Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BD7469

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
14-07-2008
Datum publicatie
17-07-2008
Zaaknummer
TBS 2007/392
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof verlengt de tbs met twee jaar, ondanks dat niet anders kan worden geconstateerd dan dat de Dr. Henri van der Hoevenkliniek nagelaten heeft gevolg te geven aan de in diverse beslissingen van de betrokken rechterlijke instanties gegeven aanwijzingen. Daarmee heeft zij de belangen van betrokkene tekort gedaan. Aan betrokkene is echter thans de longstaystatus toegekend. Vastgesteld moet worden dat deze ontwikkeling in strijd lijkt te zijn met de eerdere overwegingen van de betrokkene rechtelijke instanties. Het hof kan echter niet treden in de juistheid en/of rechtmatigheid van de door de RSJ en de minister genomen beslissingen. Daarbij moet verder in aanmerking worden genomen de ernst van de indexdelicten en het nog aanwezige hoge recidivegevaar. Dit brengt met zich dat, hoe betreurenswaardig wellicht de opstelling van de kliniek moge zijn geweest, er nu niet louter vanwege die opstelling tot afwijzing van de vordering kan worden besloten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

TBS 2007\392

Beslissing d.d. 14 juli 2008

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[terbeschikkinggestelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum,

verblijvende op de longstay-afdeling [verblijfplaats].

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank te Zutphen van 9 november 2007, houdende verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar.

Overwegingen:

Het hof zal de beslissing van de rechtbank dienen te vernietigen, daar het recht doet mede op grond van nieuwe stukken en hetgeen de getuige-deskundigen ter terechtzitting hebben verklaard.

Het hof is van oordeel dat in casu van een spoedige behandeling van het beroep in de zin van artikel 5, vierde lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden geen sprake is geweest. Immers is het beroep ruim zeven maanden na het instellen van het hoger beroep behandeld. In de voorliggende zaak oordeelt het hof dat de beslissing om een verdragsrechterlijke schending aan te nemen in zichzelf voldoende bevrediging van het geschonden rechtsgevoel inhoudt.

Het verzoek tot aanhouding om de uitkomst van het nader onderzoek van de kliniek af te wachten, wordt afgewezen. Hieromtrent wordt verwezen naar de hierna weergegeven overwegingen.

Voor een goed begrip van deze zaak acht het hof het van belang dat de belangrijkste ontwikkelingen in deze zaak nog eens in chronologische volgorde worden weergegeven.

Bij arrest van 15 september 1998 is betrokkene door het gerechtshof te Arnhem veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden en terbeschikkingstelling met dwangverpleging. De straf en maatregel werden opgelegd ter zake van onder meer feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd.

De terbeschikkingstelling is ingegaan op 26 oktober 1999.

Betrokkene heeft in het kader van de tenuitvoerlegging van de terbeschikkingstelling eerst in Veldzicht verbleven.

Op 4 november 2003 is betrokkene in het kader van herselectie opgenomen in de kliniek Flevo Future.

Op 26 april 2004 heeft het hof een onderzoek gelast door het Pieter Baan Centrum.

Door het Pieter Baan Centrum is op 23 september 2004 gerapporteerd dat er sprake is van een hoge mate van psychopathie en een hoog recidiverisico. Geadviseerd wordt een resocialisatie waarbij betrokkene leert beter om te gaan met ongunstige externe omstandigheden.

Het hof heeft in haar beslissing van 6 december 2004 overwogen dat het hof erop vertrouwt dat de behandelaars rekening zullen houden met de aanbevelingen en bevindingen van het Pieter Baan Centrum.

In overleg neemt betrokkene contact op met de Dr. Henri van der Hoevenkliniek. Op 14 februari 2005 wordt betrokkene opgenomen in deze kliniek.

De externe deskundigen Kaiser (psychiater en vast gerechtelijk deskundige) en Geurkink (psycholoog en vast gerechtelijk deskundige) hebben respectievelijk op 15 augustus 2005 en 17 augustus 2005 geadviseerd de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar te verlengen. Psychiater Kaiser geeft in haar rapport aan dat betrokkene een lang resocialisatieproces met zeer geleidelijke uitbreiding van de vrijheden dient te ondergaan. Psycholoog Geurkink ziet eveneens aanknopingspunten om zeer voorzichtig met resocialisatie te beginnen.

In september 2005 heeft de Dr. Henri van der Hoevenkliniek betrokkene aangedragen voor plaatsing in een longstay-voorziening.

De rechtbank Zutphen heeft bij beslissing van 21 oktober 2005 beslist tot verlenging van de maatregel met twee jaar. De rechtbank heeft daarbij de kliniek in overweging gegeven (nogmaals) te bezien of en in hoeverre haar huidige visie omtrent de voor betrokkene al dan niet bestaande mogelijkheden en behandeltraject, meer zou kunnen aansluiten bij die van de extern geraadpleegde deskundigen. Tegen die beslissing heeft betrokkene hoger beroep ingesteld.

Bij beslissing van 10 april 2006 heeft het hof de terbeschikkingstelling met twee jaar verlengd. Daarbij heeft het hof het volgende overwogen:

“Het hof heeft moeten vaststellen dat de Van der Hoevenkliniek in zijn behandelaanpak betrokkene geen volwaardige kans heeft gegeven om te laten zien dat hij met externe omstandigheden en de spanningen die dit met zich meebrengt kan omgaan. In het licht van bovengenoemde rapportages en de omstandigheid dat zich in de afgelopen tijd geen incidenten hebben voorgedaan, ligt het in de rede dat op korte termijn een zorgvuldig opgebouwd resocialisatietraject wordt ingezet, waarbij onder meer getoetst dient te worden hoe betrokkene met meer vrijheden omgaat.

Aangezien een langdurig resocialisatietraject noodzakelijk is, is het hof van oordeel dat een verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaren is geïndiceerd. Het hof vraagt zich daarbij overigens wel af of voortzetting van de behandeling in de Dr. Henri van der Hoevenkliniek aangewezen is, nu de behandeling in deze kliniek vrij snel in een impasse is geraakt en naar het zich laat aanzien nog steeds is.”

Bij beslissing van 15 november 2006 heeft de Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming het beroep van betrokkene tegen het besluit tot longstayplaatsing ongegrond verklaard.

Betrokkene is op 18 december overgeplaatst naar de longstay-afdeling van de [verblijfplaats].

Bij beslissing van 9 november 2007 heeft de rechtbank Zutphen de maatregel met twee jaar verlengd. Daarbij is overwogen dat het traject om met betrokkene toe te werken naar een transmurale voorziening niet haalbaar is gebleken. Tegen die beslissing heeft betrokkene thans hoger beroep ingesteld.

Inmiddels is door de kliniek besloten om, gelet op een verandering in het klinisch beeld van betrokkene, nader onderzoek te verrichten of het een blijvende verandering betreft die mogelijk invloed heeft op de diagnostiek en de daarbij behorende begeleidingsvormen. Ter terechtzitting heeft de getuige-deskundige

verklaard dat, ongeacht welk traject zal worden ingeslagen, de behandeling in ieder geval nog meer dan twee jaar zal duren.

De terbeschikkingstelling van betrokkene is ingegaan op 26 oktober 1999 en loopt dus thans meer dan acht jaren. Dit tijdsverloop in relatie tot de ernst van het delict waarvoor de terbeschikkingstelling is opgelegd (onder meer feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd) moet mede in aanmerking worden genomen bij de verlengingsbeslissing. Het hof is van oordeel dat bij een afweging tussen de belangen van de terbeschikkinggestelde en van de maatschappij naar mate de maatregel van terbeschikkingstelling langer duurt het belang van de terbeschikkinggestelde steeds zwaarder dient te wegen. Van disproportionaliteit is thans in casu geen sprake, nu het tijdsverloop niet alleen moet worden beschouwd in het perspectief van de ernst van het delict, maar tevens in aanmerking moeten worden genomen de aard van de stoornis en het actuele recidivegevaar. Uit het verlengingsadvies en de recente aanvullende informatie volgt dat bij betrokkene in ieder geval sprake is van persoonlijkheidsproblematiek. Het risico op gewelddadig gedrag wordt bij beëindiging van de maatregel als hoog ingeschat.

Tevens neemt het hof in aanmerking dat, in het licht van de hiervoor in het kort weergegeven ontwikkelingen, niet anders kan worden geconstateerd dan dat de Dr. Henri van der Hoevenkliniek nagelaten heeft gevolg te geven aan de in diverse beslissingen van de betrokken rechterlijke instanties gegeven aanwijzingen. Daarmee heeft zij de belangen van de terbeschikkinggestelde tekort gedaan. Wat hiervan ook zij, op 15 november 2006 heeft de Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (hierna: RSJ) het beroep van betrokkene tegen het besluit tot longstayplaatsing ongegrond verklaard. Aan betrokkene is derhalve middels de daartoe geeigende procedure de longstay-status toegekend. Vastgesteld moet worden dat deze ontwikkeling in strijd lijkt te zijn met de eerdere, hiervoor aangehaalde, adviezen en overwegingen van de betrokkene rechtelijke instanties. Het hof kan echter niet treden in de juistheid en/of rechtmatigheid van de door de RSJ en de minister genomen beslissingen. Daarbij moet verder in aanmerking worden genomen de ernst van de indexdelicten en het, volgens alle deskundigen, nog aanwezige hoge recidivegevaar. Dit brengt met zich dat, hoe betreurenswaardig wellicht de opstelling van de Van der Hoevenkliniek moge zijn geweest, er nu niet louter vanwege die opstelling tot afwijzing van de vordering kan worden besloten.

In het bijzonder gelet op de advisering is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de verlenging van de terbeschikkingstelling eist als in de hierna te vermelden beslissing vervat.

Betrokkene is op 18 december 2006 opgenomen op de longstay-afdeling van de [verblijfplaats]. De persoonlijkheidsproblematiek lijkt enigszins milder tot uiting te komen. Het klinisch beeld lijkt te veranderen. Het gaat goed met betrokkene op de afdeling. Dit zijn positieve ontwikkelingen. Met instemming heeft het hof dan ook kennisgenomen van de voortvarende verrichtingen van de [huidige kliniek]. De kliniek gaat onderzoeken of er sprake is van een tijdelijke verandering of een meer blijvende verandering, die mogelijk ook invloed heeft op de diagnostiek en de daaruit voortvloeiende begeleidingsvormen. Bekeken zal worden in hoeverre de aanwezigheid van een persoonlijkheidsstoornis of een andere stoornis moet worden vertaald in recidivegevaar. Vervolgens zal worden getracht het beleid aan te passen op de mate van zorg en begeleiding die betrokkene nodig heeft. Op termijn is, bij een goede ontwikkeling van betrokkene, een aanvraag tot opheffing van de longstay-status met een verzoek tot overplaatsing naar een behandelplaats niet ondenkbaar. In ieder geval zal er ook dan sprake zijn van een te verwachten langdurig traject, waarbij blijvende en intensieve bemoeienis vanuit de kliniek is vereist.

Het hof is van oordeel - en vindt daarin ook de redenen die leiden tot afwijzing van het verzoek tot aanhouding - dat, ongeacht welk traject zal worden gevolgd, gelet op de ernst van de problematiek, het aanwezige delictgevaar en het feit dat betrokkene nog langdurig zorg, structuur en begeleiding nodig heeft, een verlenging met een termijn van twee jaar is geindiceerd.

Beslissing:

Het hof:

Vernietigt de beslissing van de rechtbank te Zutphen van 9 november 2007 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde.

Wijst af het verzoek tot aanhouding.

Verlengt de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar.

Aldus gedaan door

mr Stolwerk als voorzitter,

mrs Van der Herberg en Bartelds als raadsheren,

en dr Raes en drs Verheugt als raden,

in tegenwoordigheid van mr Jansen-van Leeuwen als griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2008.

De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.