Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BE0212

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
14-08-2008
Datum publicatie
14-08-2008
Zaaknummer
21-002291-07
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BL8787, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2010:BL8787
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding als gevolg van diefstal met bewezenverklaring van opzetheling; rechtstreekse schade

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 21-002291-07

Uitspraak d.d.: 14 augustus 2008

TEGENSPRAAK

PROMIS

Gerechtshof Arnhem

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Arnhem van 25 mei 2007 in de strafzaak tegen

[Verdachte],

geboren te [plaats] op [datum] 1967,

wonende te [woonplaats].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 31 juli 2008 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het vonnis van de eerste rechter zal vernietigen en te dien aanzien opnieuw rechtdoende zal bewezen verklaren hetgeen aan verdachte onder 1 subsidiair en onder 2 subsidiair is tenlastegelegd en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, het verrichten van een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis, met aftrek van 20 uren. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het in beslaggenomen geldbedrag gedeeltelijk zal worden verbeurdverklaard, te weten een geldbedrag ter hoogte van € 2.200,-, en dat zal worden teruggegeven aan [eigenaar] een geldbedrag ter hoogte van € 50,-.

Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen is de advocaat-generaal van oordeel dat de vordering van [benadeelde partij 1] gedeeltelijk kan worden toegewezen tot een bedrag van € 1.081,51 en met de verplichting om aan de staat ten behoeve van het slachtoffer een bedrag van € 1.081, 51 te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 21 dagen hechtenis. Voor het overige dient de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard. Dat laatste geldt ook voor de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3].

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr A.H.J.G. van Voorthuizen, naar voren is gebracht.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is kennelijk niet gericht tegen de gegeven vrijspraak van het onder 3 tenlastegelegde.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing en een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is, voor zover thans nog van belang, tenlastegelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 3 november 2006 tot en met 4 november 2006 te [plaats], gemeente [plaats] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een (bedrijfs)auto (merk Volkswagen, type LT en met kenteken [kenteken]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij in of omstreeks de periode van 3 november 2006 tot en met 4 november 2006 te [plaats], gemeente [gemeente], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen een (bedrijfs)auto (merkVolkswagen, type LT, kenteken [kenteken]), terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voormeld goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat dit door diefstal in elk geval door enig misdrijf was verkregen;

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 oktober 2006 tot en met 29 oktober 2006, te [plaats] en/of [plaats], gemeente [gemeente] en/of [plaats] en/of [gemeente], gemeente [gemeente], in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, in elk geval eenmaal, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen de hierna te noemen personen- en/of bedrijfsauto's, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de hierna te noemen rechthebbende(n), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en wel :

- Volkswagen (type Transporter, kenteken [kenteken]), geheel of ten dele

toebehorende aan [benadeelde partij 3] en/of Nationale Nederlanden (inc.2) en/of

- Volkswagen (type Transporter, kenteken [kenteken]), geheel of ten dele

toebehorende aan [benadeelde partij 2] (inc. 5) en/of

- BMW (type 520i, kenteken [kenteken]), geheel of ten dele toebehorende aan

[benadeelde a] en/of [benadeelde b] (inc. 6) en/of

- Volkswagen (type Jetta, kenteken [kenteken]), geheel of ten dele

toebehorende aan [benadeelde c]. (inc. 7) en/of

- Peugeot (type Boxer, kenteken [kenteken]), geheel of ten dele toebehorende

aan [benadeelde d]. (inc. 8);

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 oktober, 2006 tot en met 4 november 2006 te [plaats], gemeente [gemeente], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen een of meer personen- en of bedrijfsauto's (te weten (een) Volkswagen(s) met kenteken(s) [kenteken] en/of [kenteken], en/of [kenteken] en/of een BMW met kenteken

[kenteken] en/of een Peugeot met kenteken [kenteken]), terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voormeld(e) goed(eren) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat dit/deze door diefstal in elk geval door enig misdrijf was/waren verkregen.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsmotivering

Het hof neemt het volgende in aanmerking , beginnende met feit 2 nu dat in de chronologie voorafgaand aan feit 1 heeft plaatsgevonden.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde.

De politie trof op 4 november 2006 in een loods in Terschuur een witte, gestripte Volkswagen Transporter aan met het kenteken [kenteken], met betrekking tot welke door [naam] namens [benadeelde partij 3] aangifte van diefstal was gedaan . Ook trof de politie een zwarte, gestripte Volkswagen Jetta aan met kenteken [kenteken], met betrekking tot welke door [naam] namens [benadeelde c] aangifte van diefstal was gedaan . Voorts vond de politie in de loods een mapje met de gegevens van een groene Volkswagen Transporter met het kenteken [kenteken], met betrekking tot welke auto door de eigenaar [benadeelde partij 2] aangifte was gedaan . Verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat hij in de periode van 10 oktober 2006 tot 4 november 2006 in [plaats] in een loods auto’s sloopte. Hij verklaarde tot vier maal toe voor ene “[J.]” deze werkzaamheden te hebben verricht waarbij verdachte voertuigen “stripte” die nagenoeg nieuw waren . Verdachte heeft verklaard onder andere een witte Volkswagen, een groene Volkswagen en een Jetta te hebben gesloopt . Verdachte spreekt voorts van ene “[M.]” die bij genoemde werkzaamheden betrokken zou zijn geweest . Gelet op het feit dat de gestripte voertuigen in de loods in Terschuur waar verdachte zijn sloopwerkzaamheden verrichtte zijn aangetroffen , en de verklaring van verdachte dat hij betrokken is geweest bij het strippen van een witte Volkswagen, een groene Volkswagen en een Jetta, komt het hof tot de conclusie dat verdachte voorgaande voertuigen voorhanden heeft gehad.

In tegenstelling tot hetgeen de verdachte bij de politie heeft verklaard, heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij niet wist dat de auto’s waaraan hij werkte gestolen waren. Het hof hecht aan deze laatste verklaring geen geloof en houdt de verdachte aan zijn eerdere verklaring afgelegd tegenover de politie, inhoudende dat verdachte wist dat hij met criminele activiteiten te maken had en dat hij meteen snapte dat je geen nieuwe auto’s gaat slopen als ze eerlijk zijn . Verdachte heeft verklaard dat hij een nieuwe donkergroene Volkswagen bus helemaal moest strippen, te weten de motor, de deuren en de dubbele cabine eruit moest halen. Tevens heeft hij het chassisnummer weggeslepen van een zwarte Volkswagen .

Het verweer van de raadsman dat er voor het door verdachte voorhanden hebben van de (groene) Volkswagen Transporter met kenteken [kenteken] onvoldoende bewijs aanwezig is, verwerpt het hof. Daartoe overweegt het hof dat er een mapje is gevonden met het kenteken in de loods waar verdachte de voertuigen stripte en waar verdachte door de politie is aangehouden en dat er uit het dossier niet naar voren is gekomen dat er meer groene Volkswagen Transporters in de loods aanwezig waren. Aldus is het hof van oordeel dat verdachte ook de genoemde groene Volkswagen Transporter met kenteken [kenteken], zoals opgenomen in de tenlastelegging, voorhanden heeft gehad.

Het hof komt dan aldus tot de bewezenverklaring van het subsidiair bewezenverklaarde.

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

Uit de aangifte van [aangever] blijkt dat een grijze Volkswagen LT, met het kenteken [kenteken], aan hem toebehorend, op 3 of 4 november 2006 is weggenomen uit Katwijk aan Zee, zonder dat [eigenaar] daar toestemming voor had gegeven . Uit het rittenoverzicht, afkomstig van het GPS-systeem waarmee de Volkswagen was uitgerust is inzage verkregen in de afgelegde route van het voertuig en de tijden waarop deze Volkswagen heeft gereden en stilgestaan. Daaruit blijkt dat het voertuig op 3 november 2006 om 22.00 uur uit Katwijk is vertrokken en via Bodegraven en Veenendaal uiteindelijk op 3 november 2006 om 23.35 uur in Terschuur is beland. In Veenendaal arriveerde het voertuig om 23.18 uur om vervolgens zijn weg richting Terschuur om 23.19 uur te vervolgen . Aldaar is het voertuig door de politie op 4 november 2006 aangetroffen in de eerder genoemde loods .

Verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat hij in opdracht van reeds genoemde [J.] om 7 uur in de ochtend van 4 november 2006 in Veenendaal op een parkeerplaats een grijze Volkswagen heeft opgehaald . Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat hij het voertuig uit Katwijk aan Zee heeft weggenomen. Het hof is van oordeel dat deze vermelding van de plaats (Katwijk aan Zee) waar verdachte de auto zou hebben weggenomen c.q. opgehaald, als een kennelijke verschrijving moet worden beschouwd, nu elders in dat proces-verbaal is vermeld dat de politierechter is uitgegaan van het meenemen van de auto in Veenendaal, hetgeen de verdachte heeft bevestigd. Ook ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij de auto in Veenendaal op de parkeerplaats bij de MacDonalds heeft opgehaald .

Het hof zal van de verklaring dat de verdachte de auto in Veenendaal heeft opgehaald en vervolgens de auto naar de loods in Terschuur heeft gereden uitgaan.

Het rittenoverzicht toont dat het gestolen voertuig in nagenoeg een doorlopende rit van Katwijk aan Zee naar Terschuur is gereden. Blijkens het rittenoverzicht heeft de auto van 22.37 uur tot 22.39 uur stilgestaan bij Bodegraven en vervolgens heeft de auto van 23.18 uur tot 23.19 uur stilgestaan in Veenendaal. De auto heeft dus maximaal één minuut stilgestaan in Veenendaal, alvorens de auto naar het eindpunt in Terschuur is gereden. Gelet op deze korte tijdspanne kan het niet anders dan dat de verdachte reeds in Veenendaal ter plaatse moet zijn geweest op het moment van aankomen van de auto en de auto van die ander heeft overgenomen. De door verdachte gegeven lezing dat hij is aan komen rijden, niemand heeft gezien, zijn eigen auto heeft afgesloten, naar de bus is gelopen en deze vervolgens heeft gestart met de autosleutels die zich in de asbak zouden hebben bevonden acht het hof strijdig met de gegevens zoals deze vermeld staan in het rittenoverzicht. Gelet op het voorgaande is het hof dan ook van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van diefstal. Verdachte heeft op een parkeerplaats op 3 november 2006 om 23.19 uur een auto overgenomen van een onbekend gebleven persoon of personen die hij vervolgens naar een loods heeft gebracht. In die loods stonden meer gestolen auto’s naast deze grijze Volkswagen LT, met het kenteken [kenteken], van welke auto verdachte inmiddels al twee deuren had verwijderd toen de politie daar arriveerde op 4 november 2006.

De advocaat-generaal heeft gevorderd het subsidiair tenlastegelegde bewezen te verklaren, zoals ook de rechtbank heeft gedaan. Het hof is echter, gelet op het voorgaande, tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde gekomen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 primair en onder 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 3 november 2006 tot en met 4 november 2006 te [plaats], gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een (bedrijfs)auto (merk Volkswagen, type LT en met kenteken [kenteken]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [eigenaar] in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 oktober 2006 tot en met 4 november 2006 te [plaats], gemeente [gemeente], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen een of meer personen- en of bedrijfsauto's (te weten (een) Volkswagen(s) met kenteken(s) [kenteken] en/of [kenteken] en/of [kenteken] en/of een [merk] met kenteken [kenteken] en/of een [merk] met kenteken [kenteken]), terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voormeld(e) goed(eren) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat dit/deze door diefstal in elk geval door enig misdrijf was/waren verkregen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde:

Diefstal door twee of meer verenigde personen.

ten aanzien van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde:

Medeplegen van:

opzetheling, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte wordt veroordeeld wegens het onder 1 en 2 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van

2 jaar en een werkstraf voor de duur van 180 uur subsidiair 90 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die door verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht. Ten aanzien van het beslag heeft de officier van justitie geëist de verbeurdverklaring van € 2.250,-.

De politierechter in de rechtbank Arnhem heeft de verdachte veroordeeld wegens het het onder 1 subsidiair tenlastegelegde en het onder 2 subsidiair tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden en het verrichten van een werkstraf gedurende 180 uren, subsidiair 110 dagen, en het bevel dat de tijd door de veroordeelde in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht geheel in mindering wordt gebracht, te weten 20 uren, zijnde 10 dagen hechtenis. Voorts heeft de politierechter de verbeurdverklaring van een geldbedrag ter hoogte van € 2.250,- gelast en het geschorste bevel voorlopige hechtenis opgeheven.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld wegens het onder 1 subsidiair en onder 2 subsidiair tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, het verrichten van een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 150 uur subsidiair 75 dagen hechtenis met aftrek van de tijd die door veroordeelde reeds in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht. Dat het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een geldbedrag ter hoogte van € 2.200,- zal worden verbeurdverklaard en dat wordt teruggegeven aan [rechtmatige eigenaar] een geldbedrag ter hoogte van € 50,-.

Het hof neemt bij de straftoemeting het volgende in aanmerking.

De vordering van de advocaat-generaal is gebaseerd op een bewezenverklaring van de feiten

1 subsidiair en 2 subsidiair, waar het hof tot de bewezenverklaring van feit 1 primair en feit 2 subsidiair is gekomen.

Voor diefstal van een auto luidt het oriëntatiepunt van het Landelijk Overleg van de Voorzitters van de Strafsectoren (LOVS) een gevangenisstraf voor de duur van 5 weken. Voor opzetheling ontbreekt een dergelijk uitgangspunt.

Het hof heeft rekening gehouden met het feit dat verdachte goed wist wat hij deed, namelijk dat hij bewust de keuze heeft gemaakt om zich met zaken in te laten die niet zuiver waren, aldus de verklaring van verdachte. Bovendien was verdachte ten tijde van het plegen van de strafbare feiten werkzaam voor de politie. Het hof neemt voorts in ogenschouw dat verdachte met zijn gedragingen een bijdrage heeft geleverd aan een georganiseerde gang van criminele activiteiten, waarbij auto’s werden gestolen en vervolgens in een loods werden gestript. Daarbij komt het het hof voor dat bij deze gang van zaken meer personen betrokken zijn geweest. De overlast en schade die met diefstal en strippen van (bedrijfs-)voertuigen aan de maatschappij wordt toegebracht neemt het hof in zijn strafoplegging mee. Het hof gaat er wel van uit dat de verdachte niet de voornaamste rol in het geheel heeft gespeeld. Die rol en de schrijnende persoonlijke omstandigheden van verdachte, welke ter terechtzitting door de verdachte en zijn raadsman naar voren zijn gebracht, hebben het hof ertoe gebracht het gedeelte van de vrijheidsbenemende straf voorwaardelijk op te leggen. Het hof legt een hogere voorwaardelijke gevangenisstraf op dan door de eerste rechter opgelegd en door de advocaat-generaal gevorderd. Dit heeft mede tot doel de verdachte in te scherpen zich in de toekomst te onthouden van nieuwe criminele activiteiten. Voorts acht het hof een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, van de hierna te noemen duur, passend en geboden. Het hof legt een iets hogere werkstraf op dan door de advocaat-generaal is gevorderd, omdat het de verdachte veroordeelt voor het onder 1 primair bewezenverklaarde. Het hof rekent de verdachte die diefstal aan, hetgeen tot uiting komt in de hogere voorwaardelijke straf en de werkstraf.

Het hierna te noemen in beslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een geldbedrag van € 2.200,- behoort aan veroordeelde toe. Het zal worden verbeurd verklaard aangezien het geheel of grotendeels door middel van het onder 2 subsidiair tenlastegelegde en bewezenverklaarde is verkregen.

Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Gelet op de verklaring van verdachte bij de politie, waar hij aangaf voor zijn sloopwerkzaamheden in de loods € 500,- per dag te verdienen alsmede een onkostenvergoeding van € 50,- per dag en zijn verklaring dat hij, op het moment van aanhouding, vier dagen genoemde sloopwerkzaamheden had verricht , is het aannemelijk dat het aangetroffen geldbedrag de betaling voor zijn werkzaamheden is geweest. De verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, dat het geld slechts gedeeltelijk voor hemzelf bestemd was, acht het hof niet aannemelijk.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 8.868,66 aan materiële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.081,51. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Het hof oordeelt dat meer kosten dan door de rechtbank geoordeeld, in rechtstreekse relatie tot het bewezenverklaarde feit staan, maar gelet op het feit dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] zich niet opnieuw heeft gesteld, slechts uitgegaan kan worden van het door de rechtbank toegewezen bedrag.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 26.880,39 aan materiële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 5.132,50. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Door de advocaat-generaal is betoogd dat doordat de verdachte zich bezig heeft gehouden met het strippen en slopen van de auto’s hij tevens verantwoordelijk is te stellen voor de schade, voor zover het betreft de herstelkosten van de bus. Die schade is als rechtstreeks te beschouwen.

De raadsman heeft zich ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partij op het standpunt gesteld dat de vorderingen niet eenvoudig zijn en heeft daarbij gewezen op de omstandigheid dat afschrijving en verrekening van de BTW niet in de vordering zijn verwerkt.

Het hof overweegt ten aanzien van de relatie tussen het bewezenverklaarde en de door de benadeelde partij geleden schade het volgende.

Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat van rechtstreekse schade sprake is indien de schade veroorzaakt is door het bewezenverklaarde feit. Het begrip “feit” dient niet beperkt te worden tot hetgeen bewezenverklaard is, maar omvat ook de uit de bewijsmiddelen blijkende gedragingen van verdachte. De gedragingen van de verdachte en het bewezenverklaarde kunnen in een zodanig nauw verband staan dat dit tot gevolg heeft dat door het bewezenverklaarde rechtstreeks aan de benadeelde partij de door deze geleden schade is toegebracht .

In onderhavige zaak wordt verdachte onder 2 veroordeeld ter zake van opzetheling van auto’s, waaronder het voertuig van de benadeelde partij. Het komt het hof voor dat de door de benadeelde partij geleden schade in nauw verband gezien kan worden tot het gepleegde feit.

Bewezenverklaard is dat verdachte auto’s waarvan hij wist dat ze gestolen waren voorhanden heeft gehad. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte deze (betrekkelijk) nieuwe auto’s heeft gestript en gesloopt. Het kan niet anders dan dat de verdachte begrepen heeft dat deze vervolgens in onderdelen werden doorverkocht. Verdachte is ook betrokken geweest bij het strippen van het voertuig van benadeelde, waarvan kort voordien aangifte van diefstal is gedaan door de eigenaar. In relatie tot het onder 1 primair bewezenverklaarde, en gelet op de feiten en omstandigheden van het geval, leidt het hof af dat er een georganiseerde gang van zaken was waarbij voertuigen gestolen werden met het doel deze te strippen en de onderdelen te verkopen. Verdachtes betrokkenheid bij een diefstal van een auto -het onder 1 primair bewezenverklaarde- welke vervolgens door hem werd gestript leidt tot de overtuiging bij het hof dat verdachte direct betrokken was bij de verschillende fases van de criminele activiteiten en aldus de schade nauw te relateren is. Het strippen van de auto vormt naar oordeel van het hof een substantieel onderdeel in het wegmaken van het voertuig, zodat het niet herkenbaar terug te vinden is. Aldus komt het hof tot zijn oordeel dat er in casu sprake is van een rechtstreeks verband tussen de bewezenverklaarde opzetheling en de door de benadeelde partij geleden schade.

Het hof is van oordeel dat niet van rechtstreekse schade gesproken kan worden waar het de inhoud van de auto betreft, te weten het gereedschap. De bedragen die de benadeelde partij in dat kader heeft gevorderd zijn naar het oordeel van het hof dan ook niet van eenvoudige aard en kunnen aldus niet in het strafgeding worden toegewezen. Dit geldt eveneens voor de aankoop van het nieuwe voertuig. Het deel van de vordering dat ziet op de aankoop van een vervangend voertuig is niet eenvoudig van aard nu voor het hof niet is vast te stellen hoe de waarde van de nieuw aangeschafte auto zich verhoudt tot de gestolen auto. Voor dat deel van de vordering zal tevens een niet-ontvankelijkheid van de vordering dienen te volgen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is aldus voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreekse schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is de vordering naar het oordeel van het hof niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 750,-. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot het hierna te noemen bedrag zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Met verwijzing naar hetgeen het hof uiteen heeft gezet ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij 2], overweegt het hof ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] aldus dat de geleden schade in rechtstreeks verband staat met het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde en voorts aannemelijk is geworden. Daarbij merkt het hof op dat uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte van deze auto het chassisnummer heeft weggeslepen en op deze wijze ook heeft bijgedragen aan het wegmaken van deze auto. Derhalve kan de vordering zoals ook door de politierechter geoordeeld, volledig worden toegewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24, 24c, 33, 33a, 36f, 47, 57, 63, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verstaat dat het door verdachte ingestelde rechtsmiddel niet is gericht tegen dat deel van het vonnis waarvan beroep waarbij verdachte terzake van het onder onder 3 tenlastegelegde werd vrijgesproken.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het onder 1 primair en onder 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen één (1) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

Bepaalt voorts dat de termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij zich aan zodanige vrijheidsontneming heeft onttrokken.

Bepaalt dat bij de uitvoering van de taakstraf 20 (twintig) uren in mindering worden gebracht wegens de tijd door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, te weten totaal 10 (tien) dagen.

De voorlopige hechtenis

Heft op het geschorste, tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis.

De in beslag genomen voorwerpen

Verklaart verbeurd het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven geldbedrag, te weten:

Een geldbedrag ter hoogte van € 2200,-.

Gelast de teruggave aan [eigenaar] van het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven geldbedrag, te weten:

Een geldbedrag ter hoogte van € 50,-.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]:

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij, [benadeelde partij 1], te betalen een bedrag van € 1.081,51 (duizend eenentachtig euro en eenenvijftig cent) met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededader betaalt verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [benadeelde partij 1], een bedrag te betalen van € 1.081,51 (duizend eenentachtig euro en eenenvijftig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 21 (eenentwintig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voorzover de mededader van verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]:

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij, [benadeelde partij 2], te betalen een bedrag van € 2.082,50 (tweeduizend tweeëntachtig euro en vijftig cent).

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde partij 2], in haar vordering voor het overige niet ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [benadeelde partij 2], een bedrag te betalen van € 2.082,50 (tweeduizend tweeëntachtig euro en vijftig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 41 (eenenveertig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]:

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij, [benadeelde partij 3], te betalen een bedrag van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro).

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [benadeelde partij 3], een bedrag te betalen van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr R. de Groot, voorzitter,

mr F.J.H. Rutgers van der Loeff en mr. E.H. Schulten, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr R. Kouw, griffier,

en op 14 augustus 2008 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr F.J.H. Rutgers van der Loeff is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.