Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BD8650

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
15-04-2008
Datum publicatie
28-07-2008
Zaaknummer
104.007.970
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De moeder heeft tegenover de betwisting door de vader naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk gemaakt dat de in de bestreden beschikking vastgestelde omgangsregeling praktisch niet uitvoerbaar is en dat het gevolg daarvan is dat aan die omgangsregeling feitelijk geen uitvoering is gegeven sinds zij met de kinderen naar Schotland is verhuisd. Ingevolge die omgangsregeling zouden de kinderen éénmaal per maand van vrijdagmiddag tot zondag- of maandagavond bij de vader verblijven. De praktijk leert dat de kinderen meer tijd onderweg zijn van huis naar de vader en weer terug, dan zij aan feitelijke contacturen hebben met de vader en de andere kinderen. Deze omgangsregeling acht het hof met de moeder te belastend voor de kinderen en daardoor niet in hun belang. Naar aanleiding van de schoolvakanties van de kinderen in Schotland heeft de moeder een andere frequentie van de omgangsregeling voorgesteld. Bij deze frequentie hebben de kinderen meer contacturen met de vader en de andere kinderen van partijen en hebben de kinderen na afloop van die omgangsregeling voldoende gelegenheid om weer tot rust te komen in hun thuissituatie omdat de omgang dan plaatsvindt in de schoolvakanties van de kinderen. Het hof zal daarom de door de moeder voorgestelde omgangsregeling tussen de vader en de kinderen vaststellen, welke regeling het hof in het belang van de kinderen wenselijk acht. Bij deze omgangsregeling kan de communicatie tussen partijen beperkt blijven, hetgeen kan leiden tot rust in de gezinssituatie van beide partijen en op termijn tot een minder verstoorde communicatie. Dat de schoolvakanties in Schotland niet aansluiten bij de schoolvakanties hier in Nederland, zoals de vader als bezwaar tegen de door de moeder voorgestelde omgangsregeling heeft aangevoerd, doet niet af aan voormelde beslissing van het hof nu de vader tevens heeft aangevoerd dat hij zijn werktijden kan aanpassen wanneer de kinderen bij hem komen.

De vader zal de kinderen halen en brengen naar Schiphol nu hij tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft verklaard daartegen geen bezwaar te hebben.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15 april 2008

Familiekamer

Rekestnummer 104.007.970

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Beschikking

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in het principaal beroep,

verweerder in het incidenteel beroep,

verder te noemen “de vader”,

procureur mr. M.M.P. Gerrits,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats], Schotland,

verweerster in het principaal beroep,

verzoekster in het incidenteel beroep,

verder te noemen “de moeder”,

procureur mr. M.P.L.M. Buijsrogge.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Arnhem van 21 augustus 2007, uitgesproken onder zaak/rekestnummer 156540 / FA RK 07-11337.

2 Het geding in het principaal en het incidenteel beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 20 november 2007, is de vader in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De vader verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en te bepalen dat primair de drie jongste dochters van partijen, [kind 7], [kind 8] en [kind 9] hun gewone verblijfplaats bij hem krijgen, subsidiair, het de moeder niet toegestaan is met die kinderen te vertrekken uit Nederland en zich te vestigen in Schotland, meer subsidiair de bestreden beschikking te bekrachtigen naar het hof begrijpt ten aanzien van de daarbij vastgestelde omgangsregeling tussen deze kinderen en de vader, kosten rechtens.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 12 februari 2008, heeft de moeder het verzoek in hoger beroep van de vader bestreden. Daarbij heeft de moeder tevens incidenteel beroep ingesteld. De moeder verzoekt het hof bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, in het principaal hoger beroep de verzoeken van de vader af te wijzen en in het incidenteel hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende de beschikking van de rechtbank Arnhem van 29 september 2003 te wijzigen en te bepalen dat de vader recht heeft op omgang met de drie jongste dochters in de vakanties van die kinderen van

- vrijdag 8 februari 2008 tot en met dinsdag 13 februari 2008 (mid-term-break);

- donderdag 20 maart 2008 tot en met dinsdag 25 maart 2008 (easter);

- vrijdag 16 mei 2008 tot en met 20 mei 2008 (spring holiday);

- zaterdag 28 juni 2008 tot en met zaterdag 12 juli 2008 (summer holiday);

- vrijdag 12 september 2008 tot en met maandag 15 september 2008 (autumn holiday);

- vrijdag 17 oktober 2008 tot en met dinsdag 21 oktober 2008 (mid-term-holiday);

- maandag 29 januari 2008, naar het hof begrijpt 29 december 2008, tot en met 3 januari 2009 (christmas holiday), een en ander onder de voorwaarde dat de vader zijn medewerking verleent aan afgifte van een identiteitskaart voor die kinderen en hij de kinderen ophaalt en terugbrengt van en naar Schiphol,

alsmede te bepalen dat de omgangsregeling in 2009 en volgende jaren eveneens zal plaats vinden tijdens die vakanties, in overleg vast te stellen, te bepalen dat de moeder steeds aan het begin van het schooljaar een concreet voorstel aan de vader doet, waarbij de vader uiterlijk op 15 oktober daaropvolgend reageert, en de vader de kinderen van Schiphol haalt en naar Schiphol terugbrengt, met veroordeling van de vader in de kosten van de procedure in beide instanties.

2.3 De mondelinge behandeling heeft op 13 maart 2008 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, beiden bijgestaan door hun procureur. Namens de Raad voor de Kinderbescherming te Arnhem (verder te noemen “de raad”) is geen vertegenwoordiger verschenen.

2.4 Het hof heeft kennis genomen van de overige stukken, waaronder het rapport van de raad van 19 augustus 2003, een brief van 3 maart 2008 van de procureur van de vader met bijlagen, een brief van 4 maart 2008 van de procureur van de moeder met bijlagen, en de door de vader tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep overgelegde brief van 9 maart 2008 van mevrouw drs. [A.], sociaal pedagoog en buurvrouw van de familie [verzoeker]. Desgevraagd heeft de procureur van de vader tijdens de mondelinge behandeling meegedeeld dat hij voldoende heeft kennisgenomen van bij brief van 4 maart 2008 overgelegde bijlagen, dat hij zich voldoende heeft kunnen voorbereiden op een verweer daartegen en dat hij instemt met overlegging van die bijlagen. De procureur van de moeder heeft desgevraagd ingestemd met overlegging van voormelde brief van 9 maart 2008. Het hof slaat daarom ook acht op deze producties.

3 De vaststaande feiten

3.1 Partijen zijn op 1 juni 1983 met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

- [kind 1], verder te noemen “[kind 1]”, op [geboortedatum] 1984;

- [kind 2], verder te noemen “[kind 2]”, op [geboortedatum] 1986;

- [kind 3], verder te noemen “[kind 3]”, op [geboortedatum] 1987;

- [kind 4], verder te noemen “[kind 4]”, op [geboortedatum] 1990;

- [kind 5], verder te noemen “[kind 5]”, op [geboortedatum] 1991;

- [kind 6], verder te noemen “[kind 6]”, op [geboortedatum] 1993;

- [kind 7], verder te noemen “[kind 7]”, op [geboortedatum] 1997;

- [kind 8], verder te noemen “[kind 8]”, op [geboortedatum] 1999 en

- [kind 9], verder te noemen “[kind 9]”, eveneens op [geboortedatum] 1999.

3.2 Bij beschikking van 1 november 2001 heeft de rechtbank Arnhem echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 15 november 2001 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Bij die beschikking heeft die rechtbank onder meer het gezamenlijk gezag van partijen over de kinderen gehandhaafd, en de beslissingen omtrent de gewone verblijfplaats van de kinderen en de omgangsregeling aangehouden.

3.3 Bij beschikking van 14 maart 2002 heeft de rechtbank voor zover hier van belang, in afwachting van een rapport van de raad, bepaald dat [kind 1], [kind 4], [kind 7], [kind 8] en [kind 9] voorlopig hun woonplaats bij de moeder en [kind 2], [kind 3], [kind 5] en [kind 6] hun woonplaats voorlopig bij de vader hebben, een voorlopige omgangsregeling tussen de ouders en de jongste zes kinderen van partijen vastgesteld en de beslissingen omtrent het gezag, de verblijfplaats van de kinderen en de omgangsregeling aangehouden.

3.4 Bij beschikking van 29 september 2003 heeft de rechtbank (verstaan) dat de ouders gezamenlijk belast blijven met de uitoefening van het gezag over de minderjarige kinderen;

bepaald dat:

- de hoofdverblijfplaats van [kind 2], [kind 3], [kind 5], en [kind 6] bij de vader zal zijn;

- de hoofdverblijfplaats van [kind 4], [kind 7], [kind 8] en [kind 9] bij de moeder zal zijn, en een omgangsregeling tussen de vader en deze kinderen vastgesteld van één keer per twee weken een weekend van vrijdag na school tot zondag 19.00 uur en gedurende de zomervakantie tien aaneengesloten dagen vanaf vrijdag tot en met de tweede daarop volgende zondag.

3.5 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Arnhem op 31 mei 2007, heeft de vader verzocht primair te bepalen dat het de moeder niet is toegestaan om, zonder instemming van de vader, met de drie jongste kinderen van partijen Nederland te verlaten en zich elders te vestigen, en de moeder hierbij te verstaan te geven dat ingeval zij hiertoe toch zou overgaan, zij zich schuldig maakt aan internationale kinderontvoering op grond van het Haags Kinderontvoering Verdrag van 25 oktober 1980, subsidiair te bepalen dat de hoofd- of gewone verblijfplaats van die kinderen vanaf de datum van de beschikking bij hem is, kosten rechtens. De vader heeft bij aanvullend verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank op 2 juli 2007, zijn verzoek aangevuld in die zin dat hij de rechtbank verzoekt bij beschikking voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat [kind 4] zijn gewone verblijfplaats vanaf de datum van de te geven beschikking bij hem heeft en niet langer bij de moeder.

De moeder heeft bij verweerschrift tevens zelfstandig tegenverzoek verzocht de verzoeken van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking te wijzigen en primair te bepalen dat de moeder alleen is belast met het gezag over [kind 4], [kind 7], [kind 8] en [kind 9], subsidiair te bepalen dat het de moeder is toegestaan om zonder instemming van de vader met deze kinderen Nederland te verlaten en zich te vestigen in Schotland.

3.6 Bij de bestreden -tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaarde- beschikking heeft de rechtbank de beschikking van 29 september 2003 gewijzigd in die zin dat de gewone verblijfplaats van [kind 4] bij de vader is, bepaald dat het de moeder is toegestaan om, zonder instemming van de vader, met [kind 7], [kind 8] en [kind 9] Nederland te verlaten en zich te vestigen in Schotland, en een omgangsregeling tussen de vader en die kinderen vastgesteld van éénmaal per maand een weekend van vrijdagmiddag tot zondagavond of -indien de kinderen op maandag vrij van school zijn- maandagavond, alsmede gedurende twee aaneengesloten weken in de zomervakantie waarbij de moeder zorg draagt voor de kosten van de vliegtickets en de vader de kinderen haalt en brengt van en naar Schiphol en de daarmee gepaard gaande kosten voor zijn rekening neemt.

Voorts heeft de rechtbank iedere verdere beslissing inzake het gezag aangehouden tot 10 maart 2008 pro forma en (de raadslieden van) partijen verzocht de rechtbank uiterlijk 1 maart 2008 schriftelijk de stand van zaken mee te delen met betrekking tot de omgangscontacten tussen partijen en de kinderen alsmede ten aanzien van het gezag.

4 De motivering van de beslissing in het principaal en incidenteel hoger beroep

4.1 Tussen partijen zijn in geschil de gewone verblijfplaats van [kind 7], [kind 8] en [kind 9] en, voor het geval die verblijfplaats bij de moeder blijft, de omgangsregeling van de vader met die kinderen.

4.2 Op grond van artikel 1:253a BW kan de rechter in geval van gezamenlijke gezagsuitoefening beslissen over een geschil tussen de ouders, zoals in dit geval het geschil over de vraag waar de gewone verblijfplaats van de jongste drie kinderen van partijen dient te zijn en over de vast te stellen omgangsregeling tussen die kinderen en de ouder bij wie zij niet hun gewone verblijfplaats hebben. De rechter neemt een zodanige beslissing als in het belang van die kinderen wenselijk voorkomt.

4.3 Uit de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, is het volgende gebleken. Partijen zijn in december 2000 feitelijk uit elkaar gegaan. De drie jongste kinderen wonen sindsdien bij de moeder. De moeder is op 30 augustus 2005 gehuwd met haar partner met wie zij sinds juli 2002 samenwoont. Vanaf juli 2002, thans bijna zes jaar, maakt die partner deel uit van het gezin van de moeder en de drie jongste kinderen van partijen. Tussen de vader en de drie jongste kinderen heeft vanaf het uiteengaan van partijen in december 2000, of kort daarna, tot het vertrek van de moeder met die kinderen naar Schotland een omgangsregeling gefunctioneerd van een weekend per veertien dagen waarbij die kinderen contact onderhielden met de andere kinderen van partijen die bij de vader wonen. De moeder heeft vanaf de geboorte de dagelijkse zorg voor de drie jongste kinderen gehad. De vader heeft de zorg voor de drie jongste kinderen gedeeld gedurende de eerste drie jaar voor [kind 7] en gedurende één jaar voor [kind 8] en [kind 9]. De huidige partner van de moeder deelt deze zorg thans met haar gedurende bijna zes jaar. De moeder heeft haar keus om met de kinderen te verhuizen naar Schotland mede gegrond op het feit dat haar huidige partner daar een werkkring heeft gevonden en het feit dat hij in Nederland geen langdurige vaste dienstbetrekking heeft kunnen vinden. Niet gebleken is dat de drie jongste kinderen van partijen in het gezin van de moeder en haar partner niet opgroeien in een stabiele gezinssituatie en/of hun ontwikkeling niet positief verloopt. Het hof acht het met de vader onwenselijk dat de moeder hem zo laat, te weten brief van 18 april 2007, op de hoogte heeft gesteld van de verhuizing. Niettemin is het hof van oordeel dat het in het belang van de kinderen wenselijk is dat zij hun gewone verblijfplaats bij de moeder houden. De kinderen hebben altijd bij de moeder gewoond. De twee jongste kinderen hebben alleen hun eerste levensjaar doorgebracht in het gezin van de moeder en de vader samen. Daarna hebben zij deel uitgemaakt van het gezin van de moeder alleen, waarvan de laatste zes jaar van het gezin van de moeder en haar partner. Onder deze omstandigheden acht het hof een wijziging van de verblijfplaats van de kinderen van de moeder naar de vader in hun belang niet wenselijk nu zij de laatste zes jaar alleen bij de vader hebben verbleven in het kader van de omgangsregeling die tussen de vader en hen was vastgesteld met een frequentie van een weekend per veertien dagen. Een verhuizing van de kinderen naar het buitenland heeft (onder meer) tot gevolg dat het contact tussen de vader en de kinderen en tussen de kinderen onderling minder frequent zal zijn. Daar staat tegenover dat de kinderen in goed overleg gedurende de korte vakanties langer naar hun vader kunnen gaan zodat dat gevolg enigszins kan worden ondervangen. Het hof acht de gevolgen van de verhuizing niet zodanig ingrijpend dat dat een ingrijpen in de gewone verblijfplaats rechtvaardigt. Het hof acht aannemelijk dat de kinderen hier in Nederland hun sociale leven hadden en vast staat dat zij hier hun school, vriendjes, vriendinnetjes en sport hadden. Dit sluit echter niet uit dat de kinderen -ook gelet op hun leeftijd- niet om kunnen gaan met een verhuizing naar Schotland en daar een nieuw bestaan kunnen opbouwen. De moeder heeft, onder meer door overlegging van het “Pupil Progress Report” van de kinderen, bijlage 1, 2 en 3 bij verweerschrift tevens incidenteel appèl, tegenover de betwisting door de vader voldoende aannemelijk gemaakt dat het op school in Schotland goed gaat met de kinderen. Dat het in het gezin van de moeder niet goed zou gaan met de kinderen is niet gebleken.

4.4 Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat het primaire verzoek van de vader tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem en het subsidiaire verzoek, te bepalen dat het de moeder niet is toegestaan om met de kinderen te vertrekken uit Nederland en zich te vestigen in Schotland, dient te worden afgewezen.

4.5 Tussen partijen is voorts in geschil de omgangsregeling tussen de kinderen en de ouder bij wie zij niet hun gewone verblijfplaats hebben, gelet op het voorgaande in dit geval de vader.

4.6 Ten aanzien van de omgangsregeling tussen de vader en de drie jongste kinderen van partijen overweegt het hof dat ingevolge artikel 1:377h lid 1 BW, dat aan artikel 1:253a BW een nadere uitwerking geeft, de rechter in geval van gezamenlijke gezagsuitoefening op verzoek van de ouders of een van hen een regeling kan vaststellen inzake de omgang tussen het kind en de ouder bij wie het kind zijn gewone verblijfplaats niet heeft.

4.7 Niet in geschil is of de kinderen recht hebben op omgang met de vader, maar de wijze waarop daaraan invulling moet worden gegeven. De vader acht de door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling juist en de moeder heeft verzocht de door haar verzochte omgangsregeling, zoals hiervoor onder 2.2 vermeld, vast te leggen.

4.8 Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is gebleken dat de communicatie tussen partijen moeizaam verloopt. Partijen leggen de schuld hiervan bij elkaar en vervallen in verwijten over hetgeen in het verleden is gebeurd. De moeder heeft tegenover de betwisting door de vader naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk gemaakt dat de in de bestreden beschikking vastgestelde omgangsregeling praktisch niet uitvoerbaar is en dat het gevolg daarvan is dat aan die omgangsregeling feitelijk geen uitvoering is gegeven sinds zij met de kinderen naar Schotland is verhuisd. Ingevolge die omgangsregeling zouden de kinderen éénmaal per maand van vrijdagmiddag tot zondag- of maandagavond bij de vader verblijven. De praktijk leert dat de kinderen meer tijd onderweg zijn van huis naar de vader en weer terug, dan zij aan feitelijke contacturen hebben met de vader en de andere kinderen. Deze omgangsregeling acht het hof met de moeder te belastend voor de kinderen en daardoor niet in hun belang. Naar aanleiding van de schoolvakanties van de kinderen in Schotland heeft de moeder een andere frequentie van de omgangsregeling voorgesteld. Bij deze frequentie hebben de kinderen meer contacturen met de vader en de andere kinderen van partijen en hebben de kinderen na afloop van die omgangsregeling voldoende gelegenheid om weer tot rust te komen in hun thuissituatie omdat de omgang dan plaatsvindt in de schoolvakanties van de kinderen. Het hof zal daarom de door de moeder voorgestelde omgangsregeling tussen de vader en de kinderen vaststellen, welke regeling het hof in het belang van de kinderen wenselijk acht. Bij deze omgangsregeling kan de communicatie tussen partijen beperkt blijven, hetgeen kan leiden tot rust in de gezinssituatie van beide partijen en op termijn tot een minder verstoorde communicatie. Dat de schoolvakanties in Schotland niet aansluiten bij de schoolvakanties hier in Nederland, zoals de vader als bezwaar tegen de door de moeder voorgestelde omgangsregeling heeft aangevoerd, doet niet af aan voormelde beslissing van het hof nu de vader tevens heeft aangevoerd dat hij zijn werktijden kan aanpassen wanneer de kinderen bij hem komen.

De vader zal de kinderen halen en brengen naar Schiphol nu hij tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft verklaard daartegen geen bezwaar te hebben.

4.9 De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling zich bereid verklaard mee te werken aan de door de moeder verzochte afgifte van een ID-kaart voor de drie kinderen die bij de moeder wonen, in die zin dat hij de door de moeder toe te sturen formulieren zal (mede-)ondertekenen. Het hof gaat ervan uit dat de vader zijn aldus gedane belofte gestand zal doen en behoeft hierop dan ook geen beslissing meer te geven.

4.10 Nu de procedure in eerste aanleg nog aanhangig is en gelet op de aard van de procedure, zal het hof de kosten van de procedure in hoger beroep, compenseren in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

5 De slotsom

5.1 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en daarbij een omgangsregeling tussen de vader en de drie jongste kinderen van partijen is vastgesteld, vernietigen en voor het overige bekrachtigen.

5.2 Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Arnhem van 21 augustus 2007, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en daarbij een omgangsregeling tussen de vader en de drie jongste kinderen van partijen is vastgesteld en in zoverre opnieuw beschikkende:

stelt vast als omgangsregeling tussen de vader en de drie jongste kinderen van partijen dat de vader recht heeft op omgang met hen in hun vakanties in het jaar 2008 van

- vrijdag 16 mei 2008 tot en met 20 mei 2008 (spring holiday);

- zaterdag 28 juni 2008 tot en met zaterdag 12 juli 2008 (summer holiday);

- vrijdag 12 september 2008 tot en met maandag 15 september 2008 (autumn holiday);

- vrijdag 17 oktober 2008 tot en met dinsdag 21 oktober 2008 (mid-term-holiday);

- maandag 29 december 2008 tot en met 3 januari 2009 (christmas holiday), waarbij de vader de kinderen ophaalt en terugbrengt van en naar Schiphol;

- bepaalt dat de omgangsregeling in 2009 en volgende jaren eveneens zal plaats vinden tijdens voormelde vakanties en de mid-term-break en easter, in overleg vast te stellen, aldus dat de moeder steeds aan het begin van het schooljaar te beginnen in september 2008 een concreet voorstel aan de vader doet, waarbij de vader uiterlijk op 15 oktober daaropvolgend reageert;

bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;

verklaart deze beschikking (tot zover) uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Stille, De Vries Robbé-de Roy van Zuydewijn en Van Osch bijgestaan door Van den Bosch als griffier en bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de oudste raadsheer en is op 15 april 2008 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.