leden, zijn gebonden aan het statuut waar het kwesties betreft tussen de kerk en haar leden die door het statuut worden geregeld. Dit statuut is hier de Kerkorde , aangevuld door “In Orde”, handleiding en toelichting bij de kerkelijke rechtspraak .

Wanneer de geschilbeslechting is opgedragen aan de kerkelijke rechter, dienen de partijen bij een geschil dat zowel kerkrechtelijke als civielrechtelijke aspecten heeft in beginsel deze rechtsgang te volgen. Indien zij niet eerst deze rechtsgang volgen, zijn zij in hun vordering bij de burgerlijke rechter in beginsel niet ontvankelijk.

Dat is echter anders wanneer zwaarwegende omstandigheden maken dat dit in redelijkheid niet van de rechtzoekende gevergd kan worden. Dergelijke omstandigheden kunnen zijn dat het statuut voor het betreffende geschil geen voorschriften bevat, of indien de kerkelijke rechtsgang niet voldoet aan fundamentele beginselen van procesrecht.

5.3.5 Appellanten hebben gesteld dat [geïntimeerde] een kerkelijke openbare geloofsbelijdenis heeft gedaan en zijn beroeping als predikant heeft aanvaard, waarbij hij ook het “Ondertekeningsformulier voor dienaren des Woords” ex art. 52 KO heeft ondertekend, en dat hij zich aldus aan het kerkelijk statuut gebonden heeft. [geïntimeerde] heeft deze feitelijke stellingen niet (voldoende gemotiveerd) bestreden, zodat deze vaststaan. In beginsel is [geïntimeerde] daarom als lid van de kerk en als dienaar des Woords aan de Kerkorde gebonden, en dient hij voor kwesties die door de Kerkorde bestreken worden de daarin neergelegde regels te volgen.

5.3.6 [geïntimeerde] was predikant in dienst van de kerk, hij verrichtte voor de kerk inspanningen of werkzaamheden waaraan hij een dagtaak had, ontving daartegenover inkomsten en bewoning en moest zich houden aan de kerkelijke regels. De Kerkorde bevat regels omtrent de toelating tot het predikantschap, aannemen van andere betrekkingen, schorsing en afzetting, en omtrent het voorleggen van geschillen aan kerkelijke instanties. Daarom dienden partijen in beginsel de kerkelijke rechtsgang te volgen.

5.3.7 [geïntimeerde] stelt zich op het standpunt dat de classis zich niet aan fundamentele beginselen van procesrecht – die ook aan het kerkelijk statuut ten grondslag liggen - heeft gehouden, dan wel dat de rechtsgang op zichzelf niet heeft voldaan aan fundamentele beginselen van procesrecht. Vanwege de gebreken in de rechtsgang, waardoor geen sprake was van een eerlijk proces, heeft hij geen appel ingesteld bij de Particuliere Synode en heeft hij zijn appels (van alle voorgaande afwijzende beslissingen van de Particuliere Synode) bij de Generale Synode ingetrokken.

5.3.8 Het hof zal beoordelen of sprake is van schending van de algemene beginselen van behoorlijk procesrecht die ook ten grondslag liggen aan het kerkelijk statuut, dan wel zodanige schending van algemene beginselen van behoorlijk procesrecht dat redelijkerwijs niet van [geïntimeerde] gevergd kon worden dat hij (eerst) de door het kerkelijk statuut voorgeschreven rechtsgang volgde.

Standpunten van partijen over (schending van) beginselen van procesrecht

5.3.9 [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat op de volgende punten - hierna telkens weergegeven onder a. - schending van de algemene beginselen van behoorlijk procesrecht heeft plaatsgevonden. Hierna wordt telkens ook het standpunt van appellanten - onder b. - weergegeven.

5.3.9.1 Mocht de classis de kwestie behandelen zonder dat eerst broederlijke vermaning en/of behandeling in de kerkeraad had plaatsgevonden?

5.3.9.1.a De procedure inzake de broederlijke vermaning, die een essentieel onderdeel van het kerkrecht is, is niet nagekomen. Dit had wel moeten plaatsvinden alvorens sprake kon zijn van enig kerkelijk onderzoek. Juist tegen [geïntimeerde] als predikant – die uit hoofde van zijn functie meer dan anderen steeds onder een zekere mate van kritiek staat – had deze norm moeten worden gehanteerd. Volgens [geïntimeerde] is geen onderzoek gedaan naar de feitelijke juistheid hiervan, zodat de motivering ondeugdelijk is.

De classis heeft voorts gehandeld in strijd met (meerdere bepalingen) uit het statuut door als meerdere vergadering zelfstandig een zaak die niet op de kerkenraad heeft gediend en dus niet op kerkordelijke wijze op de classis is gebracht naar zich toe te trekken. Het statuut verklaart nergens de meerdere vergadering bevoegd tot het zelfstandig treffen van maatregelen van censuur over ambtsdragers. De situaties waarin een classis zo zou kunnen ingrijpen zijn: als een kerkenraad in gebreke is gebleven om maatregelen te treffen tot schorsing of afzetting of een besluit daartoe uit te voeren, of als anderszins sprake is van wanbestuur. Daarvan was hier geen sprake.

5.3.9.1.b Volgens appellanten was het zo dat wel degelijk diverse malen getracht is [geïntimeerde] broederlijk te vermanen, maar dat dit door de manier van reageren van [geïntimeerde] niet goed mogelijk was. De Kerkeraad was niet in staat [geïntimeerde] te corrigeren. Hier was sprake van een geval waarin de classis de aangewezen instantie was om op te treden.

5.3.9.2 Hoor en wederhoor

5.3.9.2.a [geïntimeerde] is in juni 2003 afgezet zonder dat hij of zijn raadsman in de gelegenheid is gesteld het woord te voeren. Hiermee is het beginsel van hoor en wederhoor geschonden.

5.3.9.2.b Appellanten hebben hiertegen ingebracht dat [geïntimeerde] wel degelijk in de gelegenheid is gesteld om gehoord te worden, maar dat hij deze gelegenheid niet heeft benut. [geïntimeerde] was al eerder, nog voor de toezending van het concept-rapport in mei 2003 uitgenodigd om zowel ten overstaan van de commissie Zeewolde als ten overstaan van de classis zelf te worden gehoord (telefax mr. Pel d.d. 26 april 2002 aan mr. Den Boef), maar mr. Den Boef gaf op verhinderd te zijn. Met toezending van de aanvullende stukken op 14 juni 12002 zijn twee nieuwe tijdstippen vastgesteld waarop [geïntimeerde] en mr. Den Boef door de commissie Zeewolde respectievelijk de classis konden worden gehoord en inhoudelijk konden reageren. Mr. Den Boef heeft vervolgens een wrakingverzoek ingediend en allerlei appellen ingesteld, maar nooit is door [geïntimeerde] en zijn raadsman inhoudelijk gereageerd op het concept-rapport en het aanvullend rapport. Na het schorsingsbesluit van 2 april 2003 heeft [geïntimeerde] op geen enkele wijze inhoudelijk daarop gereageerd. Vervolgens heeft hij zich op 26 juni ziek gemeld en op een laatste vraag bij brief van 28 juni 2003 aan [geïntimeerde] of hij nog iets in te brengen had is ook niets inhoudelijks gemeld.

5.3.9.3 Equality of arms; onthouden van stukken

5.3.9.3.a. [geïntimeerde] heeft geen toegang gehad tot alle direct aan de uitspraak ten grondslag liggende stukken. Hij heeft daardoor niet beschikt over alle stukken waarover de classis en Particuliere Synode wel beschikten. De Particuliere Synode heeft in haar beslissing van 26 juni 2003 (prod. 2 cva pag. 11 onder 4.5) erkend dat [geïntimeerde] niet geschikte over de acta van de vergaderingen van de classis Amersfoort, die een meerdere vergadering altijd bij appelzaken opvraagt om de genomen besluiten te controleren. Bovendien heeft [geïntimeerde] nooit inzage gekregen in (delen van) het rapport dat de commissie van de Particuliere Synode aan de voltallige Particuliere Synode heeft uitgebracht; dit is hem in de beslissing van 26 juni 2003 (pag. 12, punt 5.5 en 5.6) geweigerd. Hiermee miskent de Particuliere Synode de handleiding en meet de Particuliere Synode feitelijk met twee maten.

Dit klemt te meer omdat de afgevaardigden van de classis, die volgens de Particuliere Synode ter vergadering aanwezig waren, wel kennis hebben genomen van de inhoud van die rapportages van de commissie van de Particuliere Synode.

5.3.9.3.b Appellanten hebben erkend dat deze stukken niet aan [geïntimeerde] ter inzage ter beschikking zijn gesteld, maar zij stellen zich op het standpunt dat het ongebruikelijk is dat dergelijke interne stukken ter beschikking worden gesteld.

5.3.9.4 Equality of arms; gelegenheid getuigen te horen

5.3.9.4.a Alle getuigen zijn gehoord buiten tegenwoordigheid van [geïntimeerde] en zijn raadsman. Gelet op punt 3.3.3.4.2. pag. 65 In Orde had [geïntimeerde] in de gelegenheid moeten worden gesteld bij het horen van getuigen aanwezig te zijn en aan de getuigen vragen te stellen. Bovendien heeft de classis alleen getuigen à charge gehoord en door [geïntimeerde] in het geding gebrachte verklaringen van getuigen à décharge niet in de beoordeling betrokken. In appel bij de Particuliere Synode mocht [geïntimeerde] alleen getuigen horen die door de classis waren gehoord. De reden waarom dit is geweigerd – namelijk dat de betreffende oud-kerkenraadsleden mede onder verdenking stonden – is onbegrijpelijk en ondeugdelijk. Getuige [Q.] is wel gehoord maar zijn verklaring is nooit in enige (classis)beoordeling betrokken. De verklaringen van de (oud-)ouderlingen [Q.], [R.] en [S.] zijn zowel door de classis als in appel bij de Particuliere Synode niet in de beoordeling betrokken. Deze gang van zaken heeft bij [geïntimeerde] alle vertrouwen in een eerlijk proces weggenomen en aldus de doorslag gegeven om af te zien van verder appelleren (tegen zijn afzetting) en bij de Generale Synode de appels in te trekken.

5.3.9.4.b Appellanten hebben zich op het standpunt gesteld dat [geïntimeerde] niet zonder meer aanspraak erop kan maken dat alle getuigen (39 totaal) die hij aandraagt worden gehoord. De rechtsgang moet vergeleken worden met de rechtsgang voor de (wereldlijke) bestuursrechter, en de bestuursrechter is niet verplicht om getuigen te horen, terwijl dit niet betekent dat daarmee fundamentele beginselen verzaakt worden. Het is voorts aan de rechtsprekende instantie om te bepalen welke getuigen al dan niet moeten worden gehoord. Bovendien hebben de door [geïntimeerde] aangegeven getuigen aangegeven dat zij niet gehoord wensen te worden.

5.3.9.5 Equality of arms; gehoord worden door de voltallige Particuliere Synode

5.3.9.5.a [geïntimeerde] heeft in appel tegen de tweede schorsing verzocht om ook te worden gehoord ten overstaan van de voltallige Particuliere Synode. Dit is hem geweigerd, met de reden dat dit ongebruikelijk, omslachtig en onnodig is, terwijl de classis wèl in de Particuliere Synode was vertegenwoordigd en de afgevaardigden die rechtstreeks bij de besluitvorming door de classis waren betrokken wel het woord hebben gevoerd. Het statuut kent volgens [geïntimeerde] geen regel die zijn recht om door de Particuliere Synode gehoord te worden beperkt tot het horen in een ter voorbereiding van de behandeling ingestelde commissie.

5.3.9.5.b Appellanten hebben aangevoerd dat het horen voor een voltallige Particuliere Synode omslachtig en onnodig is.

5.3.9.6 Onpartijdige rechtspraak

5.3.9.6.a Het beginsel van onpartijdige rechtspraak is geschonden. Alle afgevaardigden vanuit de classis die bij zijn zaak betrokken zijn geweest, zijn afgevaardigd naar onder meer de vergadering van de Particuliere Synode van 26 juni 2003, waar over het schorsingsbesluit werd gesproken en besloten. De afgevaardigden van de classis hebben daar het schorsingsbesluit mogen toelichten, zijn bij de beraadslaging en besluitvorming aanwezig geweest en hebben daaraan deelgenomen, terwijl [geïntimeerde] buiten mocht blijven. De aanbeveling van 3.5.8.3 pag 77 In Orde, om als afgevaardigden naar een meerdere vergadering diegenen te kiezen die op de mindere vergadering niet rechtstreeks bij een zaak betrokken zijn geweest, is niet nageleefd. Alleen al de aanwezigheid van afgevaardigden die zich eerder inhoudelijk met een (tucht)zaak hebben bemoeid op een meerdere kerkelijke vergadering wekt de schijn van partijdigheid op. Voorts heeft de preses geen gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid om, als de hiervoor bedoelde aanbeveling niet wordt opgevolgd, tijdig aan de betrokken afgevaardigden te vragen zich bij de behandeling van de zaak door hun secundi te laten vervangen.

De beide schorsingsbesluiten van de classis zijn mede ondertekend door ds. [K.], ds. [T.], ds. [J.] en de ouderlingen [U.], [H.], [V.] en [W.]. Deze personen zijn meerdere malen afgevaardigd naar de Particuliere Synode en hebben ook aan de afzetting meegewerkt.

Bovendien is de preses van de Particuliere Synode, ds. [X.], die mede alle Particuliere Synode-besluiten over [geïntimeerde] heeft ondertekend, de broer van de classis-afgevaardigde [N.].

Binnen de CGK wordt geen waarborg geboden voor onpartijdigheid door de geschillenbeslechting in handen van onafhankelijke commissies te leggen. Het statuut bevat geen afdoende regeling inzake onder meer verschoning en wraking.

5.3.9.6.b De appellanten hebben hiertegenover gesteld dat uit de comité-acta van de classis aantoonbaar blijkt dat degenen die op enigerlei wijze bij het werk van de commissie Zeewolde betrokken zijn geweest, bij de besluitvorming door de classis buiten stemming zijn gebleven. De afgevaardigden naar een Particuliere Synode, van een classis wier besluit bestreden wordt, blijven buiten de beraadslaging en de stemming, zodat er geen sprake van is dat de classis mede rechter in eigen zaak zou zijn.

Terzake de familieband tussen ds. [X.] en [N.] hebben appellanten aangevoerd dat hiermee niet is bewezen dat dit tot enige partijdigheid heeft geleid. Bovendien zijn de kerkelijke vergaderingen getalsmatig zo groot dat de familieband van geen enkele betekenis kan zijn.

5.3.9.7 Ne bis in idem

5.3.9.7.a Het ne bis in idem beginsel is geschonden. [geïntimeerde] is twee keer geschorst (en afgezet) op grond van feiten die ten tijde van de eerste schorsing al bestonden, terwijl er geen nieuwe feiten bijgekomen zijn.

5.3.9.7.b Appellanten zijn op dit punt niet ingegaan.

5.3.9.8 Berechting binnen een redelijke termijn

5.3.9.8.a Door geen gebruik te maken van de mogelijkheid die het statuut expliciet biedt om de Generale Synode vervroegd bijeen te roepen, is sprake van onzorgvuldigheid en strijd met de redelijkheid en billijkheid.

5.3.9.8.b Appellanten hebben erop gewezen dat dit argument niet opgaat omdat achteraf gebleken is dat de Generale Synode al haar geplande vergaderingen in 2004 geheel heeft kunnen afwerken, terwijl de kantonrechter in de zaak van [geïntimeerde] pas op 2 februari 2005 uitspraak heeft kunnen doen.

5.3.9.9. Onredelijke en onbillijke behandeling

5.3.9.9.a [geïntimeerde] is onredelijk en onbillijk behandeld, doordat de regeling terzake een financiële toelage bij afzetting van een predikant, die men aanvankelijk op [geïntimeerde] van toepassing had verklaard, weer is ingetrokken, omdat [geïntimeerde] niet voldeed aan de voorwaarde zich te verzoenen met zijn kerkenraad. Deze kerkenraad bestond echter feitelijk na 17 oktober 2001 niet, maar de kerk werd bestuurd door een afvaardiging van de classis. De voorwaarde was aldus onredelijk ten opzichte van [geïntimeerde]. Een dergelijk ontslag zonder enige vergoeding is onredelijk en onbillijk.

5.3.9.9.b Appellanten hebben dit standpunt van [geïntimeerde] gemotiveerd bestreden.

Comparitie van partijen

5.4 Het hof heeft behoefte aan nadere inlichtingen van partijen en zal daartoe een comparitie gelasten. Op die comparitie zullen (onder meer) de navolgende punten aan de orde kunnen komen.

5.4.1 Het kerkelijk recht

5.4.1.1 Het hof heeft na bestudering van hetgeen door partijen in het geding is gebracht aan stellingen en producties omtrent het kerkrecht, (voor zover hier relevant) het hierna volgende begrepen. Het hof wil van partijen ter comparitie horen of het hof het kerkelijk recht aldus goed begrepen heeft.

5.4.1.2 Regels van procesrecht

De Kerkorde zelf bevat geen precieze regels omtrent het wisselen van stukken, de behandeling ter zitting en het horen van getuigen en dergelijke. Wel bevat de handleiding In Orde een aantal algemene uitgangspunten (In Orde, p. 28-43, nrs 2.2 t/m 2.5.5, toelichting p. 64 e.v., nrs. 3.3.3.3 t/m 3.3.3.3.6). Deze omvatten het beginsel van eerlijk en zorgvuldig onderzoek; de kerkelijke vergadering dient alle partijen toegang te verschaffen tot de genomen besluiten, uitspraken dienen met redenen omkleed te zijn en bevooroordeling moet voorkomen worden. Ook geldt het beginsel van hoor en wederhoor, en het beginsel dat alle betrokkenen in een procedure gelijk behandeld dienen te worden. Van een hoorzitting dient een schriftelijk verslag opgemaakt te worden en betrokkenen krijgen gelegenheid kennis te nemen van de voor hen relevante delen van de verslagen van de hoorzitting. Elke betrokkene dient ook toegang te krijgen tot alle direct aan de uitspraak ten grondslag liggende stukken, en tot het besluit van de kerkelijke vergadering en de gronden waarop dit berust . Er bestaat een mogelijkheid tot het horen van getuigen door de kerkelijke vergadering.

5.4.1.3 Wraking en rechtsmiddel tegen afwijzing van een wrakingsverzoek

In de Kerkorde en in de handleiding In Orde staat niet of en zo ja wanneer het mogelijk is afgevaardigden van meerdere vergaderingen te wraken, en of er een rechtsmiddel is tegen afwijzing van een wrakingsverzoek. Wel zijn er voorschriften (zie In Orde p. 43, nr 2.5.5, p. 75-77, nrs. 3.5.8.1 e.v.) over het niet mogen deelnemen van bij besluitvorming betrokken afgevaardigden aan beraadslaging en stemming over aan een hogere vergadering voorgelegde zaken, waarbij overigens commissieleden daarvan niet worden uitgesloten. Wanneer iemand door bijzondere vriendschaps- of familiebanden aan in het geding zijnde partij verbonden is, behoort hij niet aan het werk van een onderzoekscommissie en/of de besluitvorming van de vergadering deel te nemen.

5.4.1.4 Karakter afzetting van predikant en verschil met losmaking van predikant

Afzetting is een tuchtmaatregel (art. 79 en 80 KO en handleiding In Orde p. 95, nr. 3.11) Sprake moet zijn van een openbare, grove zonde. Losmaking (art. 11 KO en In Orde p. 51 e.v. , nr. 2.7.2) van de predikant van zijn gemeente is mogelijk bij bijvoorbeeld onverenigbaarheid van karakters, zonder dat sprake is van een censurabele zonde bij één van beide partijen. De classis is in beide gevallen de instantie die deze beslissing over een predikant kan nemen. Bij afzetting bestaat nog een onderscheid tussen de algehele afzetting en de kleine afzetting (toelichting bij In orde pag. 108, nr. 3.11.10.3.2. e.v.) De classis gaat over tot algehele schorsing als bij de geschorste predikant oprecht berouw en bereidheid tot schuldbelijdenis ontbreken of in geval van meer ergerlijke, openbare zonden, die in een predikant volstrekt onduldbaar moeten worden geacht. De classis kan tot een kleine afzetting besluiten als de gronden voor de afzetting eigenlijk niet toereikend zijn voor een algehele afzetting en verlenging van de schorsing niet wel mogelijk is. De classis neemt na de algehele afzetting of kleine afzetting – indien hierbij sprake is van een proeftijd – tevens een besluit waarin bij wijze van barmhartigheid wordt voorzien in een financiële toelage voor de afgezette predikant en zijn gezin. De toelage wordt verstrekt voor een bepaalde tijd om betrokkene in staat te stellen een andere werkkring te vinden (zie toelichting bij In Orde, p. 109, nr. 3.11.10.2.5)

5.4.1.5 Verschil tussen ontheffing en schorsing van een predikant

Schorsing op grond van art. 79 en 80 KO (dus in geval van grove zonden) is een tuchtmaatregel door de classis ten opzichte van een predikant. Of een predikant vervolgens moet worden afgezet, beoordeelt de classis met advies van de in artikel 49 KO genoemde deputaten van de Particuliere Synode. Indien het noodzakelijk blijkt kan hangende het onderzoek de betrokken ambtsdrager voorlopig worden geschorst.

De kerkenraad kan zelfstandig besluiten om een predikant bij wijze van noodmaatregel voorlopig te schorsen voor een termijn van één of twee weken. Als het ingewikkeld ligt kan dit voor maximaal twee maanden. Indien nodig kan dit met dezelfde termijn verlengd worden. De voorlopige schorsing kan worden toegepast in afwachting van nader onderzoek of hangende een onderzoek bij zware beschuldigingen en de zaak is reeds openbaar geworden. Ook kan een besluit tot voorlopige schorsing worden genomen als het door omstandigheden onmogelijk is op korte termijn een vergadering van twee kerkenraden bijeen te roepen. De dubbele kerkenraad (de kerkenraad en die van de naastgelegen gemeente) kan ook een predikant schorsen als tuchtmaatregel, maar is niet bevoegd tot afzetting. Bij aarzeling tussen schorsing of afzetting wordt de zaak aan de classis voorgelegd (In Orde p. 96, nr. 3.11.4 e.v.)

Op p. 98 e.v. In Orde staat: Een classis is slechts bevoegd om eigener beweging tot censuur over ambtsdragers over te gaan in zeer uitzonderlijke gevallen. Deze gevallen kunnen zich voordoen als de kerkenraad kennelijk in gebreke is gebleven om maatregelen te treffen tot schorsing of afzetting of uitvoering te geven aan een besluit daartoe en als er anderszins sprake is van wanbestuur. In het alleruiterste geval is een Particuliere Synode of Generale Synode in de genoemde gevallen tot het treffen van maatregelen bevoegd, indien een classis in gebreke blijft om te handelen overeenkomstig artikel 79 KO.

Het hof heeft in de Kerkorde en In Orde geen bepalingen kunnen vinden over ontheffing.

5.4.1.6 Heeft een appel op de Particuliere Synode of op de Generale Synode opschortende werking?

Aan een kerkelijk appel kan schorsende werking toekomen. Kerkelijke vergaderingen spreken zich uit over de al dan niet opschortende werking van een appel. Daarbij moet de vraag beantwoord worden of het besluit direct ten uitvoer gelegd moet worden dan wel of de uitvoering wordt opgeschort zolang appel openstaat of zolang over een appel nog niet ie beslist. In bijzondere gevallen kan het noodzakelijk zijn direct ten uitvoer te leggen. Bijvoorbeeld bij een tuchtmaatregel in verband met grove in het openbaar begane zonden of een tuchtmaatregel wegens onzuiverheid in de leer. Een noot vermeldt nog dat met betrekking tot de vraag of aan een besluit bij appel opschortende werking is verbonden geen eensluidend antwoord wordt gegeven in de literatuur. Daarom is het gewenst dat de desbetreffende vergadering zich er bij een besluit altijd over uitspreekt.

5.4.2 Het verloop van de communicatie en de procedures tussen partijen

5.4.2.1 Op de comparitie zullen voorts onder meer de volgende vragen betreffende de communicatie en de procedures tussen partijen aan de orde kunnen komen.

- Heeft [geïntimeerde] zich na zijn ziekmelding van 12 oktober 2001 op enig moment weer hersteld gemeld en zo ja bij wie en wanneer?

- Is [geïntimeerde] naar aanleiding van het desbetreffende verzoek in zijn brief aan de classis van 22 oktober 2001 inhoudelijk gehoord op de eerstvolgende classisvergadering? Is hiervan een verslag?

- Was [geïntimeerde] ten tijde van de beslissing van de classis van 16 november 2001 nog steeds ziek?

- Waarom heeft de classis niet voldaan aan het kort-gedingvonnis van 1 februari 2002?

- Waarom heeft de classis op 20 november 2002 een hernieuwde commissie Zeewolde ingesteld?

- Wat is de reden dat [geïntimeerde] niet is ingegaan op de uitnodigingen van de (hernieuwde) commissie Zeewolde om gehoord te worden?

- Waarom heeft de classis op haar vergadering van 2 april 2003 opnieuw besloten om [geïntimeerde] te schorsen?

- Welke fundamentele rechtbeginselen werden volgens [geïntimeerde] ook op het niveau van de Particuliere Synode veronachtzaamd?

- Waarom heeft [geïntimeerde] zijn appellen bij de Generale Synode ingetrokken?

5.4.2.2 Het hof heeft in elk geval de volgende door [geïntimeerde] ingestelde appellen - 9 in totaal - geteld:

A. Appel bij de Particuliere Synode (ingesteld bij brief van 1 mei 2001) tegen het besluit van de classis van 28 maart 2001;

B. Appel bij de Particuliere Synode (ingesteld bij brief van 22 oktober 2001 dan wel 20 november 2001) tegen het besluit van de classis van 17 oktober 2001.

C. Appel bij de Particuliere Synode tegen het besluit van de classis van 16 november 2001.

D. Appel bij de Particuliere Synode tegen het besluit van de classis van 9 januari 2002;

E. Appel bij de Particuliere Synode tegen het besluit van de classis van 6 februari 2002.

F. Appel bij de Particuliere Synode tegen de beslissing van de classis van 5 juli 2002 tot afwijzing van het wrakingsverzoek met betrekking tot de commissie Zeewolde;

G. Appel bij de Particuliere Synode tegen het besluit van de classis van 20 november 2002;

H. Appel bij de Generale Synode tegen het besluit van de Particuliere Synode van 29 april 2002;

I. Appel bij de Generale Synode tegen het besluit van de Particuliere Synode van 26 juni 2002.

5.4.2.3 Van (een deel van) de door [geïntimeerde] ingestelde kerkelijke appellen is het hof - doordat een deel van de desbetreffende stukken ontbreekt of niet eenvoudig en op overzichtelijke wijze in de overgelegde producties is terug te vinden - echter niet duidelijk geworden tot welke eventuele behandeling en beslissingen die hebben geleid.

5.4.2.4 Voorts heeft mr. Den Boef op 24 juni 2002 een wrakingsverzoek gedaan met betrekking tot de commissie Zeewolde. Tegen de afwijzing hiervan is hij in appel gegaan bij de Particuliere Synode. Het hof heeft bij de stukken geen beslissing van de Particuliere Synode hierover aangetroffen. Overigens heeft het hof (zoals hiervoor al is opgemerkt) in de Kerkorde geen regels voor wraking aangetroffen. Ter comparitie zal dan ook de vraag aan de orde komen of er een regeling is voor wraking van afgevaardigden van de classis dan wel commissieleden, en zo ja wat deze inhoudt.

5.4.3 Stukken ten behoeve van de comparitie van partijen

5.4.3.1 CGK Zeewolde en classis dienen tijdig voorafgaand aan de comparitie de volgende bescheiden aan het hof en aan de wederpartij toe te sturen:

- De betreffende besluiten waartegen bovengenoemde appellen zijn ingesteld;

- De verslagen van de behandelingen van deze appellen, onder meer die van 4 februari 2002, 15 maart 2002, 13 april 2002 en van de andere data waarop de hiervoor bij 5.4.2.2. genoemde appellen zijn behandeld;

- De gespreksverslagen van de gesprekken die door de classis dan wel de commissie Zeewolde zijn gehouden met [geïntimeerde] en/of mr. Den Boef op 6 februari 2002 en eventuele latere data,

- De besluiten van de Particuliere Synode op de bovengenoemde appellen;

- Eventuele berichten van intrekking van de bovengenoemde appellen;

- een schematisch overzicht van alle voornoemde en evtentuele andere tussen partijen lopende dan wel gelopen hebbende procedures en de beslissingen die daarin zijn genomen.

5.4.3.2 [geïntimeerde] dient tijdig voorafgaand aan de comparitie de volgende bescheiden aan het hof en aan de wederpartij tot te sturen:

- de appelschriften terzake de bovengenoemde appellen

- een schematisch overzicht van alle voornoemde en eventuele andere tussen partijen lopende dan wel gelopen hebbende procedures inclusief mondelinge behandelingen en de beslissingen die daarin zijn genomen.

5.4.3.3 De partij die bij gelegenheid van de comparitie nieuwe stukken in het geding wenst te brengen, dient deze stukken tijdig vóór de zitting aan het hof en aan de wederpartij te doen toekomen, zodanig dat deze uiterlijk drie weken vóór de zitting kunnen zijn ontvangen. Bij verzuim dienaangaande zal geen gelegenheid worden geboden voor het alsnog in het geding brengen van de stukken.

5.4.4 De comparitie zal tevens worden benut om te bezien of partijen de zaak in der minne kunnen schikken. Het hof ziet aanleiding om in dit geval geen rechter-commissaris te benoemen maar in volledige samenstelling te zitten.

5.4.5 Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bepaalt dat partijen ([geïntimeerde] in persoon en CGK Zeewolde en de classis vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte en tot het geven van de verlangde inlichtingen in staat is en hetzij bevoegd hetzij speciaal schriftelijk gemachtigd is tot het aangaan van een schikking) tezamen met hun raadslieden zullen verschijnen voor het hof, dat daartoe zitting zal houden op een nader te bepalen datum in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem, zulks tot het geven van inlichtingen als in 5.4 aangegeven en opdat kan worden onderzocht of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;

bepaalt dat voor deze zitting in beginsel twee dagdelen (van maximaal 2,5 uur per dagdeel) beschikbaar zijn;

bepaalt dat partijen de bescheiden als bedoeld in 5.4.3 in het geding dienen te brengen en dat partijen deze bescheiden tijdig vóór de zitting aan de wederpartij en in viervoud aan het hof dienen te verzenden, zodanig dat deze uiterlijk drie weken vóór de zitting kunnen zijn ontvangen;

verwijst de zaak naar de rolzitting van 8 juli 2008 voor het opgeven van verhinderdata;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Fokker, Van Loo en Van der Bel en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 juni 2008.

Bij afwezigheid van de voorzitter is dit arrest ondertekend door mr. Van der Bel.