Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BE2034

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
06-08-2008
Datum publicatie
15-08-2008
Zaaknummer
06-00344
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BL4319, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting.

Pand vormde na staking ondernemingsvermogen omdat het werd aangehouden in afwachting van een geschikt moment tot verkoop.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/20.18 met annotatie van Redactie
FutD 2008-1736
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belasting

nummer 06/00344

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/P (hierna: de Inspecteur)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank) van 9 augustus 2006, nr. AWB 06/350 op het beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende) betreffende na te melden over het jaar 2000 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is over het jaar 2000 een navorderingsaanslag in de inkomsten-belasting/premie volksverzekeringen nr. 01.H.07 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 472.461, waarvan een bedrag van ƒ 414.517 is belast naar het bijzondere tarief van 45 percent.

1.2. Deze navorderingsaanslag is, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, bij uitspraak op bezwaar door de Inspecteur gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft hiertegen beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar en de navorderingsaanslag vernietigd.

1.4. De Inspecteur heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. De Inspecteur heeft vervolgens nog nadere stukken ingediend.

1.5. De mondelinge behandeling van de zaak in hoger beroep heeft plaatsgehad op 4 juni 2008 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende alsmede de Inspecteur.

1.6. De Inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota wordt hier als herhaald en ingelast aangemerkt.

1.7. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Een afschrift hiervan is aan deze uitspraak gehecht.

2. Feiten

2.1. Belanghebbende dreef een onderneming in de vorm van een eenmanszaak. De onder-nemingsactiviteiten bestonden uit de opvang van asielzoekers. Deze opvang geschiedde in het – belanghebbende in eigendom toebehorende – pand aan de a-straat 1 te Q. Het gedeelte van het pand, waarin de ondernemingsactiviteiten werden uitgeoefend (ongeveer 88% van het totaal) rekende belanghebbende tot het ondernemings¬vermogen. Het resterende deel, waarin belanghebbende zelf woonde, heeft hij tot het privévermogen gerekend.

2.2. Met ingang van 22 februari 1999 heeft belanghebbende de opvang van asielzoekers beëindigd, zulks omdat hem daartoe geen vergunning meer werd verstrekt.

2.3. Belanghebbende had vanaf dat tijdstip geen inkomstenbron meer. Hij werd financieel ondersteund door zijn zoon. Eerst in juli 2000 heeft belanghebbende weer inkomsten verworven. Hij heeft – na omscholing – in die maand een dienstbetrekking als buschauffeur aanvaard.

2.4. Ultimo 1999 had belanghebbende (tot het ondernemingsvermogen behorende) schul-den in de orde van grootte van ƒ 500.000.

2.5. Belanghebbende was na het beëindigen van de opvang van asielzoekers voornemens een gedeelte van het (tot het ondernemingsvermogen behorende deel van het) pand aan zijn zoon te verkopen. In verband hiermee heeft belanghebbende op 27 augustus 1999 een ver-zoek tot “gezamenlijke taxatie” bij de Belastingdienst ingediend. De ingeschakelde taxateurs hebben op 23 september 1999 een taxatierapport uitgebracht, waarin de waarde in het eco-nomische verkeer van de gehele onroerende zaak is bepaald op ƒ 640.000. Aan het tot het ondernemingsvermogen behorende deel van de onroerende zaak is een waarde toegekend van ƒ 565.000 en aan het tot het privévermogen gerekende deel ƒ 75.000. Aan het gedeelte dat de zoon wilde kopen is een waarde van ƒ 233.000 toegekend.

2.6. De beoogde verkoop aan de zoon heeft geen doorgang gevonden. Belanghebbende heeft geen pogingen ondernomen om een gedeelte van de onroerende zaak te verhuren aan derden.

2.7. In de – op 24 juni 2004 opgestelde – jaarrekening van belanghebbende over 2000 is vermeld dat belanghebbende het gedeelte van de onroerende zaak dat tot het ondernemings-vermogen behoorde, per 1 januari 2000 heeft overgebracht naar het privévermogen. Daarbij is uitgegaan van de op 23 september 1999 getaxeerde waarde van ƒ 565.000. Ter gelegen-heid hiervan is door belanghebbende in 2000 een stakingswinst verantwoord van ƒ 76.954 (het verschil tussen de getaxeerde waarde van ƒ 565.000 en de boekwaarde van ƒ 488.046).

2.8. Belanghebbende heeft vanwege een gebrek aan financiële middelen de onroerende zaak inclusief het woongedeelte eind maart 2000 via een makelaar te koop aangeboden. In juli 2000 is de gehele onroerende zaak verkocht voor een bedrag van ƒ 1.700.000.

2.9. De Inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat de door belanghebbende verant-woorde stakingswinst met betrekking tot de onroerende zaak niet juist is geweest. Volgens de Inspecteur behoorde het pand – met uitzondering van het woongedeelte – ten tijde van de vervreemding ervan in 2000 nog steeds – verplicht – tot het ondernemingsvermogen. De stakingswinst heeft volgens de Inspecteur ƒ 1.011.954 belopen [ƒ 1.500.000 (het gedeelte van de verkoopprijs dat aan het tot het ondernemingsvermogen behorende deel moet worden toegerekend) verminderd met de boekwaarde van ƒ 488.046]. Het verschil met de door belanghebbende verantwoorde stakingswinst bedraagt volgens de Inspecteur ƒ 935.000 (ƒ 1.011.954 min ƒ 76.954). In verband hiermee heeft de Inspecteur de onderhavige navorde-ringsaanslag aan belanghebbende opgelegd, waarbij aan stakingswinst in aanmerking is genomen een bedrag van ƒ 858.046.

2.10. De Rechtbank heeft deze navorderingsaanslag vernietigd, omdat – kort gezegd en overeenkomstig het nadere standpunt van belanghebbende – de voorheen in zijn onderne-ming gebezigde onroerende zaak naar haar opvatting in 1999 tot het privévermogen van belanghebbende is gaan behoren, zodat in 2000 geen stakingswinst wordt gerealiseerd.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur terecht de onderhavige navorderingsaan-slag heeft opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of (het bedrijfsgedeelte van) de onroerende zaak in 2000 nog tot het ondernemingsvermogen van belanghebbende behoorde. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de Inspecteur bevestigend.

3.2 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de stukken. Voor hetgeen daaraan ter zitting nog is toegevoegd, wordt verwezen naar het proces-verbaal van de zitting.

3.3 Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

3.4 De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot bevestiging van de uitspraak op bezwaar.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Het Hof zal veronderstellenderwijs ervan uitgaan dat belanghebbende zijn onderne-ming omstreeks maart 1999 heeft gestaakt.

4.2. Bij de staking van een onderneming heeft in het algemeen te gelden dat een tot het ondernemingsvermogen behorend activum, zoals een onroerende zaak, naar het privévermo-gen wordt overgebracht. Deze regel lijdt onder meer uitzondering, indien de belastingplichti-ge bij de staking van zijn onderneming de onroerende zaak in afwachting van een geschikte gelegenheid tot vervreemding aanhoudt. Alsdan blijft de onroerende zaak tot het onderne-mingsvermogen behoren.

4.3. De Inspecteur heeft gemotiveerd gesteld dat die uitzonderingssituatie zich te dezen voordoet.

4.4. In aanmerking genomen dat belanghebbende na februari 1999 niet over eigen middelen van bestaan beschikte, schulden had in de orde van grootte van ƒ 500.000 en in verband daarmee financieringsverplichtingen jegens de bank, vrij snel na de (veronderstelde) staking een verkooppoging heeft ondernomen met betrekking tot het bedrijfsgedeelte van de onroerende zaak, vervolgens na het mislukken van die poging binnen een relatief korte tijdspanne de gehele onroerende zaak te koop heeft aangeboden en verkocht, en voorts geen pogingen heeft ondernomen om (gedeelten van) de onroerende zaak te verhuren, acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende de onroerende zaak bij de staking van zijn onderneming heeft aangehouden in afwachting van een geschikte gelegenheid tot vervreemding en niet ten behoeve van zelfbewoning dan wel als beleggingsobject. De omstandigheid dat belangheb-bende na het beëindigen van de ondernemingsactiviteiten een gedeelte van het pand – tijdelijk – heeft ingericht als atelier, doet aan het vorenstaande niet af. Genoemde feiten en om-standigheden nopen tot de conclusie dat belanghebbende – hoe zeer wellicht ook tegen zijn persoonlijke wensen – in feite gedwongen was de onroerende zaak te vervreemden. In dat licht bezien, ziet het Hof geen grond voor de subsidiair door belanghebbende bij de Recht-bank aangevoerde stelling dat slechts het gedeelte van de onroerende zaak dat aan de zoon zou worden verkocht tot het ondernemingsvermogen is blijven behoren.

4.5. Uit het vorenoverwogene volgt dat (het bedrijfsgedeelte van) de onroerende zaak ten tijde van de vervreemding in 2000 nog steeds tot het ondernemingsvermogen van belang-hebbende behoorde. De Inspecteur heeft terecht het verschil tussen de verkoopopbrengst van het tot het ondernemingsvermogen behorende deel van het pand en de boekwaarde ervan tot de stakingswinst van belanghebbende gerekend. De in aanmerking genomen bedragen zijn als zodanig niet in geschil. De navorderingsaanslag is terecht opgelegd.

4.6. Het hoger beroep van de Inspecteur treft doel.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Gerechtshof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht;

– verklaart het beroep bij de Rechtbank ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, voorzitter, mr. M.C.M. de Kroon en mr. N.E. Haas. De beslissing is in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 6 augustus 2008.

De griffier, De voorzitter,

(W.J.N.M. Snoijink) (R. den Ouden)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 6 augustus 2008

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.