Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BE9474

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
13-08-2008
Datum publicatie
29-08-2008
Zaaknummer
07-00302
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZLY:2007:BA6544, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Invordering.

Aanmaningskosten. Eerbiedigende werking oud tarief.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2008/1281
FutD 2008-1826
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belasting

nummer 07/00302

Eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de directeur van de Publieksdienst van de gemeente Almere (hierna: de ontvanger)

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de Rechtbank) van 29 mei 2007, nummer 06/1336, in het geding tussen

X te Z(hierna: belanghebbende)

en

de ontvanger

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Voor het jaar 2005 zijn aan belanghebbende aanslagen in de onroerendezaakbelastingen, het rioolrecht en de afvalstoffenheffing opgelegd die zijn verenigd op één biljet met nummer 2432501 en dagtekening 28 februari 2005.

1.2. Met dagtekening 31 juli 2005 heeft de ontvanger belanghebbende aangemaand tot betaling van een openstaand bedrag van € 1 238,26, vermeerderd met aanmaningskosten van € 14,– en rente van € 15.

1.3. Op het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslagen in de onroerendezaakbelastingen heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak van 13 januari 2006 het totaalbedrag van de op het aanslag-biljet vermelde aanslagen verminderd tot € 1 129,30, invorderbaar gesteld in twee termijnen, waar-van de laatste verviel op 30 april 2005.

1.4. Op 13 april 2006 heeft de ontvanger een voor belanghebbende bestemd afschrift van een dwangbevel met bevel tot betaling van in totaal € 743,30, inclusief € 27 invorderingskosten en € 73 betekeningskosten, ter post bezorgd.

1.5. Het bezwaar van belanghebbende tegen het dwangbevel is bij uitspraak van de ontvanger van 25 april 2006 (bijlage 2 van het verweerschrift in eerste aanleg) ongegrond verklaard.

1.6. Op het beroep tegen de uitspraak van de ontvanger heeft de Rechtbank die uitspraak vernie-tigd en de ontvanger opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak van de Rechtbank.

1.7. Tot de stukken van het geding behoort het verweerschrift van belanghebbende.

1.8. Bij het onderzoek ter zitting op 2 juli 2008 te Arnhem, waar gelijktijdig belanghebbendes hoger beroep tegen de uitspraak van de Rechtbank van 29 mei 2007, nr. 06/259, inzake de waardebe-schikking voor belanghebbendes onroerende zaak a-straat 1 is behandeld, zijn gehoord belangheb-bende alsmede de ontvanger.

1.9. De notities van het pleidooi dat belanghebbende ter zitting heeft gehouden worden als hier herhaald en ingelast beschouwd.

1.10. Van de zitting is het proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Vaststaande feiten

2.1. Op het onder ?1.1 genoemde aanslagbiljet is aan belanghebbende als eigenaar en gebruiker de beschikking bekendgemaakt waarbij de waarde van de onroerende zaak plaatselijk bekend a-straat 1 voor het tijdvak 2005-2006 is vastgesteld op € 437 000. Tegen de waardebeschikking heeft hij een bezwaarschrift gedagtekend 1 maart 2005 ingediend.

2.2. Bij de bevestiging van de ontvangst van het bezwaarschrift heeft de heffingsambtenaar van de gemeente Almere belanghebbende op 7 april 2005 schriftelijk bericht dat hij uitstel van betaling heeft gekregen voor een bedrag van € 87,– en dat hij (€ 1 238,26 – € 87 =) € 1 151,26 binnen de gestelde termijnen moet voldoen.

2.3. Tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar van 13 januari 2006 op het bezwaar tegen de waardebeschikking, waarbij de vastgestelde waarde is verminderd tot € 382 000, heeft belang-hebbende op 26 januari 2006 beroep ingesteld. Daarop heeft de Rechtbank beslist bij de onder ?1.8 genoemde uitspraak nr. 06/259.

2.4. Bij de onder ?1.5 genoemde uitspraak is aan belanghebbende meegedeeld dat opschorting is gegeven voor het bestreden bedrag van € 251,35 inclusief de invorderingskosten, doch dat het restant van € (643,30 – 251,35 =) 391,95 per omgaande moest worden overgemaakt.

3. Geschil, standpunten en conclusies van partijen

3.1. Partijen houdt in hoger beroep nog verdeeld, of de Rechtbank terecht heeft overwogen dat het onder ?1.2 genoemde bedrag van € 14 sinds 1 januari 2006 is vervangen door € 13.

3.2. Elk van de partijen heeft voor haar standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van haar afkomstige stukken.

3.3. Daaraan is mondeling, behalve de inhoud van de voormelde pleitnotities, toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.4. In hoger beroep concludeert elk van partijen overeenkomstig haar conclusie in eerste aanleg.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Krachtens artikel 231 van de Gemeentewet is op de invordering van gemeentelijke belas-tingen onder meer de Kostenwet invordering rijksbelastingen (hierna: Kostenwet) van toepassing.

4.2. Volgens artikel 2 van de Kostenwet is voor het verzenden van een aanmaning tot betaling van € 454 of meer een bedrag van € 14 verschuldigd. Het bedrag van ‘€ 14’ in artikel 2 van de Kostenwet is vervangen door € 13 bij artikel IV, onderdeel A, van de Bijstellingsregeling 2006 (van 6 december 2005, nr. DDB 2005/35M). Die regeling treedt volgens artikel VIII ervan in werking met ingang van 1 januari 2006.

4.3. De Bijstellingsregeling 2006 is in zoverre een ministeriële regeling als bedoeld in artikel 8, lid 1, van de Kostenwet, welke bepaling begint met: ‘Bij het begin van het kalenderjaar’. Doel en strekking ervan brengen mee dat de ministeriële regeling waarbij bedragen – waaronder het bedrag van € 14 in artikel 2 – worden vervangen, steeds eerbiedigende werking heeft ten opzichte van de vervangen bedragen, ook als die regeling geen bepaling van overgangsrecht behelst.

4.4. Het bedrag van € 14 is dus van toepassing gebleven voor de kalenderjaren waarin dit vóór de inwerkingtreding van de Bijstellingsregeling 2006 heeft gegolden. Bij de bestreden aanmaning van 30 april 2005 zijn dus terecht kosten van vervolging ten bedrage van € 14 in rekening ge-bracht.

5. Slotsom

Het hoger beroep van de ontvanger is gegrond. Bij de uitspraak van de Rechtbank is het beroep van belanghebbende ten onrechte gegrond verklaard. Nu geen incidenteel hoger beroep is inge-steld, moeten de grieven van belanghebbende in dit geding onbesproken blijven. Zij komen aan de orde in het hoger beroep tegen de onder ?1.8 genoemde uitspraak van de Rechtbank, bij het Hof bekend onder kenmerk 07/00316.

6. Kosten

Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht vindt het Hof geen termen aanwezig.

7. Beslissing

Het Gerechtshof, recht doende in hoger beroep:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank en, opnieuw recht doende:

– verklaart het beroep tegen de uitspraak van de ontvanger ongegrond.

Aldus gedaan te Arnhem door mr. Lamens, voorzitter, mr. Monsma en mr. De Kroon. De beslissing is in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 13 augustus 2008.

De griffier, De voorzitter,

(W.J.N.M. Snoijink) (J. Lamens)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 13 augustus 2008

Tegen deze uitspraak kunnen belanghebbende en het college van burgemeester en wethouders binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

postbus 20303, 2500 EH Den Haag

(bezoekadres: Kazernestraat 52).

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassa-tie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.