Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BD9904

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
05-08-2008
Datum publicatie
12-08-2008
Zaaknummer
107.002.057/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Voorzover [appellant] in de toelichting op grief I aanvoert dat ofwel het verbod temporeel dient te worden gelimiteerd ofwel dat het geografische geldingsgebied van het verbod dient te worden beperkt, overweegt het hof voorshands dat [appellant] niet alleen ontoereikende gronden voor zodanige beperkingen aanvoert, doch met name ook dat uit zijn stellingen niet voorshands voortvloeit dat het verbod zoals dat door de rechtbank is opgelegd en dat samenhangt met de toedeling van de onderneming aan [geïntimeerde], buitenproportioneel is en niet aansluit bij de inhoud of de strekking van de Handelsnaamwet. Dat binnen het dorp [plaatsnaam] geen verwarring is te duchten omdat een ieder bekend zou zijn met het bestaan van twee aparte ondernemingen, kan - wat daarvan ook zij - reeds hierom niet tot vernietiging leiden nu in het verbod op het gebruik van de handelsnaam [appellant] in een omtrek van 75 km rond [plaatsnaam] ligt besloten dat de onderneming ook buiten [plaatsnaam] relaties en klanten heeft, welk feit door [appellant] niet genoegzaam is weersproken en overigens aansluit bij zijn toelichting op grief V waar hij aanvoert dat hij ook in de omgeving van [plaatsnaam] klanten heeft. Het voorgaande geldt op gelijke grond met betrekking tot hetgeen [appellant] bij grief VI (opnieuw) aanvoert, te weten dat geen verwarring is te duchten bij publiek en toeleveranciers. Voor een verdergaand onderzoek omtrent een en ander biedt de procedure in kort geding geen plaats.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 5 augustus 2008

Zaaknummer 107.002.057/01

HET GERECHTSHOF TE ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats appellant],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellant],

procureur: mr. A.T. Bolt,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats geïntimeerde],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

procureur: mr. J.R.O. Dantuma.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het kort geding vonnis uitgesproken op 14 augustus 2007 door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle-Lelystad.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 6 september 2007 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 18 september 2007.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de Voorzieningenrechter in kort geding van de Rechtbank Zwolle-Lelystad d.d. 14 augustus 2007 te vernietigen en opnieuw rechtdoende, de vorderingen van partij [geïntimeerde] in eerste aanleg gedaan in zijn geheel af te wijzen, met veroordeling van partij [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties".

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:

"het vonnis van de Rechtbank te bekrachtigen en de vorderingen van de man af te wijzen en de man te veroordelen in de kosten van het geding".

Voorts heeft [appellant] een akte genomen, waarna [geïntimeerde] een antwoordakte heeft genomen.

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft twaalf grieven opgeworpen.

De beoordeling

1. [appellant] heeft er in zijn inleiding op de grieven over geklaagd - zakelijk weergegeven - dat de voorzieningenrechter bij de vaststelling van de feiten in r.o. 2 van het beroepen vonnis onvolledig is geweest met betrekking tot een aantal "belangrijke punten".

2. Voorzover hierin een verholen grief ligt besloten die voldoet aan de eis dat deze alsdan behoorlijk in het geding naar voren moet zijn gebracht, overweegt het hof dat het door [appellant] gestelde met betrekking tot diens formele en/of feitelijke woonplaats niet tot de vaststaande feiten gerekend kan worden nu uit de stukken blijkt dat partijen daaromtrent verdeeld zijn, terwijl het gestelde met betrekking tot de totstandkoming en de beëindiging van de vennootschapsovereenkomst niet doorslaggevend geacht moet worden voor de uitkomst van de procedure.

3. Daarmee is het belang van [appellant] bij de klacht uitgeput.

4. Voor het overige is geen grief gericht tegen de vaststelling van de feiten door de voorzieningenrechter, zodat ook het hof van deze feiten zal uitgaan.

5. Het hof stelt bij de beoordeling van het onderhavige geschil in kort geding voorop dat, voorzover het in enige grief aangevochten oordeel van de voorzieningenrechter in het beroepen vonnis is gebaseerd op, samenhangt met of voortvloeit uit beslissingen die door de rechter zijn genomen in de bodemprocedure tot verdeling van de boedel, uitgangspunt is dat bij de te nemen beslissingen in kort geding aan het oordeel van de bodemrechter een aanmerkelijk gewicht dient te worden toegekend, in beginsel zonder dat daarbij de kans van slagen van het tegen die beschikking ingestelde rechtsmiddel dient te worden betrokken; daargelaten thans de situatie waarin daarbij sprake is van een kennelijke misslag of andere bijzondere omstandigheden, waaromtrent evenwel door [appellant] geen toereikende feiten of omstandigheden zijn gesteld noch anderszins zijn gebleken.

6. Met grief I keert [appellant] zich tegen het oordeel van de voorzieningenrechter - kortweg - dat het hem verboden is bij de uitoefening van het installatiebedrijf de naam "[appellant]" als (onderdeel van zijn) handelsnaam te bezigen, zulks binnen een omtrek van 75 km rond [plaatsnaam]. Grief II bevat de klacht dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat bij het publiek verwarring is te duchten indien beide ondernemingen in hun handelsnaam de aanduiding "[appellant]" zouden bezigen. Ook grief VI heeft betrekking op de (mogelijke) verwarring.

7. De in de grieven aangevallen oordelen dienen te worden beoordeeld in het licht van de toedeling aan [geïntimeerde] van het installatiebedrijf c.a. Uit de gedingstukken blijkt genoegzaam dat [appellant] tot kort vóór en deels ook ná de inleidende dagvaarding, nog de naam "[appellant]" in het economisch verkeer bezigde, zodat [geïntimeerde] voorshands een toereikend belang had bij het verkrijgen van een verbod dienaangaande. Voorts blijkt uit de toelichting op de grieven dat [appellant] de wens om de naam "[appellant]" als onderdeel van zijn handelsnaam te kunnen gebruiken, niet heeft laten varen, zodat mede op grond hiervan [geïntimeerde] ook thans nog belang heeft bij het desbetreffende verbod. Dat een reclamebord waarop de handelsnaam "[appellant]" is vermeld, volgens [appellant] zou toebehoren aan een derde, te weten [naamgenoot 1 appellant] die weigerde het woord [appellant] van het bord te verwijderen (zie blz. 3 van de memorie van grieven), dan wel dat het betreffende reclamebord mogelijkerwijs toebehoorde aan nóg weer een ander, te weten [naamgenoot 2 appellant] (zie productie 3 bij de memorie van grieven), maakt - wat daarvan verder ook zij nu zulks niet doorslaggevend is - het voorgaande niet anders.

8. Voorzover [appellant] in de toelichting op grief I aanvoert dat ofwel het verbod temporeel dient te worden gelimiteerd ofwel dat het geografische geldingsgebied van het verbod dient te worden beperkt, overweegt het hof voorshands dat [appellant] niet alleen ontoereikende gronden voor zodanige beperkingen aanvoert, doch met name ook dat uit zijn stellingen niet voorshands voortvloeit dat het verbod zoals dat door de rechtbank is opgelegd en dat samenhangt met de toedeling van de onderneming aan [geïntimeerde], buitenproportioneel is en niet aansluit bij de inhoud of de strekking van de Handelsnaamwet. Dat binnen het dorp [plaatsnaam] geen verwarring is te duchten omdat een ieder bekend zou zijn met het bestaan van twee aparte ondernemingen, kan - wat daarvan ook zij - reeds hierom niet tot vernietiging leiden nu in het verbod op het gebruik van de handelsnaam [appellant] in een omtrek van 75 km rond [plaatsnaam] ligt besloten dat de onderneming ook buiten [plaatsnaam] relaties en klanten heeft, welk feit door [appellant] niet genoegzaam is weersproken en overigens aansluit bij zijn toelichting op grief V waar hij aanvoert dat hij ook in de omgeving van [plaatsnaam] klanten heeft. Het voorgaande geldt op gelijke grond met betrekking tot hetgeen [appellant] bij grief VI (opnieuw) aanvoert, te weten dat geen verwarring is te duchten bij publiek en toeleveranciers. Voor een verdergaand onderzoek omtrent een en ander biedt de procedure in kort geding geen plaats.

9. De grieven missen doel.

10. In grief III keert [appellant] zich tegen het verbod om zakelijke activiteiten te verrichten, zoals het ontvangen van zakelijke post en het in ontvangst nemen van voor zijn bedrijf bestemde zaken binnen een cirkel van 1 km van het perceel [adres]. Ook grief IV waarin [appellant] - in algemene termen - erover klaagt dat de voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat voldoende is gebleken dat hij ([appellant]) onrechtmatig jegens [geïntimeerde] heeft gehandeld, heeft - gelet op het slot van de toelichting op deze grief - betrekking op hetzelfde onderwerp als grief III.

11. Het betreffende verbod heeft qua inhoud en werkingsgebied een zeer beperkte omvang, en moet voorts worden beoordeeld tegen de achtergrond van de toedeling aan [geïntimeerde] van het installatiebedrijf c.a. en het (gerechtvaardigde) verlangen van [geïntimeerde] dat verwarring omtrent beide ondernemingen dient te worden vermeden. Het gaat mitsdien niet (uitsluitend) om een non-concurrentiebeding dat naar stelling van [appellant] geen gelding zou kunnen ontlenen aan het vennootschapscontract zoals dat eertijds heeft bestaan. In dat licht bezien houdt het argument van [appellant] dat hij te [plaatsnaam] is geboren en getogen, geen steek nu voorshands genoegzaam uit de stukken naar voren komt dat hij in staat is in het levensonderhoud te voorzien door het elders verrichten van werkzaamheden. Evenmin kan zijn - door [geïntimeerde] bestreden - stelling dat andere installatiebedrijven te [plaatsnaam] het beter zouden doen dan dat van [geïntimeerde] en voorts dat het publiek zijn terugkeer als installateur zou toejuichen, leiden tot het voorlopig oordeel dat de bestreden beslissing onjuist is. Ook de bewering dat niet hij ([appellant]) onrechtmatig heeft gehandeld jegens [geïntimeerde], doch juist andersom, kan niet leiden tot gegrond bevinding van de grieven omdat - wat daarvan ook zij - zulks het tegendeel niet noodzakelijkerwijs uitsluit, terwijl [appellant] te dezer zake voorts geen (tegen)vordering heeft ingesteld. Al met al ontbreekt aan de zijde van [appellant] een toereikende onderbouwing van de grieven zodat reeds hierom niet tot vernietiging kan worden gekomen. De grieven zijn derhalve vergeefs voorgedragen.

12. Grief V strekt ten betoge dat de voorzieningenrechter het [appellant] ten onrechte heeft verboden oude klanten te benaderen.

13. Wederom beoordeeld tegen de achtergrond van de toedeling van de onderneming c.a. aan [geïntimeerde], acht het hof het voorshands strijdig met (de strekking van) zodanige toedeling dat het [appellant] thans vrij zou staan actief klanten te werven binnen het klantenbestand van de desbetreffende onderneming. Het argument dat [appellant] ter staving van ook deze klacht aanvoert, te weten dat een non-concurrentiebeding in het vennootschapscontract ontbreekt, is daarom niet voldoende om tot een ander (voorlopig) oordeel te komen. Ook het argument dat [appellant] zich niet bedient van klantenlijsten van het bedrijf doch zich beperkt tot hem van oudsher bekende adressen van klanten in [plaatsnaam] en omgeving, waarvoor het raadplegen van een telefoonboek toereikend is, maakt een en ander niet anders.

14. De grief faalt.

15. De grieven VII en VIII hebben betrekking op het perceel [adres]. Kort weergegeven heeft [appellant] bezwaar tegen het gebod tot het doen doorhalen van de inschrijvingen op genoemd adres van zijn onderneming en zijn woon- of verblijfsplaats in respectievelijk het handelsregister en de registers van de burgerlijke stand. Ook keert [appellant] zich tegen het verbod om binnen één jaar na betekening van het vonnis, te verblijven in of rond genoemd adres alsmede binnen een straal van 500 meter rondom het bedrijf van [geïntimeerde] en de voormalige echtelijke woning.

16. De bezwaren van [appellant] dienen te worden beoordeeld tegen (wederom) de achtergrond van de toedeling door de rechtbank van onder meer het bedrijfspand en de bedrijfswoningen aan [geïntimeerde]. Gelet op deze toedeling ontbeert [appellant] naar het voorlopig oordeel van het hof goede gronden om enig (voortgezet) persoonlijk of zakelijk gebruik te maken van meergenoemd perceel. Dat [geïntimeerde] als gevolg van de ligging van het pand geen zicht zou hebben op het gebruik door [appellant] van het perceel, gelijk [appellant] heeft aangevoerd, snijdt mitsdien geen hout, en hetzelfde geldt met betrekking tot de bewering van [appellant] dat hij elders te [plaatsnaam] geen deugdelijk post(bus)adres of enig (ander) woonadres kan krijgen.

17. Met betrekking tot het verbod te verblijven in of rond genoemd adres alsmede binnen een straal van 500 meter rondom het bedrijf van [geïntimeerde] en de voormalige echtelijke woning, overweegt het hof dat [appellant] door middel van overlegging van een kaart van [plaatsnaam] heeft aangetoond dat hem aldus nagenoeg de volledige toegang tot dit dorp is ontzegd. Nu evenwel uit de stukken genoegzaam blijkt dat in elk geval plaats is voor enige ordemaatregel ter voorkoming van onmin of agressie tussen partijen en/of hun naaste familieleden, zal het hof de "verboden zone" begrenzen tot 250 meter in plaats van 500 meter. In zoverre zal het bestreden vonnis worden vernietigd. Voor het overige missen de grieven doel.

18. De grieven IX en X betreffen op [appellant] gelegde plicht tot medewerking ten aanzien van de tenaamstelling en de registratie van de Peugeot en de Mitsubishi.

19. Nu uit de memorie van antwoord blijkt dat inmiddels is voldaan aan de in het beroepen vonnis neergelegde verplichtingen met betrekking tot bedoelde auto's, ontbreekt in zoverre het belang aan de zijde van [appellant] bij zijn vordering tot vernietiging van de inmiddels nagekomen veroordeling. De grieven treffen mitsdien geen doel.

20. Grief XI is gekeerd tegen de oplegging van dwangsommen, dan wel strekt deze grief tot het opleggen van lagere dwangsommen.

21. Gelet op de intensiteit en de duur van het geschil zoals dat uit de gedingstukken blijkt, acht het hof de door de voorzieningenrechter opgelegde dwangsommen en het daarvoor gestelde maximum passend. De grief mist doel.

22. Grief XII tenslotte betreft de kostenveroordeling. Geen van beide partijen bepleit een kostencompensatie, terwijl zij over en weer elkaars (volledige) veroordeling in de kosten vorderen.

23. Het hof is met de voorzieningenrechter van oordeel dat in de gegeven omstandigheden, te meer nu [appellant] ook in hoger beroep grotendeels in het ongelijk zal worden gesteld, er toereikende gronden bestaan om de kosten van beide instanties voor rekening van [appellant] te brengen (voor wat het hoger beroep betreft: 1 1/2 punt in tarief II).

24. De slotsom luidt dat - met uitzondering van hetgeen is neergelegd in rechtsoverweging 17 - het beroepen vonnis voor al het overige zal worden bekrachtigd.

25. Hetgeen partijen verder nog te berde hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds vervat dan wel als niet ter zake dienende, buiten bespreking blijven.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter te Zwolle d.d. 14 augustus 2007, waarvan beroep, doch uitsluitend voor wat de in het dictum van dat vonnis onder 5 genoemde straal van 500 meter betreft;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat in plaats van de onder 5 van het dictum van het beroepen vonnis genoemde straal van 500 meter, gelezen dient te worden: een straal van 250 meter, zulks onder handhaving van al hetgeen overigens onder 5 is bepaald;

bekrachtigt voor al het overige het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 300,-- aan verschotten en € 1.341,-- voor salaris.

Aldus gewezen door mrs. Knijp, voorzitter, Telman en Peper, raden,

en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 5 augustus 2008 in bijzijn van de griffier.