Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BE9239

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
27-08-2008
Datum publicatie
27-08-2008
Zaaknummer
24-000734-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof verklaart bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag, maar verklaart verdachte niet strafbaar en ontslaat hem van alle rechtsvervolging wegens noodweerexces. Tegen de bestelauto van het slachtoffer was een rauw ei gegooid. Het slachtoffer wilde de dader(s) aanspreken op hun gedrag. Het slachtoffer nam echter ten onrechte aan dat verdachte degene was die het ei had gegooid. Verdachte werd onverwachts geconfronteerd met de verbale en fysieke overmacht van een veel oudere, grotere en zwaardere man. Verdachte werd uitgescholden, bijna geraakt met een hondenriem en zo hard geslagen, dat een tand afbrak. Voorts nam het slachtoffer de fiets van verdachte in beslag. Direct daarna richtte de woede van het slachtoffer zich op een te hulp geschoten vriend van verdachte. Het hof is van oordeel dat er sprake was van noodweersituatie, een aanranding van verdachte eigen lijf en goed en het lijf van een ander, die een verdediging rechtvaardigde. Verdachte heeft echter de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden door het slachtoffer met een mes in zijn rug te steken. Het hof acht evenwel aannemelijk dat verdachtes handelen het gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2008, 220
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000734-08

Parketnummer eerste aanleg: 07-610072-07

Arrest van 27 augustus 2008 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 28 februari 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1991] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd in Forensisch Centrum Teylingereind te Sassenheim,

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.A.C. van den Brink, advocaat te Almere.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf en hem daarnaast de maatregel opgelegd van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen. Voorts heeft de rechtbank een beslissing genomen over de inbeslaggenomen goederen en over de vordering van de benadeelde partij, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal vrijspreken van de impliciet primair ten laste gelegde moord en zal veroordelen voor de hem impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag tot een jeugddetentie voor de duur van achttien maanden, met aftrek van de tijd die door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht. Voorts vordert de advocaat-generaal dat het hof aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen zal opleggen. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij vordert de advocaat-generaal dat deze zal worden toegewezen tot een bedrag van € 6.461,27 en dat zij voor het overige niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering. Ten slotte vordert de advocaat-generaal de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen goederen.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan dit arrest is gehecht een fotokopie van de inleidende dagvaarding. De inhoud van de tenlastelegging wordt geacht hier te zijn overgenomen.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

hij op 14 juli 2007 in de gemeente [gemeente] opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd. Immers heeft verdachte met dat opzet eenmaal die [slachtoffer] met een mes in de rug gestoken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen. Met betrekking tot het - impliciet primair ten laste gelegde - kalm beraad en rustig overleg, hetgeen bij een bewezenverklaring zou leiden tot de kwalificatie "moord", is het hof van oordeel dat uit de bewijsmiddelen daarvan niet blijkt. Het hof heeft daarbij met name gelet op het tijdsbestek van slechts enkele minuten, waarbinnen een en ander plaatsvond, en uit het feit dat verdachte kennelijk impulsief het in zijn blikveld verschenen mes van een ander heeft gehanteerd. Op grond van de bewijsmiddelen is het hof tevens van oordeel dat verdachte de tenlastegelegde handeling alleen heeft verricht. Ook in juridische zin is er geen sprake van een zodanige betrokkenheid van een derde of derden dat de ten laste gelegde deelnemingsvorm bewezen zou moeten worden verklaard.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

doodslag.

Strafbaarheid

Namens verdachte is een beroep gedaan op (extensief) noodweerexces. De raadsman heeft daartoe - kort gezegd - aangevoerd dat er sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf en goed en - direct daarna - dat van zijn vriend [betrokkene], waartegen verdachte zich noodzakelijkerwijs moest verdedigen. Voornoemde aanrandingen veroorzaakten bij verdachte een hevige gemoedsbeweging, als gevolg waarvan hij de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden. Verdachte dient daarom te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Aldus de raadsman.

Om dit beroep van verdachte op de aanwezigheid van een schulduitsluitingsgrond te kunnen beoordelen, dient het hof allereerst de feiten vast te stellen.

De gebeurtenissen laten zich in het kort als volgt beschrijven:

Op 14 juli 2007 rijdt [slachtoffer] met zijn vrouw in een bestelauto in [plaats]. De bestelauto wordt geraakt door een ei. [slachtoffer] reageert hierop en wil verhaal halen bij de eiergooier(s). Tijdens een worsteling die dan ontstaat, wordt hij met een mes gestoken en overlijdt. Deze dramatische afloop laat de familie van [slachtoffer] in groot verdriet achter.

Op grond van de inhoud van het dossier en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen, neemt het hof de navolgende feiten als vaststaand aan:

1.

De bestelauto van [slachtoffer] wordt bij het rijden over de [a-weg] te [plaats] getroffen door een rauw ei. De ruit van het rechterportier van de auto is een stukje geopend. Er komt eierstruif aan de binnenkant van de auto terecht en op (de kleding van) de echtgenote van het latere slachtoffer [slachtoffer].

2.

Verdachte heeft niet deelgenomen aan het gooien van het ei, noch is hij hiervan getuige geweest.

Hij is met [betrokkene] naar de supermarkt geweest. Als [betrokkene] de boodschappen thuis brengt, fietst verdachte naar vier van zijn vrienden, die op het fietspad staan tussen de flats aan de [b-straat]. Verdachte arriveert bij zijn vrienden op de plek waar het ei is gegooid. Hij hoort van hen dat zij daarmee een auto hebben geraakt. Zij wijzen hem erop dat de betreffende auto komt aanrijden over de [b-straat].

3.

[slachtoffer] is namelijk - zo blijkt uit de verklaring van zijn echtgenote - bij de eerste gelegenheid rechtsaf geslagen en is teruggereden naar de plaats waar het ei tegen zijn auto werd gegooid. Hij is boos en wil de daders aanspreken op hun gedrag.

4.

Aangekomen bij de plaats waar het ei zijn bestelauto heeft getroffen, rijdt [slachtoffer] met zijn auto een stukje het fietspad op, daarbij verdachte passerend. Verdachte bevindt zich dan links achter de bestelauto van [slachtoffer]. Laatstgenoemde stopt, trekt de handrem aan en stapt uit. De motor laat hij stationair draaien. Het linkervoorportier blijft geopend. De vrienden van verdachte, die zich met het gooien van eieren hebben beziggehouden, hebben zich uit de voeten gemaakt. Verdachte blijft, stilstaand op zijn fiets, alleen achter. Hij ziet geen reden om weg te gaan. Hij heeft immers niet gegooid.

5.

Als [slachtoffer] uitstapt, heeft hij een hondenriem bij zich, die voor in de bestelauto lag. Het is een riem met metalen uiteinden. Hij is boos. Hij spreekt hard en bezigt scheldwoorden. Hij slaat met de riem, die hij in en/of om zijn hand heeft, naar verdachte. Verdachte kan de riem ontwijken door van zijn fiets af te komen en een stap naar achteren te doen. Hij zegt meermalen tegen [slachtoffer] dat hij niets heeft gedaan.

6.

[slachtoffer] pakt de fiets van verdachte op en legt die in de laadruimte van zijn bestelauto, met - naar later blijkt - de hondenriem. Verdachte heeft de fiets - een nieuwe BMX - kort daarvoor van zijn moeder gekregen als beloning voor het feit dat hij naar een volgend schooljaar was overgegaan.

7.

[slachtoffer] draagt zijn echtgenote op om de politie te bellen. Vervolgens loopt hij weer naar verdachte en slaat hem onverwachts zo hard op zijn hoofd dat een stuk van een tand van verdachte afbreekt.

8.

Een onbekende man spreekt [slachtoffer] op zijn gedrag aan. Hij probeert [slachtoffer] tot bedaren te krijgen. [slachtoffer] vraagt of de man soms de vader van de jongen, verdachte, is. De man ontkent dat, waarop [slachtoffer] te kennen geeft geen inmenging te accepteren. De man gaat weg.

9.

Aansluitend komt de vriend van verdachte, [betrokkene], op [slachtoffer] en verdachte aflopen. [betrokkene] weet van zijn zusjes dat verdachte niet betrokken is geweest bij het gooien van het ei en dat hij door iemand wordt belaagd. [betrokkene] vraagt aan verdachte waar zijn fiets is. Verdachte vertelt [betrokkene] dat zijn fiets door [slachtoffer] in diens bestelauto is gelegd. [betrokkene] spreekt [slachtoffer] daarop en op het feit dat hij verdachte heeft geslagen aan. Die vertelt op luide toon dat er eieren tegen zijn auto zijn gegooid. [betrokkene] zegt dat verdachte, die hij "zijn broertje" noemt, daar niet bij was. [slachtoffer] zegt dat hij [betrokkene] geen uitleg is verschuldigd. [betrokkene] zegt dat hij de fiets uit de auto van [slachtoffer] zal pakken. [slachtoffer] antwoordt dat hij dan wel zal zien wat er gebeurt. [betrokkene] gaat dicht tegen [slachtoffer] staan en vraagt wat er dan gaat gebeuren. [slachtoffer] duwt [betrokkene]. [betrokkene] duwt iets harder terug. [slachtoffer] vraagt [betrokkene]: "Wil je met me vechten?" of: "Wil je me fokken?" [slachtoffer] geeft [betrokkene] een slag. Verdachte omschrijft die slag als volgt: "Ik zag dat de man met beide handen een slag maakte aan weerszijden van de nek of de schouders van [betrokkene]. Ik zag dat de zijkanten aan de pinkzijde van de handen van de man [betrokkene] raakten tussen de hals en de schouders in. Ik zag dat dit met kracht ging." In combinatie met de verklaring van [slachtoffers] echtgenote dat haar man tot voor kort aan karate heeft gedaan, acht het hof het zeer waarschijnlijk dat de door verdachte omschreven slag een karateslag is geweest. [betrokkene] geeft [slachtoffer] een klap terug. Tussen de twee ontstaat een vechtpartij. [betrokkene], 18 jaar oud, is volgens de verklaring van [slachtoffers] echtgenote een dunne, tengere jongen, een "slungel", die geen partij is voor haar man. [slachtoffer], 56 jaar oud, was groter (1.90m lang), zwaarder (115 kg) en bedreven in vechtsporten. Verdachte slaat [slachtoffer] een paar maal op zijn achterhoofd, zonder enig merkbaar resultaat. [slachtoffer] en [betrokkene] komen al vechtend op de grond terecht, waarbij de man zich bovenop de jongen bevindt.

10.

Verdachte ziet het mes van [betrokkene] op straat liggen. Het mes is vermoedelijk tijdens de vechtpartij uit de broekzak van [betrokkene] gevallen. Hij raapt het op, haalt het uit de hoes, loopt naar [slachtoffer] en steekt hem met het mes links in de onderrug.

11.

[betrokkene] voelt, terwijl hij onder ligt, een hand of een vinger van [slachtoffer] in zijn oog.

12.

Kort daarna richt [slachtoffer] zich op. [betrokkene] ziet niets, omdat zijn shirt over zijn gezicht zit. Kort daarna voelt hij bloed.

13.

[slachtoffer] strompelt weg en zakt even verderop in elkaar. Het mes heeft de aorta van [slachtoffer] doorboord. Hij overlijdt als gevolg van het daardoor veroorzaakte bloedverlies.

14.

De politie wordt om 21.12 uur gebeld met de mededeling dat een man een kind sloeg en de fiets van het kind afpakte.

15.

De politie wordt om 21.15 uur gebeld met de mededeling van de betreffende meldster dat zij bloed had gezien en om 21.17 uur dat er een man was neergestoken.

16.

Om 23.25 uur komt de melding binnen van het [ziekenhuis] dat [slachtoffer] is overleden.

Het hof dient allereerst vast te stellen of er sprake was van een noodweersituatie. Daarbij is doorslaggevend het antwoord op de vraag of er sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanval op verdachtes en/of een anders lijf en goed.

Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend. De bestelauto van [slachtoffer] werd getroffen door een rauw ei. Verdachte, die aan deze - op zichzelf kwalijke en begrijpelijkerwijs grote irritatie opwekkende - actie part noch deel had gehad, werd onverwachts geconfronteerd met de verbale en fysieke overmacht van een veel oudere, grotere en zwaardere man. [slachtoffer] negeert verdachtes - waarheidsgetrouwe - ontkenning het ei te hebben gegooid. Verdachte wordt uitgescholden, bedreigd met een hondenriem en hard op zijn hoofd geslagen. Zijn fiets wordt door [slachtoffer] in beslag genomen, kennelijk in afwachting van de komst van de politie. Tegen deze aanval mocht verdachte zich verdedigen. Verdachtes lijf en goed waren in het geding, zonder dat hij deze situatie zelf had veroorzaakt of opgezocht. Verdachte ging op dat moment evenwel niet over tot verdediging.

Dat werd anders toen zijn vriend [betrokkene] het voor hem opnam. Op grond van diverse verklaringen acht het hof aannemelijk dat [betrokkene] het - geweldloze - initiatief daartoe nam op een wijze die onder de gegeven omstandigheden begrijpelijk was. In het direct daaropvolgende gevecht tussen [slachtoffer] en [betrokkene] was [slachtoffer] opnieuw de initiator. Hij deelde de eerste klap uit. Het hof acht de verklaring van de echtgenote van [slachtoffer], als zou [betrokkene] haar man een mes hebben getoond, niet aannemelijk nu dit door geen andere verklaring wordt ondersteund.

Naar het oordeel van het hof dient het treffen tussen [slachtoffer] en verdachte en dat tussen [slachtoffer] en [betrokkene] te worden beschouwd als een ononderbroken aaneenschakeling van gebeurtenissen, zulks gelet op de korte tijdspanne waarbinnen deze plaatsvonden en de onderlinge samenhang tussen die opeenvolgende gebeurtenissen. Het hof heeft daarbij ook gelet op hetgeen uit de meldkamergegevens van de [regiopolitie] blijkt: tussen de eerste melding dat een man een kind sloeg en de melding dat er bloed was waargenomen lagen slechts drie minuten. Voorts acht het hof de verklaring van de echtgenote van [slachtoffer], als zou verdachte tussen de beide confrontaties zijn weggelopen, niet aannemelijk, nu deze wordt weersproken door vrijwel alle andere getuigenverklaringen. Ook verdachte zelf verklaart stellig op een afstand van slechts enkele meters van [slachtoffer] te zijn gebleven. Van verdachte hoefde daarom ook niet te worden geëist dat hij zich uit de voeten zou maken, toen het door [slachtoffer] gebezigde geweld zich had verplaatst van hem naar zijn kameraad [betrokkene]. Immers, zijn te hulp geschoten vriend verkeerde in nood. Verdachte vond, en mocht vinden, dat hij hem niet in de steek kon laten.

Het gevecht tussen [slachtoffer] en [betrokkene] aanschouwende, bracht verdachte tot de - niet irreële - vrees dat [betrokkene] daarbij het onderspit zou delven. Immers, [slachtoffer] was nog steeds zeer geladen. Voorts was hij ten opzichte van verdachte en ook ten opzichte van [betrokkene] de (veel) oudere en sterkere persoon en inmiddels had hij een effectieve gevechtstechniek op [betrokkene] toegepast. Beiden waren al vechtend op de grond beland. [slachtoffer] zat en/of lag bovenop [betrokkene].

Het hof acht aannemelijk geworden dat verdachte, toen hij het mes op de grond zal liggen, dit opraapte, op [slachtoffer] toeliep en hem in de rug stak, onder de directe invloed verkeerde van een hevige gemoedsbeweging, die veroorzaakt was door de reeds daarvóór aangevangen en nog steeds voortdurende aanranding van, op dat moment, een anders lijf. Verdachte had vergeefs getracht te interveniëren door [slachtoffer] op het achterhoofd te slaan. Hij wilde dat het vechten zou stoppen en heeft - gedreven door angst, frustratie, boosheid, machteloosheid en loyaliteit met zijn te hulp geschoten vriend [betrokkene] - naar een buitenproportioneel middel gegrepen.

Gelet op deze omstandigheden stelt het hof - ambtshalve - vast dat verdachte een beroep op noodweer niet toekomt, nu zijn handelen niet in overeenstemming was met het proportionaliteitsvereiste. Aan verdachte komt echter wel een beroep op noodweerexces toe, nu aannemelijk is geworden dat hij de fatale messteek heeft toegebracht, terwijl hij onder de onmiddellijke invloed verkeerde van de hiervoren omschreven hevige gemoedsbeweging. Dit laat onverlet dat verdachte wederrechtelijk heeft gehandeld. De verwijtbaarheid - eveneens een voorwaarde voor strafbaarheid - is echter daardoor aan de gedraging van verdachte komen te ontvallen. Verdachte zal daarom worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken, dat [benadeelde], wonende te [plaats], zich als benadeelde partij in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd en dat zij in haar vordering ad € 43.966,76 in eerste aanleg niet ontvankelijk is verklaard, omdat deze als niet eenvoudig van aard werd beoordeeld. De benadeelde partij heeft zich in het geding in hoger beroep opnieuw gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van de gehele vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

Nu aan verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd, terwijl evenmin artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht wordt toegepast, dient de benadeelde partij, gelet op het bepaalde in artikel 361, tweede lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering, in haar vordering niet ontvankelijk te worden verklaard, met veroordeling van de benadeelde partij in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Het bevel tot voorlopige hechtenis

Het hof zal het bevel tot voorlopige hechtenis met onmiddellijke ingang opheffen, nu daartoe geen recht of titel meer bestaat.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 41, 77a en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte als voormeld ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart verdachte niet strafbaar en ontslaat hem van alle rechtsvervolging;

gelast de teruggave aan verdachte van:

- een fiets, kleur grijs, BMX;

- een paar schoenen, kleur zwart;

- een pet, kleur zwart;

- een broek, kleur blauw, G-Star;

- kleding, kleur zwart met witte strepen;

verklaart de benadeelde partij, [benadeelde], wonende te [plaats], niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met onmiddellijke ingang.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. P.J.M. van den Bergh, voorzitter, mr. H. Kalsbeek en

mr. W. van Houtum, in tegenwoordigheid van J.B. Schwerzel als griffier, zijnde mr. Van Houtum voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.