Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BE8746

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
01-07-2008
Datum publicatie
20-08-2008
Zaaknummer
104.002.748
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling nalatenschap; vordering tot uitkering van een som ineens vanwege verzorging van de beide ouders is in dit geval verjaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2008, 107
RN 2008, 79
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

1 juli 2008

vierde civiele kamer

zaaknummer: 104.002.748

(voorheen A06-01058)

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante in het principaal beroep,

geîntimeerde in het incidenteel beroep,

procureur: mr P. Winkelman,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal beroep,

appellante in het incidenteel beroep,

procureur: mr J.M. Bosnak.

1 Het verdere verloop van het geding

1.1 Het hof verwijst naar het arrest in het incident van 3 juli 2007. In dat arrest heeft het hof de vordering in het incident toegewezen, dat wil zeggen dat de tenuitvoerlegging van het vonnis van de rechtbank Arnhem van 10 mei 2006 is geschorst, echter slechts voor zover die tenuitvoerlegging meebrengt dat [appellante] meer dan € 29.908,38 aan [geïntimeerde] dient te voldoen. De beslissing ter zake de kosten van het incident is aangehouden totdat in de hoofdzaak wordt beslist en de zaak is verwezen naar de rol voor het nemen van een memorie van antwoord in de hoofdzaak.

1.2 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden en bewijs aangeboden. Bij diezelfde memorie heeft [geïntimeerde] incidenteel beroep ingesteld tegen de vonnissen van de rechtbank Arnhem van 21 december 2005 en 10 mei 2006 en heeft zij daartegen vier grieven aangevoerd. [geïntimeerde] heeft geconcludeerd in principaal beroep en in incidenteel beroep dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad zal bepalen:

- de omvang van de nalatenschap van [A.], overleden op 10 februari 2003;

- dat de nalatenschap overeenkomstig de wijze als omschreven in punt 17 van haar memorie verdeeld dient te worden, althans door het hof in goede justitie verdeeld zal worden;

- dat verdeling en toescheiding dient plaats te vinden binnen veertien dagen na betekening van dit arrest, zulks op straffe van een dwangsom van € 4.500,- per dag, of gedeelte daarvan, dat [appellante] met de voldoening aan het arrest in gebreke blijft, althans met een dwangsom van een zodanig bedrag en maximum als het hof in goede justitie bepaalt, met veroordeling van [appellante] in de kosten van beide procedures en het incident althans (zo begrijpt het hof) onder compensatie van die kosten in dier voege dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

1.3 Bij memorie van antwoord in het incidenteel beroep heeft [appellante] verweer gevoerd, een aantal producties overgelegd en geconcludeerd dat het hof alle grieven van [geïntimeerde] (behoudens grief 1) zal verwerpen dan wel ongegrond zal verklaren, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding.

1.4 Daarna heeft [geïntimeerde] akte verzocht waarbij zij zich heeft uitgelaten over de door [appellante] overgelegde produkties.

1.5 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

2 De vaststaande feiten

2.1 De rechtbank heeft in haar vonnis van 21 december 2005 onder het kopje “De vaststaande feiten” feiten vastgesteld. Op grond van hetgeen verder is gesteld en niet of onvoldoende weersproken, kunnen hieraan de volgende vaststaande feiten worden toegevoegd.

2.2 [geïntimeerde], geboren op 5 februari 1946, is in 1974 getrouwd en heeft toen het ouderlijk huis verlaten. Korte tijd nadien heeft zij het contact met haar ouders en [appellante] definitief verbroken.

2.3 [appellante], geboren op 24 juli 1950, heeft rond 1970 het ouderlijk huis verlaten is daar na een kortdurend huwelijk rond 1973 weer teruggekeerd. [appellante] heeft buitenshuis gewerkt tot maart 1984, toen haar moeder, die op 23 september 1986 is overleden, getroffen werd door kanker.

2.4 Een stuk opgemaakt door notaris [...] te [plaatsnaam], gedateerd september 1986 en ondertekend door de vader, de moeder en [appellante] luidt onder meer als volgt:

“ Ondergetekenden (...)

Verklaren:

dat zij de navolgende overeenkomst zijn aangegaan:

dat de ondergetekende sub 2 (hof : bedoeld wordt [appellante]) gedurende het leven van de ondergetekende sub 1 of de langstlevende hunner hen (..) zal verzorgen en alle huishoudelijke werkzaamheden met inbegrip van werkzaamheden in de tuin, zal verrichten, een en ander overeenkomstig hun tot dusverre gevolgde levenswijze;

zulks voor een vergoeding van (...) f. 5.200,-- per jaar en op de navolgende bedingen:

a. deze overeenkomst is aangegaan op 1 maart 1984;

b. deze vergoeding zal door de ondergetekenden sub 1 aan de ondergetekende sub worden schuldig gebleven, te allen tijde opeis- en aflosbaar, doch van de zijde van ondergetekenden sub 2 niet opeisbaar voor het overlijden van de langstlevende van de ondergetekenden sub 1;

c. dat ondergetekende sub 1 in verband met het vorenstaande schuldig waren aan ondergetekenden sub 2 per 1 maart 1986 een bedrag ad (...) f. 10.400,-- en vanaf 1 maart 1986 tot 1 september 1986 een bedrag ad (...) f. 2.600,--.”

2.5 Een brief van 5 augustus 2003 van [appellante] aan [geïntimeerde] luidt onder meer als volgt:

“ (...) Bij deze deel ik u mee dat ik op grond van het testament van mijn vader d.d. 5 september 1986, aanspraak maak op het daarin vermelde legaat, met betrekking tot de roerende en onroerende zaken, staande en gelegen aan de [adres]. Ik wens deze toegedeeld te krijgen.

Bovendien maak ik op grond van de artikelen 36 tot en met 38 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek aanspraak op een redelijke arbeidsvergoeding gedurende de periode 1 maart 1984 tot en met 10 februari 2003. Deze vergoeding dient als schuld van de nalatenschap aangemerkt te worden. “

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

in principaal beroep

3.1 In het arrest in het incident is al in rechtsoverweging 3.2 overwogen dat het beroep van [appellante] in elk geval drie onderwerpen aan de orde stelt:

A. de door [appellante] gestelde lening van f. 100.000,- (verder: de lening);

B. de som ineens op grond van artikel 4:36 BW (verder: de som ineens);

C. de hoogte van het erfdeel van partijen en de rente over die vorderingen (verder: de afwikkeling).

Deze onderwerpen zullen hieronder in die volgorde worden besproken.

A. de lening

3.2 Grief 2 in het principaal beroep klaagt over het feit dat de rechtbank in het vonnis van 21 december 2005 het bewijsaanbod van [appellante] ter zake de door haar gestelde lening van f. 100.000,- aan haar vader heeft gepasseerd als onvoldoende gespecificeerd. Deze grief slaagt. Zowel bij conclusie van antwoord in conventie, eis in reconventie als bij akte gedateerd 15 februari 2006 heeft [appellante] bewijs van haar stellingen aangeboden. Bij die laatste akte heeft zij uitdrukkelijk de heren [B.] en [C.] als mogelijke getuigen genoemd en heeft zij aangegeven wat deze getuigen zouden kunnen verklaren. Hiermee heeft [appellante] haar bewijsaanbod voldoende gespecificeerd. Het hof zal haar daarom in de gelegenheid stellen door middel van getuigen te bewijzen dat zij in 1990 een bedrag van f. 100.000,- aan haar vader heeft geleend, nu [geïntimeerde] dit heeft betwist. Dat [B.] niet bereid zou zijn een verklaring als getuige af te leggen doet niet ter zake. Op grond van artikel 165 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is hij verplicht getuigenis af te leggen, tenzij hij zich zou kunnen verschonen.

3.3 [geïntimeerde] heeft nog aangevoerd dat, voor het geval al uitgegaan moet worden van de geldlening, niet vast staat dat dit bedrag niet allang is terugbetaald. Zij heeft deze stelling echter niet met feiten onderbouwd. Het enkele feit dat er op het moment van het overlijden van de vader geen en/of rekening van [appellante] en haar vader meer bestond is daartoe onvoldoende.

B. de som ineens

3.4 [appellante] heeft zich beroepen op artikel 4:36 lid 1 BW, stellende dat zij recht heeft op een zogenaamde “som ineens” aangezien zij gedurende achttien jaar voor haar ouders, eerst voor beiden en na het overlijden van haar moeder voor haar vader, heeft gezorgd zonder daarvoor een passende beloning te ontvangen. Het meest verstrekkende verweer van [geïntimeerde] hiertegen is haar (pas voor het eerst in appel gedane) beroep op verjaring, gebaseerd op artikel 4:37 BW.

3.5 Op grond van lid 1 van artikel 4:37 BW vervalt de mogelijkheid om aanspraak te maken op een som ineens indien de rechthebbende niet binnen negen maanden na het overlijden van de erflater heeft verklaard dat hij de som ineens wenst te ontvangen. Indien deze aanspraak tijdig is gemaakt ontstaat een vordering op de gezamenlijke erfgenamen, die op grond van artikel 4:37 lid 3 BW verjaart door verloop van een jaar na het overlijden van de erflater, behoudens in het geval de erflater een echtgenoot achterlaat, in welk geval de verjaringstermijn wordt verlengd tot een jaar na het overlijden van die echtgenoot. Op de verjaring op grond van artikel 4:37 lid 3 BW is artikel 3:317 lid 1 BW van toepassing. Er is sprake van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis, immers een uit de wet voortvloeiende rechtsplicht waarmee een subjectief vermogensrecht correspondeert. In artikel 3:317 lid 1 BW wordt bepaald dat de verjaring wordt gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt.

3.6 Met de hiervoor onder 2.5 geciteerde brief van [appellante] van 5 augustus 2003 heeft zij tijdig, binnen negen maanden na het overlijden van haar vader op 10 februari 2003 aanspraak gemaakt op de som ineens. Hierdoor is een vordering ontstaan op [geïntimeerde]. Deze vordering is echter verjaard. De brief van 5 augustus 2003 kan weliswaar worden aangemerkt als schriftelijke mededeling in de zin van artikel 3: 317 lid 1 BW, waarmee de verjaringstermijn, die liep tot 10 februari 2004, is gestuit. Na die stuiting is echter op grond van artikel 3:319 BW een nieuwe termijn van een jaar gaan lopen. Niet is gesteld of gebleken dat vóór 5 augustus 2004 de verjaring opnieuw is gestuit. Pas op 29 juni 2005 heeft [appellante] in eerste aanleg een eis in reconventie ingesteld, die gelezen kan worden als het instellen van een eis inzake de som ineens. [appellante] heeft nog aangevoerd dat een brief van een gemachtigde van [geïntimeerde], gedateerd 11 augustus 2003, aangemerkt zou kunnen worden als een erkenning van haar vordering. De in die brief voorkomende zinsnede: “Uw zuster is bereid haar medewerking te verlenen aan een voor ieder deze partijen bevredigende oplossing” kan echter niet als een erkenning worden aangemerkt.

3.7 De conclusie luidt dat de vordering van [appellante] gebaseerd op artikel 4:36 lid 1 BW is verjaard en dat de overige stellingen van partijen op dit punt geen verdere bespreking behoeven.

C. de afwikkeling

3.8 Pas voor het eerst in hoger beroep heeft [appellante] zich in de toelichting op grief 3 beroepen op de hiervoor onder 2.4 geciteerde overeenkomst. Zij stelt dat de nalatenschap op grond van die overeenkomst een schuld aan haar heeft van € 44.720,- (fl. 98.550,- ; fl. 100,- per week over de periode 1 maart 1984 tot 10 februari 2003). Met die schuld moet rekening gehouden worden bij de afwikkeling van de nalatenschap. [geïntimeerde] heeft betwist dat [appellante] heeft voldaan aan haar verplichtingen uit hoofde van die overeenkomst en stelt dat zij daarom geen aanspraak heeft op de uit die overeenkomst voortvloeiende vergoeding. Zij heeft echter onvoldoende gesteld om tot bewijslevering te worden toegelaten. Vast staat dat [appellante] 18 jaar in huis heeft gewoond bij haar ouders terwijl zij geen arbeid buitenshuis verrichtte; niet is gesteld of gebleken dat er huishoudelijke hulp aanwezig was. Aangenomen moet worden dat [appellante] en haar vader gezamenlijk hun huishouding hebben gevoerd. Uit de stellingen van [geïntimeerde] en de door haar overgelegde verklaringen, voor zover van de juistheid daarvan al zou moeten worden uitgegaan, blijkt hooguit van een mogelijk verschil in opvatting tussen [appellante] en [geïntimeerde] over de kwaliteit van de door [appellante] gepleegde verzorging. Dat [appellante] huishoudelijke werkzaamheden heeft verricht en in die zin haar vader heeft verzorgd wordt echter door [geïntimeerde] niet betwist. Integendeel, zij heeft erkend dat [appellante] zich heeft beziggehouden met beslissingen ten aanzien van de huishouding en de uitvoering daarvan, zoals die ten aanzien van huishoudelijke aanschaffen. Onduidelijk is voorts hoe de in de overeenkomst voorkomende zinsnede “een en ander overeenkomstig hun tot dusverre gevolgde levenswijze” moet worden ingevuld; ook op dit punt heeft [geïntimeerde] onvoldoende gesteld. Of en in hoeverre de leefwijze van aanvankelijk de vader, de moeder en [appellante] samen en later de leefwijze van de vader en [appellante] afweek van de leefwijze die de ouders er voordien samen op nahielden is onduidelijk; uit het taxatie rapport van het voormalig ouderlijk huis lijkt te volgen dat de familie er een sobere leefwijze op nahield.

De conclusie luidt dat [appellante] in beginsel dus aanspraak kan maken op de uit de overeenkomst voortvloeiende vergoeding.

3.9 [geïntimeerde] heeft voorts nog aangevoerd dat die vergoeding reeds betaald is. De vergoeding is op grond van de overeenkomst pas opeisbaar na het overlijden van de vader. Voor zover [geïntimeerde] handhaaft dat de vergoeding desalniettemin betaald is, zal zij dit dienen te bewijzen. Het hof zal een comparitie van partijen gelasten ter gelegenheid waarvan [geïntimeerde] kan aangeven of zij dit bewijs wenst te leveren en zo ja, op welke wijze.

3.10 Ter zake de afwikkeling van de nalatenschap heeft [appellante] aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte, zo begrijpt het hof, aan beide dochters een rentevergoeding heeft toegekend over de hun toekomende erfdelen in de periode vanaf het overlijden van hun moeder op 23 september 1986 tot aan het overlijden van hun vader op 10 februari 2003, terwijl bij de vaststelling van de hoogte van de erfdelen geen rekening is gehouden met het waardedrukkende effect van het vruchtgebruik van de vader gedurende die periode.

3.11 Het hof oordeelt als volgt. De hoogte van de erfdelen is terecht vastgesteld op de door de rechtbank genoemde bedragen. Het gaat hier om de hoogte van die erfdelen na het overlijden van de vader, toen het vruchtgebruik was geëindigd. Lezing van de testamenten van de vader en de moeder leert voorts dat er sprake is van een ouderlijke boedelverdeling op grond van artikel 4: 1167 BW (oud), waarbij na het overlijden van de moeder aan de vader alle goederen van de nalatenschap zijn toegekend, terwijl de vorderingen van de dochters op grond van artikel C3 van het testament van de moeder pas opeisbaar werden na het overlijden van de vader. De vader kon daardoor vrijelijk beschikken over de nalatenschap, maar daartegenover stond dat hij daarvoor een vergoeding diende te betalen (op grond van artikel D4 van het testament van de moeder) in de vorm van een rente ter hoogte van het percentage genoemd in artikel 21 II Successiewet 1956. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat bij de afwikkeling van de nalatenschap rekening gehouden moet worden met deze rentevergoeding. Daarvan los staat dat de vader (op grond van artikel E1 van het testament van de moeder) het vruchtgebruik had over het bedrag van de overbedeling. Hoewel de laatste volzin van de derde alinea van rechtsoverweging 2.5.2 van het eindvonnis in dit licht bezien niet goed begrepen kan worden, deelt het hof de conclusie van de rechtbank en gaat dit onderdeel van de grieven dus niet op.

in incidenteel beroep

3.12 Met grief I maakt [geïntimeerde] terecht bezwaar tegen rechtsoverweging 7 van het vonnis van 21 december 2005. Uit het testament van de vader (artikel B) blijkt dat [geïntimeerde] wel degelijk tot erfgenaam is benoemd, zij het dat in dat artikel bepaald is dat haar erfdeel beperkt is tot de hoogte van de haar toekomende legitieme portie. Dat impliceert dat er wel degelijk een verdeling van de nalatenschap moet plaatsvinden en de oorspronkelijke vordering van [geïntimeerde] in die zin wel voor toewijzing vatbaar is. Grief I slaagt daarmee.

3.13 Grief II faalt gelet op het hiervoor onder 3.8 overwogene.

3.14 Grief III komt terecht op tegen rechtsoverweging 2.4 van het vonnis van 10 mei 2006. Zoals ook [appellante] erkent dient de vanaf de sterfdatum tot aan het tijdstip van de feitelijke verdeling gekweekte rente over de tot de nalatenschap behorende gelden bij de verdeling van de nalatenschap betrokken te worden. Deze grief gaat daarmee op.

in principaal en incidenteel beroep

3.15 Zoals hiervoor reeds aangekondigd zal het hof een comparitie van partijen gelasten. Getracht zal worden een minnelijke regeling te bereiken, waardoor bewijslevering, met alle kosten van dien, wellicht voorkomen kan worden. Ter voorbereiding op de comparitie dienen beide partijen een beschrijving van de nalatenschap en een voorstel tot verdeling over te leggen met inachtneming van de in dit arrest genomen beslissingen. Indien een minnelijke regeling niet bereikt kan worden zal de wijze van bewijslevering door [appellante] (zoals hiervoor aangekondigd onder 3.2) en door [geïntimeerde] (zie rechtsoverweging 3.9) besproken worden en zal een datum voor de getuigenverhoren bepaald worden. De verhinderdata van alle betrokkenen over de drie na de comparitie volgende maanden dienen daarom ter zitting voorhanden te zijn. De bewijsopdrachten zullen thans reeds in het dictum worden opgenomen. De zaak zal naar de rol worden verwezen voor een opgave van verhinderdata voor deze comparitie van partijen.

De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bepaalt dat partijen in persoon tezamen met hun advocaten zullen verschijnen voor het tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. C.G. ter Veer, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem op een nader door deze te bepalen dag en tijdstip, zulks tot het geven van inlichtingen als onder 3.14 aangegeven en opdat kan worden onderzocht of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;

bepaalt dat partijen de verhinderdagen van partijen en hun advocaten in de maanden augustus, september en oktober zullen opgeven op de rolzitting van 15 juli 2008, ambtshalve peremptoir, waarna dag en uur van de comparitie (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld en alsdan in beginsel geen uitstel in verband met verhinderingen zal worden verleend;

laat [appellante] toe tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan blijken dat dat zij in 1990 een bedrag van fl. 100.000,- aan haar vader heeft geleend:

laat [geïntimeerde] toe tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan blijken dat de op grond van de in rechtsoverweging 2.4 geciteerde overeenkomst aan [appellante] verschuldigde vergoeding reeds aan haar is voldaan;

bepaalt dat, voor zover nodig, een datum voor de getuigenverhoren bepaald zal worden tijdens de comparitie van partijen;

houdt de zaak voor het overige aan.

Dit arrest is gewezen door mrs Ter Veer, Mens en Van den Dungen en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juli 2008.