Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BE8705

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
19-03-2008
Datum publicatie
19-08-2008
Zaaknummer
104.003.207
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Pachtovereenkomst; melkquotum

7:311, 7:347 en 7:358 BW, 1 en 25 Pachtwet

Eigenaar vordert 50% van verkoopopbrengst melkquotum. Falende grieven tegen oordeel dat sprake is van pacht. Het percentage van 50% dat in de vaste rechtspraak van dit hof tot uitgangspunt wordt genomen, berust op de overweging dat zowel pachter als verpachter tot het ontstaan van het in 1984 toegekende melkquotum hebben bijgedragen, de verpachter door het gepachte ter beschikking van de pachter te stellen en de pachter door het houden van melkvee, zonder dat in het algemeen aanleiding bestaat aan de bijdrage van de een meer gewicht toe te kennen dan aan die van de ander. Bedoelde overweging geldt in het onderhavige geval onverkort.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

19 maart 2008

pachtkamer

zaaknummer 104.003.207

rolnummer 2007/172 P

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

1. [appellant sub 1], wonende te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonende te [woonplaats],

3. [appellant sub 3], wonende te [woonplaats],

4. [appellant sub 4], wonende te [woonplaats],

5. [appellant sub 5], wonende te [woonplaats],

6. [appellant sub 6], wonende te [woonplaats],

appellanten,

procureur: mr. H. van Ravenhorst,

tegen:

1. [geïntimeerde sub 1], wonende te [woonplaats],

2. [geïntimeerde sub 2], wonende te [woonplaats],

3. [geïntimeerde sub 3], wonende te [woonplaats],

4. [geïntimeerde sub 4], wonende te [woonplaats],

5. [geïntimeerde sub 5], wonende te [woonplaats],

6. [geïntimeerde sub 6], wonende te [woonplaats],

7. [geïntimeerde sub 7], wonende te [woonplaats],

8. [geïntimeerde sub 8], wonende te [woonplaats],

9. [geïntimeerde sub 9], wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

procureur: mr. P.M. Wilmink.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van de vonnissen van 29 maart 2006 en 13 december 2006, die de pachtkamer van de rechtbank Groningen, sector kanton, locatie Groningen, tussen appellanten (hierna aan te duiden als [appellanten], en appellant sub 1 als [appellant sub 1]) als gedaagden en geïntimeerden (hierna te noemen: [geïntimeerden]) als eisers heeft gewezen. Van genoemde vonnissen is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1[appellanten] hebben bij exploot van 12 januari 2007 aan [geïntimeerden] aangezegd van genoemde vonnissen in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerden] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant sub 1] vijf grieven tegen de bestreden vonnissen aangevoerd en toegelicht, heeft hij bewijs aangeboden, en heeft hij geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen, en [geïntimeerden] hun vorderingen alsnog zal ontzeggen, met hun veroordeling in de kosten van (bedoeld zal zijn:) de procedure in beide instanties.

2.3 Bij memorie van antwoord hebben [geïntimeerden] de grieven bestreden, hebben zij een nieuwe productie in het geding gebracht, en hebben zij geconcludeerd dat het hof (bedoeld zal zijn:) de bestreden vonnissen, zo nodig onder aanvulling of verbetering van de gronden zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellant sub 1] in de kosten.

2.4 Daarna heeft [appellant sub 1] bij akte op de memorie van antwoord gereageerd. Bij dezelfde heeft [appellant sub 1] een nieuwe grief tegen de bestreden vonnissen aangevoerd en toegelicht.

2.5 Bij antwoordakte hebben [geïntimeerden] de nieuwe grief bestreden.

2.6 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 De vaststaande feiten

3.1 Op grond van hetgeen enerzijds is gesteld en niet of onvoldoende is weersproken dan wel blijkt uit de onbetwiste inhoud van de overgelegde bescheiden, staat in hoger beroep het navolgende vast.

3.2 [A] (hierna: [A]) als verpachter en [appellant sub 6] (hierna: [B]) als pachter hebben op 13 juni 1966 een schriftelijke pachtovereenkomst gesloten met betrekking tot een perceel groenland in [plaats] ter grootte van 0.78.60 ha, [...]. Deze pachtovereenkomst is met wijziging van de pachtprijs goedgekeurd door de grondkamer voor Groningen en is op 1 november 1971 beëindigd.

3.3 Eveneens op 13 juni 1966 heeft [C] tezamen met anderen als verpachters en [B] als pachter een schriftelijke pachtovereenkomst gesloten met betrekking tot een perceel groenland in [plaats] ter grootte van 1.92.00 ha, [...]. Deze pachtovereenkomst is aangegaan voor de duur van drie jaar en met wijziging van de pachtprijs goedgekeurd door de grondkamer voor Groningen. Tussen dezelfde partijen is aansluitend een pachtovereenkomst gesloten voor de periode van 10 maart 1969 tot 1 november 1971, eveneens goedgekeurd door genoemde grondkamer.

3.4 [B] is overleden op 9 januari 1980. [appellant sub 1] heeft het melkveehouderijbedrijf voortgezet en heeft, al dan niet ononderbroken, de onder 3.2 en 3.3 bedoelde percelen in gebruik gehad tot 1 mei 2004. Voor dat gebruik heeft hij, al dan niet ieder jaar, een vergoeding betaald.

3.5 [geïntimeerden] zijn de rechtsopvolgers van de onder 3.2 en 3.3 bedoelde verpachters.

3.6 [appellant sub 1] heeft in of omstreeks 2004 het ten name van zijn bedrijf staande melkquotum aan een derde verkocht en overgedragen.

4 Beoordeling van het geschil in hoger beroep

4.1 In dit geding hebben [geïntimeerden], voor zover thans nog van belang, ter zake van het gedeelte van het melkquotum dat volgens hun standpunt met de onder 3.2 en 3.3 bedoelde percelen (hierna: de percelen) samenhing, van[appellanten] betaling gevorderd van een bedrag van [bedrag]. Bij het vonnis van 13 december 2006 heeft de pachtkamer in eerste aanleg [geïntimeerden] niet-ontvankelijk verklaard in hun vordering jegens appellanten sub 2 tot en met 6 en hun vordering jegens [appellant sub 1] toegewezen tot een bedrag van [bedrag], met diens veroordeling in de proceskosten.

4.2 Appellanten sub 2 tot en met 6 hebben geen grieven tegen de bestreden vonnissen aangevoerd en toegelicht, zodat zij reeds op die grond in hun hoger beroep niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

4.3 Per 1 september 2007 is met de artikelen 7:311 e.v. Burgerlijk Wetboek een nieuwe wettelijke regeling van de pacht in werking getreden en is de Pachtwet vervallen. Omdat tussen oud en nieuw recht geen voor de onderhavige zaak relevant verschil bestaat, behoeft de vraag welk recht volgens het overgangsrecht van toepassing is, geen bespreking.

4.4 Met grief 1 voert [appellant sub 1] aan dat hij eerst vanaf 1995, het moment dat hij zijn melkquotum ging verleasen en daardoor beter “in de financiële middelen zat”, pacht betaalde, namelijk [bedrag] per jaar en later hetzelfde bedrag in euro’s. Volgens de toelichting op de grief betaalde [appellant sub 1] in verband met de niet-zakelijke relatie tussen partijen in 1983, noch in de jaren daarvoor, pacht en was er daarom geen sprake van een pachtovereenkomst.

4.5 Bij de beoordeling van dit standpunt is van belang dat [appellant sub 1] bij conclusie van dupliek onder 5 heeft aangevoerd dat hij de percelen ieder jaar “op ad hoc basis” gebruikte en dat hij daarvoor een “gebruiksvergoeding” betaalde, en dat expliciet geen sprake was van “pacht” of “huur”. [appellant sub 1] geeft in zijn memorie van grieven niet aan dat hij op deze uitdrukkelijke stellingen uit de eerste aanleg wenst terug te komen; in zijn toelichting op grief 5 lijkt hij integendeel bij bedoelde stellingen aan te sluiten. Het hof gaat er dan ook vanuit dat [appellant sub 1] bedoelt dat de tegenprestatie die hij vóór 1995 voldeed, in verband met de niet-zakelijke verhouding tussen partijen niet als “pacht” werd aangeduid en dat hij niet ontkent dat hij steeds een tegenprestatie (aanvankelijk een “gebruiksvergoeding”) voldeed. Aldus ziet [appellant sub 1] er echter ten onrechte aan voorbij dat het voor de kwalificatie van het gebruik als pacht volstaat dat er een tegenprestatie is overeengekomen en dat de benaming waarmee die tegenprestatie door partijen wordt aangeduid in dat verband van geen belang is. Voor zover [appellant sub 1] bij zijn laatste akte (p. 2 eerste alinea) alsnog zich op het standpunt heeft willen stellen dat hij alleen “de laatste jaren” een gebruiksvergoeding betaalde, is dat standpunt onvoldoende gemotiveerd. Gelet op het voorgaande faalt de grief.

4.6 Met grief 2 beroept [appellant sub 1] zich erop dat hij niet alleen een melkveehouderij exploiteerde, maar ook altijd een mesterij en dat hij naderhand paarden hield. De percelen zouden niet gebruikt zijn voor de melkveehouderij omdat ze te ver verwijderd waren van de melkstal. De percelen werden volgens [appellant sub 1] gebruikt voor de mesterij, voor jongvee en voor de paarden.

4.7 Ook deze grief faalt. Uit de stellingen van [appellant sub 1] kan niet worden afgeleid dat in 1983, het referentiejaar, de percelen door paarden werden begraasd. [appellant sub 1] voert immers aan dat hij “naderhand” paarden hield, zonder enigszins nauwkeurig aan te geven op welke periode hij doelt. In zoverre is het standpunt van [appellant sub 1] onvoldoende gemotiveerd. Wat betreft het gebruik van de percelen door jongvee geldt dat zonder nadere toelichting, die achterwege is gebleven, ervan uit moet worden gegaan dat ook dit gebruik ten dienste van het melkveebedrijf plaatsvond, nu [appellant sub 1] daardoor zijn overige gronden in meerdere mate dan anders het geval was geweest rechtstreeks ten behoeve van zijn melkvee kon gebruiken. Het hof verwijst naar zijn arrest van 14 mei 1990, AgrR 1990, 4419, inzake ....

4.8 Wat betreft de door [appellant sub 1] bedoelde “mesterij” moet voorop worden gesteld dat het afmesten van mannelijk jongvee en van voormalig melkvee tot de normale uitoefening van een melkveebedrijf behoort. Voor zover [appellant sub 1] bedoeld heeft zich op het standpunt te stellen dat hij mestvee hield in een mate die bedoelde normale uitoefening van het melkveebedrijf te buiten ging, lag het op zijn weg om dat standpunt te motiveren, onder meer door het noemen van (eventueel geschatte) aantallen mestvee. Nu hij dat heeft nagelaten, faalt ook in zoverre de grief.

4.9 Hetgeen [appellant sub 1] aanvoert, brengt evenmin mee dat aan [geïntimeerden] minder toekomt dan 50% van de verkoopopbrengst van het melkquotum. Bedoelde 50%

– zoals dat percentage in de vaste rechtspraak van dit hof tot uitgangspunt wordt genomen – berust op de overweging dat zowel pachter als verpachter tot het ontstaan van het in 1984 toegekende melkquotum hebben bijgedragen, de verpachter door het gepachte ter beschikking van de pachter te stellen en de pachter door het houden van melkvee, zonder dat in het algemeen aanleiding bestaat aan de bijdrage van de een meer gewicht toe te kennen dan aan die van de ander. Bedoelde overweging geldt in het onderhavige geval onverkort.

4.10 Voor zover grief 3 voortbouwt op de grieven 1 en 2, deelt zij in het lot van die grieven.

4.11 Waar [appellant sub 1] aanvoert dat het gebruik van de percelen “niet exclusief” was, doelt hij klaarblijkelijk op hetgeen hij in eerste aanleg heeft aangevoerd, namelijk dat op het grootste van beide percelen jarenlang een caravan heeft gestaan ten behoeve van de zieke echtgenoot van een huishoudster (conclusie van antwoord onder 8 en conclusie van dupliek onder 6). [appellant sub 1] heeft echter niet aangevoerd dat dit ook in 1983 het geval was, nog daargelaten dat het voor de hand ligt dat het door hem bedoelde medegebruik slechts een zeer beperkt deel van het perceel betrof. In zoverre heeft [appellant sub 1] zijn standpunt derhalve onvoldoende gemotiveerd.

4.12 Voor het overige verwijst [appellant sub 1] in zijn toelichting op grief 3 naar de grieven 4 en 5, zodat aan grief 3 in zoverre geen zelfstandige betekenis toekomt.

4.13 Met grief 4 beroept [appellant sub 1] zich op de inhoud van “de gecombineerde opgave in 1983”. Volgens [appellant sub 1] is hij bij die opgave uitgegaan van de situatie waarin hij de percelen niet had gepacht, zoals ook A (het hof begrijpt: [A] of anders [geïntimeerden]) daar destijds vanuit ging(en). Hij wijst in dit verband erop dat de schriftelijke pachtovereenkomsten op 1 november 1971 waren geëindigd. Verder voert [appellant sub 1] dat jaarlijks “op ad hoc basis” werd bekeken of en in hoeverre hij gebruik kon en wilde maken van de percelen. Hij heeft, aldus nog steeds [appellant sub 1], de percelen niet altijd kunnen en willen gebruiken, bijvoorbeeld omdat er gesnoeide takken op het land lagen. Ten slotte ontkent [appellant sub 1] dat hij het land in 1983 of daarvoor in gebruik had. Hij zegt zich dat niet te kunnen herinneren; was dit anders, dan had hij dit land wel opgegeven bij de gecombineerde opgave. Voor het overige bouwt grief 4 voort op de overige grieven en behoeft zij geen afzonderlijke bespreking.

4.14 Een “gecombineerde opgave in 1983” heeft het hof niet bij de stukken aangetroffen. Wel heeft [appellant sub 1] bij akte van 13 september 2006 de meitellinggevens van 1983 overlegd. Die gegevens vermelden (ongespecificeerd) dat een gedeelte van de totale bedrijfsoppervlakte van 23 ha ter grootte van 18 ha in pacht was. Bij dezelfde akte is tevens een overzicht gevoegd van de percelen, met een totale grootte van ruim 23 ha, zoals “aangegeven en geregistreerd bij gewaspercelen 2005 op topografische kaart bij Laser”. Op dat overzicht komt de aantekening voor dat dezelfde percelen “altijd al” bij [appellant sub 1] in gebruik waren. Tegen deze achtergrond begrijpt het hof dat [appellant sub 1] zich erop heeft willen beroepen dat hij bij de meitelling 1983 de percelen niet als bij hem in pacht heeft opgegeven.

4.15 Voor zover [appellant sub 1] aangeeft dat hij in 1983 de percelen niet als bij hem in pacht heeft opgegeven, omdat hij evenals [A] of [geïntimeerden] meende dat van pacht geen sprake was, ziet hij eraan voorbij dat voor de kwalificatie als pachtovereenkomst niet ter zake doet of ook partijen destijds van die kwalificatie uitgingen, ondanks het feit dat hij dit laatste in de toelichting op grief 5 (eerste volzin van de tweede alinea) zelf beaamt.

4.16 Voor zover [appellant sub 1] ontkent dat hij de percelen in 1983 of daarvoor in gebruik had, is zijn standpunt onvoldoende gemotiveerd. [appellant sub 1] heeft, zoals onder 4.5 overwogen, in eerste aanleg zelf aangevoerd dat hij “ieder jaar” de percelen gebruikte. Weliswaar gebruikt hij ook daar de woorden “op ad hoc basis”, maar gelet op de context van de conclusie van dupliek onder 5 zien die woorden daar op de omstandigheid dat hem geen meerjarig gebruiksrecht werd gegund, omdat [geïntimeerden] de “handen vrij wilden houden” en de vrije beschikking over de percelen wensten te houden en niet op de continuïteit van het feitelijk gebruik. Hoe het huidige standpunt van [appellant sub 1] zich verhoudt tot zijn standpunt in eerste aanleg is door [appellant sub 1] niet toegelicht. Wat betreft de aanwezigheid van gesnoeide takken op het land heeft [appellant sub 1] niet aangevoerd dat dit zich in 1983 voordeed en ook niet dat die aanwezigheid zo (ongebruikelijk) lang duurde, dat hij in dat jaar geen gebruik van de percelen kon of wilde maken. Ook de omstandigheid dat [appellant sub 1] in 1983 de percelen niet als bij hem in pacht heeft opgegeven, kan – uitgaande van de feitelijke juistheid van die stelling (de meitellinggevens zijn immers ongespecificeerd) – evenmin dienen ter motivering van de betwisting door [appellant sub 1] van het gebruik van de percelen in 1983. [appellant sub 1] heeft immers zelf al een andere reden voor die handelwijze gegeven, namelijk dat partijen meenden dat van pacht geen sprake was.

4.17 Ook grief 4 faalt derhalve.

4.18 Met grief 5, zoals in de memorie van grieven opgenomen, beklaagt [appellant sub 1] zich erover dat pachtkamer in eerste aanleg de bedoeling van partijen zou hebben miskend. Alle omstandigheden die [appellant sub 1] in dit verband aanvoert, kunnen echter niet verhinderen dat is voldaan aan de wettelijke definitie van pacht. Ook leveren de aangevoerde omstandigheden geen grond op om uit te gaan van een beperktere aanspraak van [geïntimeerden] dan op 50% van de verkoopopbrengst van het melkquotum. Het hof verwijst naar hetgeen het onder 4.9 heeft overwogen.

4.19 Tegen de bij akte van 25 september 2007 opgeworpen nieuwe grief, door [appellant sub 1] per abuis genummerd als “grief 5”, is door [geïntimeerden] terecht bezwaar gemaakt, omdat zij in strijd is met het beginsel dat grieven reeds bij de memorie van grieven dienen te worden aangevoerd en dat de appelrechter, in verband met de beperking van het processuele debat, op later aangevoerde grieven in beginsel geen acht mag slaan. Voor een uitzondering op dat beginsel ziet het hof geen aanleiding. De nieuwe grief betreft de oppervlakte van de percelen. De omstandigheid dat [appellant sub 1] de grief motiveert met verwijzing naar stukken die bij memorie van antwoord door [geïntimeerden] zijn overgelegd, kan een uitzondering als bedoeld niet rechtvaardigen. De oppervlakte van de percelen betreft een feitelijkheid die bij [appellant sub 1] reeds eerder bekend had kunnen zijn en die hij dus reeds bij memorie van grieven in het debat had kunnen betrekken. Bedoelde grief moet derhalve buiten beschouwing blijven.

4.20 [appellant sub 1] heeft tenslotte bewijs aangeboden van met name:

a. de stelling dat hij de percelen niet voor de melkveehouderij heeft gebruikt;

b. dat hij niet het exclusieve gebruik van de percelen heeft gehad;

c. dat hij niet het voortdurende gebruik van de percelen had;

d. dat hij tot 1995 geen pacht betaalde.

4.21 Voor zover het bewijsaanbod ziet op het overleggen van boekhoudkundige bescheiden geldt dat niets [appellant sub 1] belette om dergelijke bescheiden uit eigen beweging in het geding te brengen. Voor zover het aanbod ziet op het horen van getuigen, passeert het hof dat aanbod omdat – naar volgt uit hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen, in het bijzonder onder 4.5, 4.7, 4.8, 4.11 en 4.16 – [appellant sub 1] zijn stellingen onvoldoende heeft gemotiveerd, zodat aan bewijslevering niet toe wordt gekomen.

4.22 De slotsom is dat de grieven falen en dat de bestreden vonnissen dienen te worden bekrachtigd. Het hof zal [appellant sub 1], als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van het hoger beroep.

5 Beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verklaart appellanten sub 2 tot en met 6 niet-ontvankelijk in het door hen ingestelde hoger beroep;

bekrachtigt de vonnissen van de pachtkamer van de rechtbank Groningen, sector kanton, locatie Groningen, van 29 maart 2006 en 13 december 2006;

veroordeelt [appellant sub 1] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerden] begroot op € 1.737,— voor sala¬ris procureur en op € 248,— voor griffierecht.

Dit arrest is gewezen door mrs. Valk, Olthof en Van Daalen en de raden ing. De Lorijn en ir. Rogaar, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 maart 2008.