Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BD9778

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
06-08-2008
Datum publicatie
12-08-2008
Zaaknummer
Oud rekestnummer: 08/00120 (Nieuw rekestnummer: 107.004.766/01)
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nadere overeenkomst bij echtscheidingsconvenant.

'Aldus lopen de visies van de man en de vrouw over de reden en de strekking van de nadere overeenkomst principieel uiteen. Er zijn naar het oordeel van het hof onvoldoende aanknopingspunten voor de opvatting dat de vrouw niettemin mocht verwachten dat de man zou doorgaan met de betaling van de € 200,-- per maand en dat de man van zijn kant had behoren te begrijpen dat hij aldus diende te handelen. Veeleer acht het hof het, in het licht van het bepaalde van artikel 2 van het echtscheidingsconvenant en hetgeen hierna bij de bespreking van de subsidiaire stelling van de vrouw zal worden overwogen, met de rechtbank aannemelijk dat de man de vrouw slechts voor een beperkte periode ondersteuning heeft willen bieden. Daarbij betrekt het hof voorts dat de door de man aan de vrouw tot augustus 2006 betaalde bijdrage lager is dan het sedert die datum aan haar uitgekeerde deel van het nog niet verevende deel van het ouderdomspensioen ten bedrage van € 228, 88 per maand, hetgeen de door de man voorgestane uitleg ondersteunt. Bij die stand van zaken lag het op de weg van de vrouw zo mogelijk nadere feiten en omstandigheden te stellen die haar uitleg zouden ondersteunen, doch in elk geval bewijs aan te bieden dat partijen zijn overeengekomen zoals zij stelt. Zij heeft noch het een, noch het ander gedaan en tijdens de mondelinge behandeling voor het hof desgevraagd zelfs naar voren gebracht dat zij het bewijs niet kan leveren. Dit brengt mee dat de door de vrouw aan de nadere overeenkomst gegeven uitleg omtrent reden en strekking dient te worden verworpen. Bij zijn oordeel als hiervoor weergegeven heeft het hof betrokken dat partijen bij het opmaken/ sluiten van het convenant juridische bijstand hebben gehad van een advocaat.'

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 6 augustus 2008 bij vervroeging

Oud rekestnummer: 08/00120

Nieuw rekestnummer: 107.004.766/01

HET GERECHTSHOF TE ARNHEM

(nevenzittingsplaats Leeuwarden)

Beschikking in de zaak van:

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. F.J. Boom,

advocaat mr. P.A.J. van Putten,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. A.T. Bolt,

advocaat mr. A.H.H. Nauta.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 13 november 2007 heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad, de verzoeken van de vrouw afgewezen die kort gezegd strekten tot veroordeling van de man haar met ingang van 1 september 2006 alimentatie te betalen.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, ingekomen op 12 februari 2008, heeft de vrouw verzocht deze beschikking te vernietigen en opnieuw te beslissen zoals in dat beroepschrift is omschreven. De man heeft dit bestreden bij verweerschrift, ingekomen op 5 maart 2008. Nadien is nog een brief van mr. Boom met bijlagen op 28 februari 2008 binnengekomen, alsmede een brief van mr. Van Putten met bijlagen op 15 juli 2008. De zaak is behandeld ter zitting van 17 juli 2008.

De beoordeling

Het hof ziet aanleiding de grieven van de vrouw gezamenlijk te bespreken.

Partijen zijn bij echtscheidingsconvenant van 28 september 2005 onder meer het volgende overeengekomen:

'Artikel 2, algemeen: De vrouw doet, onder de hierna in de volgende artikelen te formuleren verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, uitdrukkelijk afstand van enige mogelijke alimentatiebetaling van de man aan de vrouw als bijdrage in haar levensonderhoud. Dit aangezien de man nadrukkelijk afstand doet van de overwaarde in de echtelijke koopwoning die hierna aan de vrouw toegedeeld wordt en zodoende tot een eenmalige afkoop van de /verrekening van een alimentatieverplichting van de man aan de vrouw gekomen wordt. De man doet op gelijke wijze afstand van enige mogelijke aanspraak op een eventuele bijdrage in zijn levensonderhoud'.

Primair stelt de vrouw zich op het standpunt dat partijen deze afspraak bij nadere overeenkomst hebben gewijzigd. Op grond van die nadere overeenkomst heeft de man vanaf medio 2006 tot augustus 2006 een bedrag van € 200,-- aan de vrouw betaald als bijdrage tot haar levensonderhoud. De reden hiervan was volgens de vrouw dat zij alle schulden op zich had genomen en de overwaarde van de woning daartegen niet opwoog. In de afspraak lag, zo begrijpt het hof haar stelling, besloten dat de man het bedrag van € 200,-- voor onbepaalde tijd zou blijven doorbetalen. Partijen hebben - 'klaarblijkelijk', zo stelt zij - gekozen voor een 'andersoortige regeling', waarmee zij kennelijk bedoelt: een regeling die substantieel afwijkt van het convenant.

De man bestrijdt dit standpunt gemotiveerd. Hij erkent weliswaar dat partijen een nadere overeenkomst hebben gesloten, maar die had een tijdelijk karakter. De vrouw had naar zijn mening te weinig inkomen in de periode dat zij nog niet het verevend deel van het ouderdomspensioen van de man ontving. Sinds 1 augustus 2006 ontvangt zij uit dien hoofde bruto € 228,88. De man had naar zijn zeggen geen andere bedoeling bij de nadere overeenkomst dan de vrouw voor die beperkte periode tegemoet te komen. De redenen die de vrouw voor het sluiten van die overeenkomst heeft genoemd gaan niet op. Het is volgens de man niet waar dat de vrouw alle (huwelijkse) schulden voor haar rekening heeft genomen en de overwaarde bood naar zijn mening juist voldoende tegenwicht. In zijn visie hebben partijen bij het sluiten van de nadere overeenkomst dus niet de bedoeling gehad af te wijken van het bepaalde in het echtscheidingsconvenant.

Aldus lopen de visies van de man en de vrouw over de reden en de strekking van de nadere overeenkomst principieel uiteen. Er zijn naar het oordeel van het hof onvoldoende aanknopingspunten voor de opvatting dat de vrouw niettemin mocht verwachten dat de man zou doorgaan met de betaling van de € 200,-- per maand en dat de man van zijn kant had behoren te begrijpen dat hij aldus diende te handelen. Veeleer acht het hof het, in het licht van het bepaalde van artikel 2 van het echtscheidingsconvenant en hetgeen hierna bij de bespreking van de subsidiaire stelling van de vrouw zal worden overwogen, met de rechtbank aannemelijk dat de man de vrouw slechts voor een beperkte periode ondersteuning heeft willen bieden. Daarbij betrekt het hof voorts dat de door de man aan de vrouw tot augustus 2006 betaalde bijdrage lager is dan het sedert die datum aan haar uitgekeerde deel van het nog niet verevende deel van het ouderdomspensioen ten bedrage van € 228, 88 per maand, hetgeen de door de man voorgestane uitleg ondersteunt. Bij die stand van zaken lag het op de weg van de vrouw zo mogelijk nadere feiten en omstandigheden te stellen die haar uitleg zouden ondersteunen, doch in elk geval bewijs aan te bieden dat partijen zijn overeengekomen zoals zij stelt. Zij heeft noch het een, noch het ander gedaan en tijdens de mondelinge behandeling voor het hof desgevraagd zelfs naar voren gebracht dat zij het bewijs niet kan leveren. Dit brengt mee dat de door de vrouw aan de nadere overeenkomst gegeven uitleg omtrent reden en strekking dient te worden verworpen. Bij zijn oordeel als hiervoor weergegeven heeft het hof betrokken dat partijen bij het opmaken/ sluiten van het convenant juridische bijstand hebben gehad van een advocaat.

Subsidiair stelt de vrouw dat zich een ingrijpende wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan waardoor ongewijzigde handhaving van hetgeen in het echtscheidingsconvenant is opgenomen naar redelijkheid en billijkheid niet kan worden gevergd. Partijen zijn weliswaar niet een zogenoemd 'beding van niet-wijziging' overeengekomen, maar het hof is - kennelijk met partijen - van oordeel dat voor een wijziging van het bepaalde in artikel 2 van de echtscheidingsconvenant - waarin de vrouw toch uitdrukkelijk en zonder enig voorbehoud afstand heeft gedaan van haar aanspraken op alimentatie - ook de maatstaf moet gelden die in artikel 1: 159, derde lid, BW is gesteld voor het beding van niet-wijziging.

Ook op dit punt deelt het hof de zienswijze van de rechtbank. De vrouw heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit een ingrijpende wijziging als hiervoor bedoeld kan blijken. Uit de gegevens die de vrouw wel heeft verstrekt, blijkt inderdaad zelfs, zoals de rechtbank al heeft overwogen, dat zij door inkomsten uit arbeid zelf in haar levensonderhoud kan voorzien. Tegenover het gemotiveerde verweer van de man, dat de positie van zijn nieuwe partner niet heeft geleid tot verhoging van zijn draagkracht, juist tot verlaging daarvan, heeft de vrouw onvoldoende ingebracht.

Tijdens de mondelinge behandeling is de vrouw ten slotte nog geconfronteerd met een summiere eigen berekening van het hof waaruit zou volgen dat de vrouw een draagkrachtruimte van enkele honderden euro's zou hebben en de man in het geheel geen of mogelijk zelfs een negatieve draagkrachtruimte. Zij heeft daartegen niets ingebracht. Het subsidiaire uitgangspunt van de vrouw treft dus evenmin doel.

Slotsom

Geen van de grieven van de vrouw slaagt. De bestreden beschikking moet worden bekrachtigd.

Het hof is van oordeel dat de vrouw de man lichtvaardig in het hoger beroep heeft betrokken. Zij had op grond van de beschikking van de rechtbank moeten begrijpen dat hoge eisen gelden voor de stel- en bewijsplicht in een geval als het onderhavige, waarin de vrouw bij echtscheidingsconvenant zonder voorbehoud afstand heeft gedaan van haar aanspraken op een bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud. In hoger beroep kwam haar opstelling neer op een herhaling van de zetten die zij in de eerste aanleg al tevergeefs had gedaan, terwijl de beschikking van de rechtbank op basis van de toen in het geding gebrachte feiten en omstandigheden geenszins kennelijk onjuist was en zij dat had behoren te begrijpen. Het hof ziet hierin aanleiding de vrouw te veroordelen tot betaling van de kosten die aan de zijde van de man in hoger beroep gevallen zijn.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

veroordeelt de vrouw tot betaling van de kosten van het hoger beroep aan de zijde van de man gevallen, tot deze uitspraak begroot op € 254,-- voor verschotten en € 1988,-- voor salaris van de procureur.

Aldus gegeven door mrs. Hermans, Melssen en Peper en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 6 augustus 2008 bij vervroeging in het bijzijn van de griffier.