Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BD9722

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
29-04-2008
Datum publicatie
08-08-2008
Zaaknummer
200.002.149
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing in gesloten jeugdzorg, art 29b WJZ; verklaring inhoudend instemming van een gedragswetenschapper wordt eerst in hoger beroep overgelegd; t.a.v. instemmingsvereiste minderjarige wordt geanticipeerd op de voorgenomen wetswijziging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

29 april 2008

Familiekamer

Zaaknummer 200.002.149

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Beschikking

in de zaak van:

[verzoeker],

thans verblijvende te [woonplaats],

verzoeker, verder te noemen “[verzoeker]”,

procureur mr. J.P.J. Botterblom,

tegen

stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland

gevestigd te Ede,

verweerster, verder te noemen “de stichting”.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Arnhem van 16 januari 2008, uitgesproken onder zaak/rekestnummer 164924 JE RK 08-15019.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 14 februari 2008, is [verzoeker] in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Hij verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en het verzoek van de stichting om haar te machtigen [verzoeker] uit huis te plaatsen af te wijzen.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 13 maart 2008, heeft de stichting het verzoek in hoger beroep van [verzoeker] bestreden. De stichting verzoekt het hof de bestreden beschikking inzake verlenging machtiging uithuisplaatsing in een voorziening voor gesloten jeugdzorg te bekrachtigen.

2.3 De mondelinge behandeling heeft op 3 april 2008 plaatsgevonden. [verzoeker] is in persoon verschenen, bijgestaan zijn procureur. Namens de stichting zijn [A.], mr. [B.] en [C.] verschenen. Hoewel behoorlijk opgeroepen zijn [de vader], verder te noemen “de vader” en [de moeder], verder te noemen “de moeder” niet verschenen.

2.4 Het hof heeft kennis genomen van de overige stukken, waaronder een door de stichting tijdens de mondelinge behandeling overgelegd stuk, te weten een verklaring van de stichting dat gesloten jeugdzorg noodzakelijk is. Desgevraagd heeft mr. Botterblom tijdens de mondelinge behandeling meegedeeld dat hij voldoende heeft kennisgenomen van die verklaring, dat hij zich voldoende heeft kunnen voorbereiden op een verweer daartegen en dat hij instemt met overlegging van die verklaring. Het hof slaat daarom ook acht op die verklaring.

3 De vaststaande feiten

3.1 [verzoeker] is op [geboortedatum] 1992 geboren uit het huwelijk van de vader en de moeder. De vader en de moeder zijn sinds maart 2005 gescheiden. De moeder is alleen belast met het gezag over [verzoeker].

3.2 [verzoeker] is onder toezicht gesteld van de stichting. De termijn van de ondertoezichtstelling is bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Arnhem van 27 juni 2007 met een periode van één jaar verlengd tot 28 juni 2008.

3.3 De stichting heeft op 18 juli 2007 en op 15 januari 2008 een indicatiebesluit genomen als bedoeld in artikel 6 lid 1 van de Wet op de jeugdzorg.

3.4 Bij beschikking van 19 juli 2007 heeft genoemde kinderrechter een machtiging verleend tot plaatsing van [verzoeker] in een justitiële jeugdinrichting, met ingang van 18 juli 2007 en voor de duur van vier weken.

3.5 Bij beschikking van 7 augustus 2007 heeft genoemde kinderrechter machtiging verleend tot plaatsing van [verzoeker] in een justitiële jeugdinrichting, overeenkomstig voormeld indicatiebesluit van 18 juli 2007, ingaande op 15 augustus 2007 tot uiterlijk 15 september 2007.

3.6 Bij beschikking van 12 september 2007 heeft genoemde kinderrechter machtiging verleend tot plaatsing van [verzoeker] in een justitiële jeugdinrichting, overeenkomstig voormeld indicatiebesluit van 18 juli 2007, ingaande op 15 september 2007 tot uiterlijk 2 oktober 2007, welke termijn -op verzoek van de stichting- bij beschikking van 2 oktober 2007 is verlengd tot uiterlijk 18 januari 2008.

3.7 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Arnhem op 2 januari 2008, heeft de stichting verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor gesloten jeugdzorg van [verzoeker] verzocht. Bij de bestreden -uitvoerbaar bij voorraad verklaarde- beschikking heeft de kinderrechter de termijn van machtiging tot uithuisplaatsing van [verzoeker] in een voorziening voor gesloten jeugdzorg verlengd overeenkomstig voormeld indicatiebesluit van 15 januari 2008, ingaande op 18 januari 2008 tot uiterlijk 28 juni 2008.

3.8 [verzoeker] verbleef tot 21 januari 2008 in De Sprengen te Zutphen. [verzoeker] is sinds 21 januari 2008 geplaatst in RIJ Den Engh in Den Dolder.

4 De motivering van de beslissing

4.1 Ingevolge artikel 29a WJZ kan [verzoeker] in zijn verzoek in hoger beroep worden ontvangen.

4.2 Tot 1 januari 2008 werd een machtiging tot plaatsing in een justitiële jeugdinrichting ingevolgde artikel 1:261 lid 5 BW slechts verleend indien zij was vereist wegens ernstige gedragsproblemen van de minderjarige.

4.3 Met ingang van 1 januari 2008 is in werking getreden de Wet van 20 december 2007, houdende wijziging van de Wet op de jeugdzorg met betrekking tot jeugdzorg waarop aanspraak bestaat ingevolge de wet in gesloten setting (gesloten jeugdzorg) (Staatsblad 2007, nrs. 578 en 579). Ingevolge artikel VII lid 1 van deze wet geldt een verzoek om een machtiging als bedoeld in artikel 1:261 lid 5 BW, ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, met ingang van dat tijdstip als een verzoek om een machtiging als bedoeld in artikel 29b WJZ. Nu [verzoeker] als gevolg van deze wetswijziging sinds 1 januari 2008 op grond van artikel 29b van de Wet op de jeugdzorg, juncto artikel 1, sub e, van de Regeling aanwijzing accommodaties voor gesloten jeugdzorg (Besluit van de Minister voor Jeugd en Gezin en de Minister van Justitie van 19 december 2007, Staatscourant 21 december 2007, nr. 248, p. 248), in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg verblijft, moet het, mede gelet op de Memorie van Toelichting bij het hiervoor genoemde artikel VII lid 2 (TK, 2005-2006, 30664, nr. 3, p. 32), ervoor worden gehouden dat het de bedoeling van de wetgever is dat het hoger beroep op de grondslag van (het nieuwe) artikel 29b WJZ zal worden beoordeeld.

4.4 Ingevolge artikel 29b lid 1 WJZ kan de kinderrechter op verzoek een machtiging verlenen om een jeugdige in een accommodatie als bedoeld in artikel 29k WJZ, het daarbij behorende terrein daaronder begrepen, te doen opnemen en te doen verblijven, ongeacht of de jeugdige daarmee instemt. Ingevolge artikel 29b lid 2 WJZ kan een machtiging slechts worden verleend indien:

a. de jeugdige onder toezicht is gesteld,

b. de voogdij over de jeugdige berust bij een stichting, of

c. degene die, anders dan bedoeld onder b, het gezag over hem uitoefent, met de opneming en het verblijf instemt.

4.5 Een machtiging kan ingevolge artikel 29b lid 3 WJZ bovendien slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter de jeugdige ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen heeft die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken. Ingevolge artikel 29b lid 4 WJZ kan een machtiging voorts slechts worden verleend indien de betrokken stichting een besluit als bedoeld in artikel 6 lid 1 WJZ heeft genomen, dat strekt tot verblijf niet zijnde verblijf bij een pleegouder, en heeft verklaard dat zich een geval als bedoeld in het derde lid van artikel 29b WJZ voordoet. Deze verklaring behoeft ingevolge artikel 29b lid 5 WJZ de instemming van een gedragswetenschapper, behorende tot een bij regeling van Onze Ministers aangewezen categorie, die de jeugdige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht.

4.6 Ingevolge artikel 29h lid 3 WJZ bepaalt de kinderrechter de geldigheidsduur van de machting op ten hoogste de termijn gedurende welke de jeugdige aanspraak heeft op het verblijf.

4.7 Ingevolge artikel VII lid 4 van de wijzigingswet WJZ gesloten jeugdzorg kan een machtiging als bedoeld in artikel 29b lid 1 of artikel 29c WJZ, in afwijking van artikel 29k lid 1 en onverminderd het tweede lid van dat artikel, tot 1 januari 2010 ten uitvoer worden gelegd in een justitiële jeugdinrichting (verder te noemen “JJI”) als bedoeld in het derde lid, indien er geen plaats is in een accommodatie als bedoeld in artikel 29k lid 1 WJZ. In een dergelijk geval is lid 3 van artikel VII van de wijzigingswet WJZ van overeenkomstige toepassing. In artikel VII lid 3 van genoemde wet is bepaald dat de verleende machtiging ten uitvoer kan worden gelegd in een JJI, mits met instemming van de jeugdige en degene die het gezag over hem uitoefent. [verzoeker] voert aan dat hij en zijn ouders geen instemming hebben verleend voor een verblijf in een JJI, zodat niet aan het instemmingsvereiste is voldaan. Het hof overweegt als volgt.

4.8 De verantwoordelijke ministers hebben inmiddels aangegeven dat met betrekking tot de vereiste instemming sprake is van een onvolkomenheid in de overgangsbepalingen van artikel VII wijzigingswet WJZ gesloten jeugdzorg. Mede in verband hiermee is op 29 februari 2008 bij de Tweede Kamer ingediend het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op de jeugdzorg en de Wet van 20 december 2007, Stb. 578 (Reparatiewet gesloten jeugdzorg), nr. 31.375. Bij dit wetsvoorstel wordt onder meer voorgesteld artikel VII lid 3 van de wijzigingswet WJZ gesloten jeugdzorg aldus te wijzigen dat de vereiste instemming van de jeugdige en diens gezaghebbende ouder(s) met een verblijf in een JJI komt te vervallen. Uit de Memorie van Toelichting bij dit wetsvoorstel (TK, 2007-2008, 31.373, nr. 3) maakt het hof het volgende op:

“(…)

Het bij de wet gesloten jeugdzorg opgenomen overgangsrecht eist voor plaatsing van een jeugdige met een machtiging gesloten jeugdzorg in een justitiële jeugdinrichting, de instemming van de jeugdige en van degene die het gezag over hem uitoefent. Het afhankelijk maken van de plaatsing van de instemming van de jeugdige of degene die het gezag over hem heeft, doorkruist het beleid rond plaatsing van kwetsbare jeugdigen. Dit kan tot gevolg hebben dat een jeugdige die weigert in een justitiële inrichting geplaatst te worden, lang op een plek in de gesloten jeugdzorg moet wachten. Het is in het belang van de jeugdige dat hij zo spoedig mogelijk de behandeling krijgt die hij nodig heeft. Dit belang kan met het instemmingsvereiste in gevaar komen, als er wel een plek beschikbaar is in justitiële jeugdinrichting, maar niet in de gesloten jeugdzorg. Het voorgestelde artikel II strekt ertoe het instemmingsvereiste dat is opgenomen in artikel VII, derde lid, tweede volzin, te schrappen. (…)”

Het wetsvoorstel is op 13 maart 2008 zonder beraadslaging, na goedkeuring van de onderdelen, zonder stemming aangenomen. Het ligt thans ter behandeling in de Eerste Kamer.

4.9 Het hof ziet gelet op het bovenstaande aanleiding om te anticiperen op de inwerkingtreding van het hiervoor genoemde wetsvoorstel. De vraag of er geanticipeerd zou moeten worden, is ter mondelinge behandeling aan de orde geweest en partijen hebben zich daarover uitgelaten. Het hof acht het in het belang van [verzoeker] dat de naar verwachting op korte termijn in werking tredende wetswijziging thans reeds wordt gevolgd. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat bij een afweging van de belangen van de jeugdige, zoals ook in de Memorie van Toelichting wordt genoemd, het hof het van groter belang acht dat de voor de jeugdige te verlenen machtiging ten uitvoer kan worden gelegd in een JJI, dan dat de jeugdige als gevolg van een strikte handhaving van het thans nog geldende artikel VII lid 3 wijzigingswet WJZ gesloten jeugdzorg verstoken zal blijven van een voor hem meest aangewezen verblijf- en behandelplek.

4.10 De hiervoor onder 4.3 genoemde onmiddellijke werking van de wijzigingswet WJZ gesloten jeugdzorg houdt naar het oordeel van het hof in dat een verzoek, ingediend vóór 1 januari 2008, aan de vereisten moet voldoen als genoemd in artikel 29b WJZ, zoals onder meer het in artikel 29b lid 5 WJZ genoemde vereiste van de instemming van een gedragswetenschapper. Het hof stelt vast dat bij het door de kinderrechter in eerste aanleg toegewezen verzoek van de stichting geen verklaring van de stichting gevoegd was met daarbij de instemming van een gedragswetenschapper zoals bedoeld in artikel 29b lid 4 en 5. Dit had naar het oordeel van het hof moeten leiden tot het niet-ontvankelijk verklaren van de stichting in haar verzoek. Daar komt bij dat de kinderrechter bij het geven van de bestreden beschikking niet heeft onderkend dat op de beoordeling van het inleidend verzoek inmiddels artikel 29b WJZ van toepassing was. Het hof zal hierna ingaan op de vraag of en in hoeverre het een en ander thans in hoger beroep consequenties heeft.

4.11 Allereerst stelt het hof vast dat [verzoeker] onder toezicht is gesteld. Aan het vereiste van artikel 29b lid 2 WJZ is dan ook voldaan, nu uit de Memorie van Toelichting bij artikel 29b lid 2 (TK, 2005-2006, 30664, nr. 3, p. 20) blijkt dat een machtiging alleen kan worden verleend als het gaat om een jeugdige die ofwel onder toezicht is gesteld, of onder voogdij staat van de stichting, ofwel ten aanzien van wie de ouder met het gedwongen verblijf instemmen.

4.12 Door GZ-psycholoog drs. [D.] van het NIFP te Arnhem is op verzoek van de officier van jusititie te Arnhem een psychologisch onderzoek van [verzoeker] verricht. Uit het onderzoeksrapport van 6 juli 2007 van [verzoeker] blijkt dat bij hem sprake is van een lichte zwakzinnigheid en een gedragsstoornis volgens de DSM-IV classificatie. Samenhangend hiermee vertoont [verzoeker] een zwakke agressieregulatie, zwakke impulscontrole, beïnvloedbaarheid en een onrijp geweten. [verzoeker] beschikt in probleemsituaties over onvoldoende coping-vaardigheden. In stresssituaties ontwikkelt hij snel gevoelens van boosheid en agressie die hij onvoldoende onder controle heeft. Hij kan dan met heftig verbaal en fysiek agressief gedrag reageren. In de omgang met leeftijdgenoten is hij kwetsbaar en gevoelig voor negatieve beïnvloeding. [verzoeker] wil zich ten aanzien van zijn vrienden bewijzen en reageert dan al gauw met stoer gedrag. Ook speelt zijn Marokkaanse culturele achtergrond hierbij een rol. Daarnaast wordt hij door zijn onrijp functionerend geweten van binnenuit onvoldoende afgeremd in zijn grensoverschrijdend handelen, hetgeen zich in het verleden heeft geuit in het plegen van strafbare feiten. Gezien de reeds jarenlang bestaande zorgelijke ontwikkeling van [verzoeker], de aard van zijn problematiek en de pedagogische onmacht van de ouders concludeert drs. [D.] dat hulpverlening dringend gewenst is. De verschillende vormen van ambulante hulpverlening die hem tot op heden zijn geboden, hebben onvoldoende effect gehad en hebben een verder derailleren met anti-sociaal gedrag niet kunnen voorkomen. Gezien zijn problematiek (en risico van wegloopgedrag) wordt geadviseerd zijn behandeling te beginnen in een gesloten plaatsing.

4.13 Zoals onder 3.3 is weergegeven heeft de stichting op 15 januari 2008 een indicatiebesluit genomen als bedoeld in artikel 6 lid 1 WJZ. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling is door de stichting een verklaring overgelegd waaruit blijkt dat gesloten jeugdzorg voor [verzoeker] noodzakelijk is. Daarbij wordt verwezen naar de instemmingsverklaring van de gedragsdeskundige drs. [E.] van 5 maart 2008 waaruit blijkt dat deze [verzoeker] heeft onderzocht en dat er bij hem sprake is van ernstige opvoedings- en ontwikkelingsproblemen die de ontwikkeling naar de volwassenheid ernstig belemmeren. Ook de gedragsdeskundige is van mening dat het noodzakelijk is dat [verzoeker] in een gesloten jeugdzorginstelling wordt geplaatst. Hoewel genoemde instemmingsverklaring niet door de betreffende gedragsdeskundige zelf is ondertekend, is het hof van oordeel dat aan de vereisten van artikel 29b leden 3, 4 en 5 WJZ is voldaan.

4.14 Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, is het hof van oordeel dat bij [verzoeker] sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat [verzoeker] zich aan de zorg die hij nodig heeft, zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken.

Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [verzoeker] de thans ingezette behandeling in Den Engh goed doorloopt. Nu thans in hoger beroep aan de in artikel 29b WJZ genoemde vereisten en aan het daarin genoemde criterium is voldaan en het hof het niet in het belang van [verzoeker] acht dat zijn behandeling wordt stopgezet, ziet het hof op grond van het zwaarwegende belang van [verzoeker] aanleiding, ondanks hetgeen hiervoor onder 4.10 is overwogen, de bestreden beschikking te bekrachtigen onder verbetering en aanvulling van gronden, met dien verstande dat met ingang van 1 januari 2008 de machtiging tot plaatsing van [verzoeker] in een instelling voor gesloten jeugdzorg gebaseerd is op artikel 29b WJZ.

5 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Arnhem van 16 januari 2008.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Rijken, Ter Veer en Verheugt, bijgestaan door mr. De Ruiter-Kok als griffier, en is op 29 april 2008 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.