Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BE2910

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
20-05-2008
Datum publicatie
15-08-2008
Zaaknummer
104.002.319
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BN6373, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2010:BN6373
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden met verrekenbeding. Kan vrouw aanspraak maken op deel winst die gevolg is van verkoop erfpachtsrecht van de man?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 mei 2008

vierde civiele kamer

zaaknummer 104.002.319

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats] (Polen),

appellant in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

procureur: mr. W.D. Huizinga,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appel,

appellant in het incidenteel appel,

procureur: mr. K.V. van Weert.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van het vonnis van 1 maart 2006 dat de rechtbank Zwolle-Lelystad tussen (principaal) appellant (hierna ook te noemen: de man) als eiser in conventie/gedaagde in reconventie en (principaal) geïntimeerde (hierna ook te noemen: de vrouw) als gedaagde in conventie/eiseres in reconventie heeft gewezen; van dat vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 De man heeft bij exploot van 29 mei 2006 aangezegd van dat vonnis in hoger beroep te komen, met dagvaarding van de vrouw voor dit hof.

2.2 De vrouw heeft bij exploot van 2 juni 2006 een vroegere roldatum doen aanzeggen.

2.3 Bij memorie van grieven heeft de man 21 grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en nieuwe producties in het geding gebracht. Hij heeft gevorderd dat het hof het bestreden vonnis (het hof leest:) zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest:

I De verrekening van de huwelijkse voorwaarden vast te stellen conform de huwelijkse staten zoals de man deze heeft overgelegd opdat van de aanwezige banksaldi aan de man toekomt € 1.030.970,- en aan de vrouw € 20.715,-, dan wel de verrekening van de huwelijkse voorwaarden op een in goede justitie door het hof te bepalen wijze vast te stellen, dan wel op een in goede justitie door het hof te bepalen wijze uitvoering te geven aan de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden.

II De vrouw te bevelen mee te werken aan het toedelen c.q. op naam stellen van het aandeel van de man in de saldi op rekening met nummer [...], die gekoppeld is aan de bankrekening met nummer [...] en nummers [...] en [...], op straffe van en dwangsom van € 1.000,- per dag, dan wel een in goede justitie te bepalen dwangsom, voor elke dag dat de vrouw in gebreke is aan voormeld bevel te voldoen.

III De vrouw te veroordelen tot vergoeding van de schade die de man heeft geleden doordat de vrouw de bankrekeningen heeft geblokkeerd, welke schade bij schadestaat dient te worden vastgesteld.

IV Te bepalen dat aan de vrouw toekomt de inboedelgoederen welke zij thans onder zich heeft en te bepalen dat de overige inboedelgoederen aan de man toekomen.

V Te bepalen dat de vrouw aan de man moet voldoen € 13.000,- in verband met het feit dat zij de VW Kever en de Volkswagen Lupo heeft meegenomen welke eigendom van de man waren.

En voorts de vrouw niet ontvankelijk te verklaren in haar vordering in reconventie, dan wel haar deze te ontzeggen met veroordeling van de vrouw in de kosten van beide instanties.

2.4 Bij memorie van antwoord heeft de vrouw de grieven bestreden, een aantal producties in het geding gebracht en haar eerder gedane bewijsaanbod herhaald.

2.5 Bij dezelfde memorie heeft de vrouw incidenteel beroep ingesteld tegen het vonnis, grieven aangevoerd en toegelicht. De vrouw heeft gevorderd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad:

De man in zijn beroep niet-ontvankelijk verklaart, althans het door de man ingestelde beroep ongegrond verklaart, al dan niet onder aanvulling en wijziging van de gronden en de vorderingen van de man (opnieuw) af te wijzen, en daarbij in incidenteel appel te bepalen:

A. de verrekening van de huwelijkse voorwaarden vast te stellen op grond van de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden opdat aan de vrouw toekomt:

- een bedrag van € 319.890,58,

- te vermeerderen met een bedrag van € 48.541,32 in verband met verrekening van `de tijdens het huwelijk aangekochte lijfrentepolissen op naam van de man respectievelijk op naam van de vrouw,

- te vermeerderen met € 17.090,32 in verband met verrekening van het saldo van de rekening-courant en de internetspaarrekening van partijen,

- te vermeerderen met € 9.450,- in verband met overbedeling van de man terzake de verdeling van de auto’s tussen partijen, althans een zodanig bedrag als het hof in goede justitie juist acht,

- te vermeerderen met € 7.240,- in verband met overbedeling van de man in het kader van de verdeling van de inboedelgoederen,

in totaal derhalve € 402.212,22 te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 13 juli 2002, althans vanaf 1 juli 2003, althans vanaf 14 april 2004, althans vanaf 1 maart 2006, althans vanaf 20 oktober 2006 tot aan de dag der algehele voldoening;

B. te bepalen dat de man aan de vrouw heeft te voldoen een bedrag van € 95.385,99, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 18 februari 2004 in verband met een na de ontbinding van het huwelijk nog aan de man uitbetaald bedrag in verband met belastingschade, welke nagekomen bate nog betrokken behoort te worden bij de verrekening van de huwelijke voorwaarden tussen partijen,

en de man te veroordelen in de kosten van beide instanties.

2.6 Bij memorie van antwoord in het incidenteel beroep heeft de man verweer gevoerd, produkties in het geding gebracht, zijn eis zoals geformuleerd onder III en V gewiizigd en geconcludeerd dat het hof -samengevat- zijn vordering zal toewijzen en de vordering van de vrouw zal afwijzen met veroordeling van de vrouw in de kosten van beide instanties.

2.7 Ter zitting van 25 juni 2007 hebben partijen de zaak doen bepleiten, de man door mr. K.N. Holtrop, advocaat te Emmeloord en de vrouw door mr. B.M. van Ham-Oude Elfrink, advocaat te Emmeloord. Beiden hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht.

2.8 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en is arrest bepaald

3 De vaststaande feiten

3.1 De rechtbank heeft in haar vonnis van 1 maart 2006 onder 1.1-1.11 feiten vastgesteld. Aangezien daartegen geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, zal het hof in hoger beroep ook van die feiten uitgaan.

Op grond van hetgeen verder is gesteld en niet of onvoldoende weersproken, kunnen hieraan de volgende vaststaande feiten worden toegevoegd.

3.2 De man heeft bij akte van 3 november 1988 -samengevat- het agrarische bedrijf van zijn moeder gekocht en geleverd gekregen. Hiertoe behoorde onder andere een recht van erfpacht en de op de grond aanwezige opstallen (verder: het erfpachtsrecht). De totale koopsom bedroeg f. 675.000,-.

3.3 In de onder 3.2 genoemde akte wordt ten aanzien van de koopsom gemeld: “ (…) en alles zoals geschat, voor wat betreft het erfpachtsrecht naar de agrarische waarde en de overige verkochte zaken naar de waarde in het economische verkeer”.

3.4 In het taxatierapport van 29 juni 1987 dat ten grondslag heeft gelegen aan de onder 3.2 genoemde transactie van 3 november 1988 is de agrarische waarde van het erfpachts-recht vastgesteld op f. 218.620,- en de economische waarde van het erfpachtsrecht op

f. 1.446.640,-.

3.5 In de onder 3.2 genoemde akte is bij de uitsplitsing van de koopsom het erfpachtsrecht voor f. 281.400,- opgenomen.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Kern van het geschil tussen partijen betreft de vraag in hoeverre de vrouw aanspraak kan maken op een deel van de winst ten gevolge van de verkoop van het erfpachtsrecht van de man. De vrouw stelt dat zij aanspraak heeft op de helft van deze winst. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis de aanspraak van de vrouw gehonoreerd. De grieven 1 tot en met 18 van de man hebben hierop betrekking en kunnen daarom gezamenlijk worden behandeld.

4.2 Vast staat dat het erfpachtsrecht ingevolge de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden tot het privé-vermogen van de man behoorde. Dit erfpachtsrecht is door de man aan de gemeente [...] verkocht en bij notariële akte van 5 augustus 1999 geleverd. De koopsom bedroeg f. 4.400.000,-. Ook deze verkoopopbrengst behoort in beginsel tot het privé-vermogen van de man.

4.3 De man heeft de verkrijging van het erfpachtsrecht volledig gefinancierd met een hypothecaire geldlening. Op deze lening -een schuld van de man- is tijdens het huwelijk niets afgelost. De in verband met deze lening verschuldigde rente is ten laste gebracht van de winst van maatschap van de man en de vrouw. De vrouw stelt -samengevat- dat deze rentebetalingen zijn gedaan uit overgespaarde inkomsten nu zij en de man vanaf 1 mei 1990 ieder gerechtigd waren tot de helft van de winst van de maatschap en -met de rechtbank- dat daarom de gehele verkoopopbrengst van het erfpachtsrecht ingevolge artikel 1:136 lid 1 BW tot het te verrekenen vermogen behoort.

4.4 Uit de onder onder 3.4 en 3.5 vastgestelde feiten volgt dat de man bij de verkrijging van het erfpachtsrecht in 1988 met f. 1.165.240,- ( f. 1.446.640,- - f. 281.400,-) is bevoordeeld. De economische waarde van hetgeen toen door zijn moeder aan hem is overgedragen was dus f. 1.840.240,- (f. 675.000,- + f. 1.165.240,-). Voor de verwerving daarvan is de man toen een schuld aangegaan van f. 875.000,-. Indien komt vast te staan dat de rente over deze schuld is betaald uit te verrekenen inkomsten en deze schuld tot het te verrekenen vermogen kan worden gerekend, dan volgt uit de tweede volzin van artikel

1: 136 lid 1 BW dat de verkoopopbrengst volgens de in deze bepaling opgenomen evenredigheidsmaatstaf tot het te verrekenen vermogen behoort : 875.000/1.840.240 x

f. 4.400.000,- = f. 2.092.118,42. Na aftrek van de hypothecaire lening (f. 875.000,-) zou er dan f. 1.217.118,42 (€ 552.304,26) te verrekenen zijn. Reeds hieruit volgt dat het bestreden vonnis niet in stand kan blijven nu de rechtbank daarin onder 2.3.5 heeft beslist dat de vrouw aanspraak heeft op de helft van de verkoopopbrengst van het erfpachtsrecht.

4.5 Partijen hebben ter uitvoering van het in de huwelijkse voorwaarden opgenomen verrekenbeding door hun accountant verrekenstaten laten opstellen. De vrouw heeft de verrekenstaten vanaf het boekjaar 1998-1999 niet ondertekend. De over de daaraan voorafgaande jaren opgestelde verrekenstaten -in de procedure zijn de verrekenstaten vanaf het boekjaar 1993-1994 overgelegd- zijn door de man en de vrouw ondertekend. Hierover merkt de vrouw in haar memorie van antwoord tevens houdende incidenteel appel onder punt 10 op: “Ook in de procedure in eerste aanleg heeft de vrouw de verrekeningen, zoals die tot 1998/1999 (op papier) hebben plaatsgevonden, nimmer betwist. Evident is dat daarbij de in de loop der jaren ontstane waardevermeerdering van het agrarische bedrijf en van het erfpachtsrecht, nimmer zijn betrokken.” Het hof begrijpt, mede naar aanleiding van hetgeen bij gelegenheid van het pleidooi door de advocaat van de vrouw op vragen van het hof is geantwoord, dat de vrouw stelt dat de ondertekende verrekenstaten niet volledig zijn omdat in deze verrekenstaten de waardestijging van het erfpachtsrecht buiten beschouwing is gelaten. De vrouw concludeert daaruit dat het verrekenbeding niet correct is nagekomen en dat dit leidt tot toepasselijkheid van artikel 1: 141 BW. Anders dan de vrouw stelt is het hof van oordeel dat met de door de vrouw ondertekende verrekenstaten het in artikel 5 van de huwelijkse voorwaarden opgenomen verrekenbeding correct is nagekomen. Het verrekenbeding heeft betrekking op jaarlijkse verrekening van onverteerd inkomen en daaronder kan niet worden begrepen verrekening van de waardevermeerdering van het erfpachtsrecht.

4.6 Uit hetgeen onder 4.5 is overwogen volgt dat de vrouw in beginsel gebonden is aan de in de ondertekende verrekenstaten vastgestelde verrekeningen. De vrouw heeft naar aanleiding van de grieven 5 en 6 van de man nog aangevoerd dat het juist is dat er nagenoeg nimmer sprake is geweest van “overgespaarde inkomsten die onverdeeld zijn gebleven.” De vrouw merkt daarbij op dat hierbij van belang is dat eerst de met de hypotheekverplichtingen samenhangende kosten in mindering werden gebracht op de winst van de maatschap en eerst daarna werd vastgesteld of er sprake is van overgespaarde inkomsten. Het hof begrijpt deze stelling aldus dat volgens de vrouw er sprake zou zijn geweest van overgespaard -en dus te verrekenen- inkomen indien bedoelde hypotheekverplichtingen niet ten laste van de maatschapswinst zouden zijn gebracht. Het hof volgt de vrouw hierin niet. Allereerst heeft de vrouw deze stelling op geen enkele wijze onderbouwd hetgeen wel van haar verwacht mocht worden nu de man in zijn memorie van grieven heeft gesteld dat ook wanneer “deze rentebetalingen op de schuld die betrekking had op de aankoop van het recht van erfpacht (…) bij het resultaat en dus bij het inkomen wordt opgeplust en belastingen zouden worden herberekend, blijft er geen overgespaard inkomen aanwezig.” De vrouw heeft daarmee de stelling van de man onvoldoende gemotiveerd bestreden.

Voorts houdt deze stelling van de vrouw in dat zij terug wenst te komen op de wijze waarop gedurende het bestaan van de maatschap de winst is berekend. Deze winst is volgens de onbestreden stelling van de man volgens een bestendige lijn berekend waarbij de rentebetalingen steeds ten laste van het resultaat van de maatschap zijn gebracht. Op geen enkele wijze is gebleken dat de vrouw zich hiertegen heeft verzet terwijl uit de door haar ondertekende verrekenstaten kan worden afgeleid dat zij instemde met het op deze wijze berekende inkomen en dus met de winstberekening van de maatschap. Behoudens bijzondere omstandigheden, die door de vrouw niet zijn gesteld en ook het hof niet zijn gebleken, is de vrouw gebonden aan deze winst- en inkomensberekeningen. Het hof heeft hierbij betrokken dat uit de maatschapsovereenkomst volgt -artikel 2 lid 2- dat de man het genot en gebruik van het erfpachtsrecht heeft ingebracht en dat daarvoor niet uitdrukkelijk ten gunste van de man een vergoeding is bedongen. Tegen deze achtergrond is het -behoudens bijzondere omstandigheden die zijn gesteld noch gebleken- redelijk dat de rentelasten in verband met de schuld ter verkrijging van dit erfpachtsrecht bij de berekening van de winst van de maatschap worden betrokken. Dit wordt niet anders nu in artikel 6 van de maatschapsovereenkomst is bepaald dat de erfpachtscanon ten laste van de winst- en verliesrekening van de maatschap komt.

4.7 Uit het voorgaande volgt dat de vrouw op grond van de huwelijkse voorwaarden geen aanspraak kan maken op de door de man gerealiseerde winst bij de verkoop van het erfpachtsrecht. De vrouw vindt dit in strijd met de redelijkheid en de billijkheid. Het hof begrijpt dat de vrouw daarmee bedoelt dat dit resultaat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (art. 6:248 lid 2 BW). Het gaat hier om een strenge toets bij toepassing waarvan de rechter de nodige terughoudendheid zal moeten betrachten. Het hof is van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft gesteld om tot dit ingrijpende rechtsgevolg te kunnen komen. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat partijen in gelijke mate hebben bijgedragen in de financiële verplichtingen waarmee, zo begrijpt het hof, wordt bedoeld dat de renteverplichtingen betreffende de schuld ter verkrijging van het erfpachtsrecht ten laste van de winst van de maatschap is gebracht. Uit rechtsoverweging 4.6 volgt dat dit naar het oordeel van het hof een redelijke berekeningsmethode is geweest zodat deze omstandigheid geen aanleiding kan geven om toepassing van het verrekenbeding terzijde te stellen. Voorts heeft de vrouw in dit verband aangevoerd dat partijen er steeds vanuit zijn gegaan dat het tijdens het huwelijk opgebouwde vermogen aan hen beiden in gelijke mate toebehoorde en dat dit mede kan worden afgeleid uit de wijze waarop de opbrengst van de verkoop van het bedrijf en het erfpachtsrecht is aangewend. De man heeft dit betwist. Uit de in het geding gebrachte en mede door de vrouw ondertekende verrekenstaten blijkt zonder twijfel dat partijen uitvoering hebben geven aan de overeengekomen huwelijkse voorwaarden en dus tijdens huwelijk -in ieder geval tot 1998- steeds zijn uitgegaan van gescheiden vermogens. Tegen deze achtergrond heeft de vrouw deze stelling onvoldoende onderbouwd en zal het hof deze daarom buitenbeschouwing laten. Hieruit volgt dat -kort gezegd- het beroep van de vrouw op artikel 6: 248 lid 2 BW niet kan worden gehonoreerd.

4.8 Uit hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de opbrengst van het erfpachtsrecht volgt dat de vrouw ook geen aanspraak kan maken op de door de man ontvangen betaling van € 190.771,98 in verband met -kort gezegd- vergoeding van de belastingschade (en rentevergoeding) als gevolg van de verkoop van het erfpachtsrecht (zoals voorzien in de akte van levering) en zal de bij incidenteel appel ingestelde vermeerdering van eis zoals in het petitum geformuleerd onder B worden afgewezen.

4.9 De vrouw heeft ten slotte aangevoerd dat de man door de gerealiseerde opbrengst op gezamenlijke naam te beleggen heeft voldaan aan een natuurlijke verbintenis en dat de vrouw daarom het vermogen dat mede op haar naam staat niet aan de man behoeft te retourneren. Zij verwijst hiervoor naar HR 1 oktober 2004, NJ 2005, 1. De vrouw heeft geen feiten en omstandigheden gesteld welke zouden kunnen gelden als objectieve aanwijzingen voor de aanwezigheid van een natuurlijke verbintenis. Anderzijds heeft de man op deze stelling van de vrouw niet gereageerd. Nu het -eventueel- bestaan en de omvang van een natuurlijke verbintenis van de man ten opzichte van de vrouw in het processuele debat nog niet, althans onvoldoende, aan de orde is geweest zal het hof de vrouw in de gelegenheid stellen haar standpunt nader te onderbouwen waarop de man dan kan reageren.

4.10 Bij gelegenheid van het pleidooi hebben partijen overeenstemming bereikt over de waarde van de bij partijen in gebruik zijnde auto’s: de Volkswagen Lupo van de vrouw wordt gewaardeerd op € 6.200,- en de BMW van de man op € 24.500,-. Voorts heeft de man er mee ingestemd dat de bij de zoon in gebruik zijnde Volkswagen Kever niet in de verrekening/verdeling wordt betrokken. Aldus behoeft grief 19 geen behandeling.

4.11 Ten aanzien van de inboedelgoederen conformeert de vrouw zich aan het oordeel van de rechtbank. De man komt met grief 20 op tegen deze beslissing en is van oordeel dat een deskundige de werkelijke waarde van deze goederen had moeten vaststellen. Bij gelegenheid van het pleidooi heeft de man verklaard dat van de inboedelgoederen niet veel meer over is. Daarmee komt de benoeming van een deskundige om de waarde van deze goederen te taxeren niet meer aan de orde. Nu de man zijn bezwaren tegen de vaststelling van de rechtbank niet nader cijfermatig heeft onderbouwd sluit het hof zich aan bij de overwegingen en de beslissing van de rechtbank en stelt het door de man aan de vrouw terzake overbedeling te betalen bedrag in redelijkheid vast op € 5.000,-. Aldus faalt grief 20

Slotsom

4.12 Uit hetgeen hierboven is overwogen volgt dat het bestreden vonnis niet in stand kan blijven. Waartoe een en ander uiteindelijk zal resulteren is afhankelijk van het -eventueel- bestaan van een natuurlijke verbintenis van de man ten opzichte van de vrouw en de omvang van deze verbintenis. Het hof begrijpt uit de stellingen van de vrouw dat zij geen bezwaren maakt tegen de wijze waarop de stakingswinst van de maatschap is berekend maar dat haar bezwaar tegen de niet ondertekende verrekenstaten daarin is gelegen dat de met de verkoop van het erfpachtsrecht gerealiseerde winst is toegerekend aan de persoonlijke onderneming van de man. Uit de niet ondertekende berekening van het vermogen per 31 december 1999 leidt het hof af dat de op naam van de man respectievelijk op naam van de vrouw afgesloten lijfrentes zijn betaald uit ieders aandeel in het vermogen van de maatschap na toedeling van de stakingswinst. In dit verband is op het vermogen van de man is € 210.554,- in mindering gebracht en op het vermogen van de vrouw € 113.471,-.

4.13 In verband met hetgeen onder 4.9 is overwogen zal het hof de zaak verwijzen naar de rol van 1 juli 2008 voor het doen van uitlatingen door de vrouw zoals daar is overwogen waarna de man de gelegenheid krijgt daarop te reageren.

4.14 Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verwijst de zaak naar de rol van 1 juli 2008 voor het doen van uitlatingen van de zijde van de vrouw als bedoeld in rechtsoverweging 4.9;

bepaalt dat de man op een door de rolraadsheer te bepalen termijn op de uitlatingen van de vrouw mag reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Wammes, Van Gelder en Van Zutphen en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 mei 2008.