Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2008:BD6983

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
11-07-2008
Datum publicatie
11-07-2008
Zaaknummer
21-001943-07
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2005:AT3983, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BJ7275, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2010:BJ7275
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft - onder meer - bepaalde gedragingen verricht die temporeel weliswaar na de feiten hebben plaatsgevonden maar niet anders kunnen worden geduid (mede in het licht van de wetenschap van verdachte van hetgeen komen ging) dan als een uitvloeisel van het tevoren gemaakte plan en strekkend tot een uiteindelijk succesvolle uitvoering daarvan.

Het hof acht bewezen dat verdachte, wetende van hetgeen stond te gebeuren, zodanig bewust en nauw met haar medeverdachten heeft samengewerkt bij de moord en het wegmaken van het lichaam (dat moet worden gezien als een wezenlijk onderdeel van het slagen van die moord) dat sprake is van medeplegen van de tenlastegelegde feiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 21-001943-07

Uitspraak d.d.: 11 juli 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Arnhem

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda van 14 april 2005 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats].

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Deze zaak, een appèl van het op 14 april 2005 gewezen vonnis van de rechtbank Breda, is aan het oordeel van dit hof onderworpen omdat het arrest gewezen door het gerechtshof Den Bosch op het daartegen ingestelde hoger beroep door de Hoge Raad op 3 april 2007 werd vernietigd en de Hoge Raad deze zaak verwees naar dit hof om (opnieuw) recht te doen op dat tegen het vonnis van de rechtbank Breda ingestelde hoger beroep.

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van dit hof van 3 oktober 2007, 23 januari 2008, 25 januari 2008, 14 maart 2008 en 27 juni 2008 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Het op schrift gestelde requisitoir is aangehecht aan het proces-verbaal van de zitting van 27 juni 2008. Daarnaast is een afzonderlijke vordering na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van die vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en haar raadsman, mr R. van 't Land, naar voren is gebracht. Diens pleitnota is aan het proces-verbaal van de zitting van 27 juni 2008 gehecht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd, zoals deze tenlastelegging in hoger beroep is gewijzigd, dat:

1.

Primair

zij op of omstreeks 26 mei 2004 te Zevenbergschenhoek, gemeente Moerdijk, althans in het arrondissement Breda, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of een of meer van haar mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal (telkens) met een hamer, althans een hard en/of zwaar voorwerp op en/of tegen het hoofd geslagen, althans meermalen, althans eenmaal (telkens) uitwendig mechanisch en/of (hevig) botsend geweld op het hoofd van die [slachtoffer] uitgeoefend en/of toegepast, (mede) tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

Subsidiair

[medeverdachte 1] op of omstreeks 26 mei 2004 te Zevenbergschenhoek, gemeente Moerdijk, althans in het arrondissement Breda, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben die [medeverdachte 1] en/of een of meer van zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal (telkens) met een hamer, althans een hard en/of zwaar voorwerp op en/of tegen het hoofd geslagen, althans meermalen, althans eenmaal (telkens) uitwendig mechanisch en/of (hevig) botsend geweld op het hoofd van die [slachtoffer] uitgeoefend en/of toegepast, (mede) tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden,

tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte op een of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 15 februari 2004 tot en met 27 mei 2004 te Oosterhout (Noord Brabant) en/of Made, gemeente Drimmelen en/of Zevenbergschenhoek, gemeente Moerdijk en/of elders in de gemeente Moerdijk en/of Hank, gemeente Werkendam en/of elders in de gemeente Werkendam en/of Lage Zwaluwe, gemeente Drimmelen, althans in het arrondissement Breda, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of (telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest, door

- (telkens) besprekingen te houden en/of afspraken/plannen te maken met die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] over het om het leven brengen/vermoorden van die [slachtoffer], althans (telkens) haar woning ter beschikking te stellen aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] en/of die [medeverdachte 2] in verband met het bespreken van zijn/hun plan(nen) om die [slachtoffer] om het leven te brengen en/of

- op verzoek van die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] in verband met het zoeken naar de (meest geschikte) dumpplek voor het stoffelijk overschot van die [slachtoffer] een kaart van de Biesbosch te pakken en/of (mee) te kijken naar de plaats waar het lichaam van die [slachtoffer] (het beste) kon worden gedumpt en/of

- de ketting(en), waarmee het lichaam/stoffelijk overschot van die [slachtoffer] verzwaard was/zou worden in de schuur behorende bij haar en/of [medeverdachte 2] woning te bewaren en/of op te slaan, althans te dulden dat de ketting(en), waarmee het lichaam/stoffelijk overschot van [slachtoffer] verzwaard was/zou worden, werden opgeslagen in de schuur behorende bij haar en/of [medeverdachte 2] woning en/of

- de (speciaal aangeschafte) telefoons voorafgaande aan de moord te programmeren zodat [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] op de avond van 26 mei 2004 telefonisch contact konden onderhouden en/of

- op woensdagavond 26 mei 2004 (telkens) telefonisch contact(en) te onderhouden met [medeverdachte 3] en/of die [medeverdachte 3] op de hoogte te houden van en/of te informeren over de komst van die [medeverdachte 2] bij die [medeverdachte 3] (op de afgesproken plek) en/of

- voorafgaande aan het plegen van de moord op die [slachtoffer] afspraken te maken met die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] over een ieders alibi voor woensdagavond 26 mei 2004 en/of

- te dulden dat die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] persoonlijke spullen van die [slachtoffer] heeft/hebben verbrand in de schuur behorende bij haar en/of [medeverdachte 2] woning en/of

- de auto waarin het stoffelijk overschot/lichaam van die [slachtoffer] werd vervoerd grondig te reinigen;

2.

Primair

zij op of omstreeks 26 mei 2004 te Zevenbergschenhoek, gemeente Moerdijk en/of elders in de gemeente Moerdijk en/of Werkendam en/of Lage Zwaluwe, gemeente Drimmelen, althans in het arrondissement Breda, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, het lijk van [slachtoffer] heeft verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt, met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden van die [slachtoffer] te verhelen door met dat oogmerk

het lichaam/stoffelijk overschot van [slachtoffer] in te pakken in zeil en/of (vervolgens) in een auto te vervoeren en/of (vervolgens) te verzwaren met (een) ketting(en) en/of (vervolgens) (in de Biesbosch) in het water te gooien/dumpen;

Subsidiair

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] op of omstreeks 26 mei 2004 te Zevenbergschenhoek, gemeente Moerdijk en/of elders in de gemeente Moerdijk en/of Werkendam en/of Lage Zwaluwe, gemeente Drimmelen, althans in het arrondissement Breda, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, het lijk van [slachtoffer] heeft/hebben verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt, met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden van die [slachtoffer] te verhelen, door met dat oogmerk het lichaam/stoffelijk overschot van [slachtoffer] in te pakken in zeil en/of (vervolgens) in een auto te vervoeren en/of (vervolgens) te verzwaren met (een) ketting(en) en/of (vervolgens) (in de Biesbosch) in het water te gooien/dumpen

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 februari 2004 tot en met 27 mei 2004 te Oosterhout (Noord Brabant) en/of Made, gemeente Drimmelen en/of (in de gemeente) Werkendam, althans in het arrondissement Breda, in elk geval in Nederland meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of (telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest, door

- (telkens) besprekingen te houden en/of afspraken/plannen te maken met die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] over het om het leven brengen/vermoorden van die [slachtoffer], althans (telkens) haar woning ter beschikking te stellen aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] en/of die [medeverdachte 2] in verband met het bespreken van zijn/hun plan(nen) om die [slachtoffer] om het leven te brengen en/of

- op verzoek van die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] in verband met het zoeken naar de (meest geschikte) dumpplek voor het stoffelijk overschot van die [slachtoffer] een kaart van de Biesbosch te pakken en/of (mee) te kijken naar de plaats waar het lichaam van die [slachtoffer] (het beste) kon worden gedumpt en/of

- de ketting(en), waarmee het lichaam/stoffelijk overschot van die [slachtoffer] verzwaard was/zou worden, in de schuur behorende bij haar en/of [medeverdachte 2] woning te bewaren en/of op te slaan, althans te dulden dat de ketting(en), waarmee het lichaam/stoffelijk overschot van [slachtoffer] verzwaard was/zou worden, werden opgeslagen in de schuur behorende bij haar en/of [medeverdachte 2] woning en/of

- de (speciaal aangeschafte) telefoons voorafgaande aan de moord te programmeren zodat [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] op de avond van 26 mei 2004 telefonisch contact konden onderhouden en/of

- op woensdagavond 26 mei 2004 (telkens) telefonisch contact(en) te onderhouden met [medeverdachte 3] en/of die [medeverdachte 3] op de hoogte te houden van en/of te informeren over de komst van die [medeverdachte 2] bij die [medeverdachte 3] (op de afgesproken plek) en/of

- voorafgaande aan het plegen van de moord op die [slachtoffer] afspraken te maken met die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] over een ieders alibi voor woensdagavond 26 mei 2004 en/of

- te dulden dat die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] persoonlijke spullen van die [slachtoffer] heeft/hebben verbrand in de schuur behorende bij haar en/of [medeverdachte 2] woning en/of

- de auto waarin het stoffelijk overschot/lichaam van die [slachtoffer] werd vervoerd grondig te reinigen.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Inleiding

Op 26 mei 2004 is [slachtoffer] vermoord. In een schuur in Zevenbergsche Hoek heeft [medeverdachte 1] haar eerst een stroomstootwapen in het gezicht gedrukt, waarna hij haar met een hamer meerdere malen hard op het hoofd heeft geslagen. [medeverdachte 1] heeft haar lichaam vervolgens in zeil gerold en het zeil met tape dichtgeplakt. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben het aldus ingepakte lichaam van [slachtoffer] in een auto vervoerd van Zevenbergsche Hoek naar een plaats in de Biesbosch. Het lichaam is vervolgens door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] in een bootje van [medeverdachte 3] vervoerd. Gekomen bij een gemaal is het lichaam van [slachtoffer], verzwaard met scheepskettingen, door hen in het water gegooid.

[medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zijn onherroepelijk veroordeeld voor - kort gezegd - medeplegen van moord van [slachtoffer] en voor het wegmaken of wegvoeren van haar lichaam (art. 151 Wetboek van Strafrecht). Aan verdachte wordt medeplegen van, subsidiair medeplichtigheid aan of bij, deze beide feiten verweten.

In eerste aanleg is verdachte niet verschenen, bij de behandeling van deze zaak door het hof op aandringen van het hof wèl. Verdachte heeft ten overstaan van het hof geen verklaring willen afleggen terwijl in het bijzonder de verklaringen die werden afgelegd over de bespreking bij haar thuis (met de kaart van de Biesbosch op tafel), over het programmeren van de telefoons en haar telefonisch contact met haar broer [medeverdachte 3], daar wel om vroegen. Enige ruimte om aan haar betrokkenheid een andere invulling te geven dan uit het voorgaande spreekt, heeft zij door die opstelling niet geboden of welbewust (telkens herhaalde uitnodigingen van het hof om commentaar of verklaring negerend) zelfs maar willen bieden. Dat was haar goed recht (zwijgen, weigeren een verklaring af te leggen) maar het hof moet wel vaststellen dat zij over haar aanwezigheid bij en (blijkens belastende verklaringen van de getuigen) bemoeienissen met de plannenmakerij voorafgaande aan de moord en het vervolg daarop en haar betrokkenheid daarbij wel een verklaring had kúnnen afleggen. Het hof had – uit oogpunt van volledigheid van het onderzoek – graag antwoorden van verdachte willen hebben op vragen naar aanleiding van haar eerder tegenover de politie gegeven antwoorden en de verklaringen van de getuigen.

Het hof bespreekt de volgende onderwerpen:

• de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van de verklaringen, in het bijzonder van die van [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3];

• de vraag of sprake is geweest van wetenschap bij verdachte van het plan tot het vermoorden van [slachtoffer] en het wegmaken van haar lijk en of zij zich daarbij heeft aangesloten;

• de vraag of verdachte daarbij daadwerkelijk een rol heeft gespeeld en, zo ja, hoe deze moet worden geduid.

De betrouwbaarheid en bruikbaarheid van de verklaringen, in het bijzonder van die van [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]

Het hof wordt geconfronteerd met een aantal verklaringen van [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en verdachte die op een aantal wezenlijke punten, die de betrokkenheid van verdachte betreffen, met elkaar in strijd zijn. Het hof acht zich voldoende in staat om vast te stellen dat aan bepaalde verklaringen dan wel bepaalde gedeelten van verklaringen op de hier relevante punten geloof moet worden gehecht. Dat oordeel is aan het hof. Dat betekent dat het hof het algemene betoog van de verdediging verwerpt dat erop neerkomt dat de voor verdachte belastende verklaringen, zoals afgelegd door [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] dienen te worden uitgesloten voor het bewijs, omdat deze verklaringen inconsistent, tegenstrijdig, onbetrouwbaar en ongeloofwaardig zouden zijn en reeds daarom geen objectief en betrouwbaar bewijs aan deze onderling zo verschillende en onderling tegenstrijdige verklaringen kan worden ontleend waar enig ander ondersteunend bewijs in het dossier zou ontbreken.

[medeverdachte 2]

Met betrekking tot de verklaringen van [medeverdachte 2] speelt nog in het bijzonder dat zij volgens de verdediging niet bruikbaar zouden zijn voor het bewijs omdat aan de wijze van hun totstandkoming een gebrek zou kleven. Het betreft de op 21 december 2005 door [medeverdachte 2] tegenover de politie afgelegde verklaring en de door [medeverdachte 2] ter terechtzitting van het hof afgelegde verklaring. Het gebrek is er - kort gezegd - in gelegen dat de op 21 december 2005 afgelegde verklaring tot stand is gekomen zonder dat de raadsman van verdachte bij het verhoor aanwezig was of zelfs maar was uitgenodigd, wat – inderdaad – anders had gemoeten. Dit gebrek werkt volgens de verdediging in zoverre door dat ook de daarna door [medeverdachte 2] ter terechtzitting van het hof afgelegde verklaring niet voor het bewijs zou mogen worden gebruikt omdat hij zich toen van die belastende verklaring niet of maar moeilijk los zou hebben kunnen maken.

Het hof verwerpt dit betoog. Het manco dat kleeft aan de totstandkoming van de verklaring van 21 december 2005 brengt niet mee dat alle eerdere verklaringen van [medeverdachte 2] of diens nadien ten overstaan van het hof afgelegde verklaring moeten worden uitgesloten van het bewijs. Met betrekking tot die laatste verklaring van [medeverdachte 2] overweegt het hof dat deze tot stand is gekomen onder omstandigheden waardoor alleszins (alsnog) aan de eisen van een eerlijke berechting en de rechten van de verdediging tegemoet is gekomen. Het hof wijst erop dat het verhoor ter terechtzitting van [medeverdachte 2] ertoe strekte dat de verdediging zou worden gecompenseerd voor nadeel als gevolg van het verzuim de raadsman uit te nodigen en aanwezig te laten zijn bij het politieverhoor op 21 december 2005 (zie het tussenarrest van dit hof van 17 oktober 2007). Voorts wijst het hof erop dat het verhoor van [medeverdachte 2] ter terechtzitting van het hof, zonder dat de verdediging zich daartegen heeft verzet, heeft plaatsgevonden en dat door de verdediging alsnog vragen konden worden en zijn gesteld aan [medeverdachte 2]. Verder is niet aannemelijk geworden dat [medeverdachte 2] zich bij het afleggen van zijn verklaring bij het onderzoek ter terechtzitting van het hof op 23 januari 2008 hoofdzakelijk of in overwegende mate heeft laten leiden door het feit dat hij op 21 december 2005 een voor verdachte belastende verklaring had afgelegd tegenover de politie. Hierbij neemt het hof onder meer in aanmerking de wijze waarop [medeverdachte 2] zijn verklaring ter terechtzitting van het hof heeft afgelegd alsmede het verloop van het verhoor door het hof, in het bijzonder de omstandigheid dat de getuige vóór de onderbreking in dat verhoor een andere houding heeft aangenomen dan daarna. Het hof acht het niet aannemelijk dat [medeverdachte 2] toen zo vastzat aan het stramien of de strekking van zijn verklaring van 21 december 2005 dat hij daar wel bij moest blijven.

Het hof laat de verklaring van [medeverdachte 2] van 21 december 2005 (waarvan het wel kennis heeft genomen omdat die verklaring deel is gaan uitmaken van het dossier) overigens buiten de bewijsmiddelen, zodat niet nader behoeft te worden ingegaan op de bruikbaarheid van die verklaring voor het bewijs.

Wat betreft de geloofwaardigheid van de verklaringen die de ter terechtzitting als getuigen gehoorde personen afzonderlijk tegenover de politie, de rechter-commissaris en het hof hebben afgelegd vindt het hof in de (ogenschijnlijke) tegenstrijdigheden tussen de verklaringen van elk afzonderlijk aanleiding tot de volgende overwegingen.

- [medeverdachte 1] heeft tegenover de politie en de rechter-commissaris voor verdachte op een aantal punten belastende verklaringen afgelegd. [medeverdachte 1] heeft in zijn tegenover het hof afgelegde verklaring op enkele punten anders verklaard.

Het hof acht de verklaringen die [medeverdachte 1] over de rol van verdachte tegenover de politie op onder meer 25 oktober 2004 en tegenover de rechter-commissaris heeft afgelegd geloofwaardig en betrouwbaar. De verdediging heeft met betrekking tot een bepaald gedeelte van het verhoor en de verklaring van [medeverdachte 1] van 25 oktober 2004 (door de politie) weliswaar betoogd dat er fouten zouden zijn gemaakt die afbreuk zouden doen aan de geloofwaardigheid van die verklaring. Het hof verwerpt dit betoog. Naar het oordeel van het hof, dat de door de verdediging in dat verband onder de aandacht gebrachte passages van de audiovisuele registratie van dat verhoor ter zitting heeft beluisterd en gezien, zijn [medeverdachte 1] geen woorden in de mond gelegd (want dit zou volgens de raadsman het geval zijn geweest) die deze hetzij niet zelf heeft gebruikt hetzij, bij het resumeren van wat hij te zeggen had, niet welbewust voor zijn rekening heeft genomen of willen nemen. Bovendien komt de strekking van die verklaring met betrekking tot de rol van verdachte overeen met de verklaring die [medeverdachte 1] daarna tegenover de rechter-commissaris heeft afgelegd. [medeverdachte 1] heeft voorts geen aannemelijke reden gegeven waarom de vermelde verklaringen niet juist zouden zijn en waarom hij heeft gewacht met het naar voren brengen van een andere, voor verdachte beduidend minder belastende, verklaring tot de behandeling van de strafzaak in hoger beroep bij dit hof. Het hof acht in dat verband van belang dat [medeverdachte] ter zitting een handgeschreven briefje bij zich bleek te hebben waarop stond geschreven: “Om [verdachte] kan ik het me niet herinneren,” en “Daar kan ik geen antwoord op geven, dat zou belastend voor mij kunnen zijn.” Het hof leidt hier uit af dat de getuige er bij zijn verhoor ter terechtzitting van het hof naar streefde verdachte uit de wind te houden.

- [medeverdachte 3] heeft bij zijn verhoren door de politie en de rechter-commissaris verklaringen afgelegd die op een aantal punten eveneens belastend zijn voor verdachte. Ter terechtzitting van het hof heeft hij op dergelijke punten anders verklaard. Het hof hecht op de betreffende punten geloof aan de verklaringen tegenover politie en rechter-commissaris en niet aan de verklaring tegenover het hof. [medeverdachte 3] heeft eveneens geen aannemelijke reden gegeven voor die verandering in zijn verklaringsgedrag, voor de reden waarom zijn eerdere verklaringen niet juist zouden zijn en voor de reden waarom (ook) hij heeft gewacht met het naar voren brengen van die op relevante punten zo andere verklaring tot de behandeling van de strafzaak in hoger beroep bij dit hof. [medeverdachte 3] heeft op sommige punten bij zijn verhoor door het hof bovendien een (volstrekt) onaannemelijke beschrijving van de gang van zaken gegeven.

Zo heeft hij onder meer verklaard dat hij op de avond van de moord, zonder dat verdachte wist wat hij ging doen, tegen verdachte zou hebben gezegd dat hij er niets mee te maken wilde hebben. Hierna zou hij direct zijn weggegaan, zonder dat hij wist of verdachte begreep wat hij met die opmerking bedoelde en zonder verdachte de kans te geven nog iets tegen hem te zeggen.

- [medeverdachte 2] heeft tegenover de politie (met uitzondering van de verklaring van 21 december 2005) en de rechter-commissaris op enkele wezenlijke punten ontlastend verklaard voor verdachte. Bij zijn verhoor ter terechtzitting van het hof heeft hij daarentegen op een aantal punten voor verdachte belastend verklaard. Het hof acht aannemelijk dat de verandering in de houding van [medeverdachte 2] te maken heeft met de ontwikkelingen in het contact en de relatie met verdachte. Ten tijde van de voor december 2005 afgelegde verklaringen was verdachte de partner van [medeverdachte 2]. [medeverdachte 2] heeft ter terechtzitting van het hof onder meer verklaard dat hij verdachte gedurende lange tijd heeft beschermd (naar het hof begrijpt: door niet overeenkomstig de waarheid over haar wetenschap en rol te verklaren), in verband met zijn wens dat zij bij de kinderen kon blijven. In aansluiting daarop heeft hij verklaard dat zijn relatie met verdachte thans helemaal over is en dat hij vindt dat (alsnog) gezegd mag en moet worden wat haar rol is geweest, waarbij (een punt dat de verdediging heeft opgeworpen als wel bestaande mogelijkheid) wraak of rancune géén rol zouden spelen. Het hof acht de door [medeverdachte 2] opgegeven redenen voor de verandering in zijn verklaringsgedrag aannemelijk en geen reden om aan de juistheid van zijn meest recente verklaringen geen geloof te hechten. Het hof neemt hierbij onder meer het volgende in aanmerking. [medeverdachte 2] heeft bij zijn uitleg van de verandering in zijn verklaringsgedrag een authentieke indruk gemaakt. [medeverdachte 2] heeft ter terechtzitting van het hof voorts aangegeven niets te verklaren wat hij niet meer wist en dat blijkt overduidelijk uit zijn verklaring ten overstaan van het hof. Hij heeft zich niet aan speculaties gewaagd, was voorzichtig of gereserveerd in wat hij over de rol van verdachte wèl en niet voor zijn rekening wenste te nemen. Zijn verklaring komt bovendien overeen met hetgeen door het hof op grond van de andere verklaringen geloofwaardig bewijsmateriaal wordt geacht.

Wetenschap bij verdachte van en zich aansluiten bij het plan tot het vermoorden van [slachtoffer] en het wegmaken van het stoffelijk overschot

Het hof leidt uit de volgende feiten en omstandigheden af dat verdachte vóór de dag van de moord op [slachtoffer] en het verbergen van haar lichaam op de hoogte was van het voornemen en het plan om [slachtoffer] van het leven te beroven en haar lichaam te laten verdwijnen:

* In de eerste plaats is er de verklaring van verdachte dat zij wist dat [medeverdachte 1] al een week rondliep met plannen om “haar” te vermoorden (verklaring van 5 oktober 2004, pagina 784 van het hoofdproces-verbaal). Met “haar” kan niemand anders bedoeld zijn geweest dan [slachtoffer]. Dat een serieus te nemen plan met die strekking een week tevoren reeds bestond leidt het hof onder meer af uit de verklaringen van [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] dat er een aantal besprekingen tussen hen drieën heeft plaatsgevonden vóór de besprekingen op de avond van 25 mei 2004 bij verdachte thuis. Dat verdachte daarvan nog geen details zal hebben gekend is aannemelijk omdat een deel van de plannen (over de wijze waarop het lijk zou moeten verdwijnen) toen pas, dus op 25 mei 2004, werd uitgewerkt.

* Bovendien leidt het hof verdachtes wetenschap af uit de verklaringen omtrent de bijeenkomst op de avond van de dag (de zo-even genoemde bespreking) voorafgaande aan die van de moord. Het hof leidt daaruit af dat er toen gedetailleerd is besproken:

- hoe de (globale) gang van zaken de volgende dag zou zijn,

- hoe daarbij de precieze rolverdeling zou zijn: wie verantwoordelijk zou zijn voor het doden van [slachtoffer], wie voor het vervoer van het lichaam naar de aanlegsteiger zou(den) zorgen, wie met het lichaam vervolgens per boot de Biesbosch op zou(den) varen en wie het lichaam van [slachtoffer] in het water zou(den) gooien,

- waar - om ontdekking van de moord te voorkomen - het lichaam van [slachtoffer] in het water zou worden gegooid en

- op welke wijze gecommuniceerd zou worden tussen betrokkenen bij de uitvoering van dat laatste onderdeel van het plan.

Met betrekking tot dit laatste merkt het hof op dat een moord, zoals gepland werd pas (en ook voor elke daarbij betrokkene) als een ‘geslaagde’ moord kan gelden als daarvan (van die moord) niet blijkt.

Verdachte is bij die bespreking (over het verdwijnen van het lichaam van [slachtoffer]) aanwezig geweest. Verdachte heeft een kaart van de Biesbosch aangereikt, waarop vervolgens de volgens het plan relevante plaatsen werden aangewezen, met name de plaats waar [medeverdachte 3] met zijn boot kon aanmeren om het lichaam van [slachtoffer] aan boord te nemen en de plaats waar het lichaam vervolgens in het water zou worden gegooid. Het is – mede in het licht van de voorkennis van verdachte – niet aannemelijk dat verdachte niet zou hebben begrepen waarover het gesprek toen ging, ook niet voor zover dat al in bedekte termen zou zijn besproken. Het hof acht evenmin aannemelijk dat verdachte meende dat het om de aanwijzing van geschikte “visplekken” ging, zoals is aangevoerd.

* Ook uit de verklaringen omtrent de mobiele telefoons leidt het hof af dat verdachte de plannen van [medeverdachte 1] kende. Die telefoons zijn speciaal voor de uitvoering van het plan om [slachtoffer] van het leven te beroven en haar lichaam te doen verdwijnen aangeschaft. Verdachte (daarin handig) heeft die telefoons zeer beperkt, op een wijze dat [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] die avond contact zouden kunnen hebben, geprogrammeerd. Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat verdachte heeft geweten dat de mobiele telefoons voor dat doel waren aangeschaft en daarvoor dienst zouden doen. Anders valt bijvoorbeeld ook niet te verklaren waarom slechts de telefoonnummers van de andere bij het plan betrokkenen werden (voor)geprogrammeerd met behulp van sneltoetsen. Door verdachte is aan de andere betrokkenen de wijze van programmering en communicatie uitgelegd. Het hof acht niet aannemelijk geworden dat verdachte zou hebben kunnen denken dat de telefoons waren bedoeld voor de weedhandel, vishandel, palinghandel dan wel ter besparing van benzinekosten.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of verdachte zich ten tijde van de moord en het wegmaken van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] had aangesloten bij het plan, waarvan de moord op [slachtoffer] en het wegmaken van haar lijk met elkaar nauw verbonden onderdelen waren, en bij de uitvoering van dat plan. Het hof beantwoordt die vraag bevestigend. Dit antwoord leidt het hof onder meer af uit een aantal door verdachte voor en tijdens het begaan van de feiten verrichte gedragingen en uit de omstandigheid dat verdachte bepaalde andere gedragingen heeft verricht die temporeel weliswaar na de feiten hebben plaatsgevonden maar niet anders kunnen worden geduid (mede in het licht van de hiervoor besproken wetenschap van verdachte van hetgeen komen ging) dan als een uitvloeisel van het tevoren gemaakte plan en strekkend tot een uiteindelijk succesvolle uitvoering daarvan. Er was immers sprake van een moordplan dat deels expliciet deels impliciet het plannen, voorbereiden en uitvoeren van de moord, het verbergen van het lijk en het wegmaken van alle sporen omvatte. Een en ander impliceert dat verdachte zich op geen enkel moment heeft gedistantieerd van het plan en de voorgenomen handelingen.

Door verdachte verrichte gedragingen van verdachte met betrekking tot de uitvoering van het plan om [slachtoffer] te vermoorden en haar lijk weg te maken

Met de volgende gedragingen heeft verdachte bewust vóór en tijdens de uitvoering van de plannen een bijdrage geleverd aan de uitvoering van het plan voor de moord op [slachtoffer] en het wegmaken van haar lijk.

* Verdachte heeft tijdens haar aanwezigheid bij de bespreking op de avond van de dag voor de moord de kaart van de Biesbosch aangereikt waarop (in haar aanwezigheid) de plekken werden aangewezen die van belang waren voor het vervoer en het verbergen van het lijk.

* Verdachte heeft de mobiele telefoons (voor)geprogrammeerd die dienst moesten doen bij eventueel telefoonverkeer tussen [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]. [medeverdachte 2] heeft hierover onder meer verklaard dat wanneer er iets met [medeverdachte 1] en [slachtoffer] zou gebeuren, [medeverdachte 1] (naar het hof begrijpt) de anderen met deze telefoons kon bereiken.

* Rond het tijdstip van de moord heeft verdachte telefonisch contact gehad met haar broer [medeverdachte 3], waarbij [medeverdachte 3] aangaf dat hij al op de afgesproken plek was en waarbij verdachte [medeverdachte 3] onder meer vertelde dat [medeverdachte 2] er zo wel aan zou komen.

Uit onder meer de volgende gedragingen van verdachte leidt het hof in het bijzonder af dat verdachte zich ten tijde van de uitvoering van het plan om [slachtoffer] te doden en haar lijk te laten verdwijnen had aangesloten bij dat plan. Het zijn gedragingen die – ook als zij niet uitdrukkelijk aan de orde zijn gekomen in voorafgegane besprekingen – passen in het kader van het tevoren gemaakte plan, een (impliciet) uitvloeisel zijn van de voorafgegane overeenkomst en strekken tot een uiteindelijk succesvolle uitvoering van het plan.

* [medeverdachte 3] is na de moord en het in het water gooien van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] door verdachte in de woning van haar en [medeverdachte 2] binnengelaten en heeft zich in de woning gedoucht. Ook werd er die avond in de woning en in aanwezigheid van verdachte gesproken over alibi’s voor [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]. [medeverdachte 1] zou de avond van de moord naar een garagehouder in Oosterhout zijn gegaan. [medeverdachte 2] zou een groot deel van de avond met de bewoner van het pand in Zevenbergschehoek op pad zijn geweest en [medeverdachte 3] zou de avond bij verdachte hebben doorgebracht.

De dag na de moord heeft verdachte de auto van [medeverdachte 1], waarin het lichaam van [slachtoffer] was vervoerd, schoongemaakt. Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat verdachte moet hebben geweten dat het lichaam van [slachtoffer] met de auto was vervoerd. Verdachte heeft zonder vragen te stellen of opmerkingen te maken de auto met het bij het schoonmaken van auto’s ongebruikelijk middel chloor schoongemaakt. Het is voorts ook hoogst onwaarschijnlijk dat verdachte bij de bespreking vooraf dan wel bij de terugkomst in haar woning na de moord niet zou hebben meegekregen dat het lichaam van [slachtoffer] met de auto van [medeverdachte 1] zou worden vervoerd of was vervoerd. [medeverdachte 2] verklaart hieromtrent ter zitting van het hof dat hij de avond van de moord tegen verdachte had gezegd dat [slachtoffer] in de Ford Combo van [medeverdachte 1] was vervoerd. Hij verklaart voorts dat [medeverdachte 1] de dag na de moord vertelde dat zijn auto onder de bloedvlekken zat, waarna verdachte op eigen initiatief de auto met chloor heeft schoongemaakt. Ook [medeverdachte 1] verklaart tegenover de politie dat verdachte uit eigen beweging de auto heeft schoongemaakt. Voorts verklaart hij dat verdachte, nog voordat hij met een beitel het bloed uit de laadvloer van de auto had gehakt, de achterdeuren van de auto had geopend en in de laadruimte had gekeken.

* Ook werden korte tijd na de feiten in de schuur van de woning van verdachte en [medeverdachte 2], terwijl verdachte thuis was, persoonlijke spullen van [slachtoffer] verbrand op een barbecue. Het hof leidt onder meer uit de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] af dat verdachte wel degelijk wist om wiens en wat voor soort spullen het ging, en uit de verklaring van [getuige], afgelegd ter zitting van het hof, dat verdachte zich zorgen maakte over de (ongewenste) aandacht die de rookontwikkeling, die bij het verbranden van die spullen ontstond, zou kunnen trekken.

De gedragingen van verdachte van ná de moord op [slachtoffer] en het doen verdwijnen van haar lichaam beziet het hof in het kader van haar wetenschap vooraf en haar betrokkenheid bij de bespreking van 25 mei 2004 en de hiervoor besproken handelingen (de kaart van de Biesbosch, het programmeren van de telefoons, haar telefonisch contact met haar broer [medeverdachte 3]). Zij versterken de overtuiging dat verdachte tot de wezenlijk bij die moord en het vervolg daarop betrokkenen moet worden gerekend.

Conclusie

Op grond van het voorgaande acht het hof bewezen dat verdachte, wetende van hetgeen stond te gebeuren, zodanig bewust en nauw met [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] heeft samengewerkt bij de moord en het wegmaken van het lichaam (dat moet worden gezien als een wezenlijk onderdeel van het slagen van die moord) dat sprake is van medeplegen van de onder 1 en 2 primair tenlastegelegde feiten. Ten aanzien van verdachte is eveneens sprake van voorbedachte raad, nu het hof uit de bewijsmiddelen (met name voorzover die betrekking hebben op haar voorkennis, het tijdsverloop tussen het moment waarop verdachte zich heeft aangesloten bij het plan - door haar bemoeienissen met het wegmaken van het lijk - en op het planmatig te werk gaan vóór en tijdens de feiten) afleidt dat het handelen van de verdachte het gevolg is geweest van een tevoren (in elk geval vóór de moord) door haar genomen besluit en dat de verdachte tussen het nemen van dat besluit en de moord gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en de gevolgen van haar bemoeiingen daarmee en in het bijzonder het vervolg daarvan na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.

Het hof komt, op grond van het vorenstaande, met toepassing van artikel 424 oud Wetboek van Strafvordering (omdat het vrijsprekend vonnis van de rechtbank Breda is van vóór 1 maart 2007, per welke datum de eenparigheidsregel kwam te vervallen), eenparig, tot een bevestigend antwoord op de hiervoor behandelde bewijsvragen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

Primair

zij op 26 mei 2004 te Zevenbergschenhoek, gemeente Moerdijk, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en haar mededaders met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg die [slachtoffer] meermalen, met een hamer, op het hoofd geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

2.

Primair

zij op 26 mei 2004 in het arrondissement Breda, tezamen en in vereniging met anderen, het lijk van [slachtoffer] heeft weggemaakt, met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden van die [slachtoffer] te verhelen door met dat oogmerk

het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in te pakken in zeil en vervolgens in een auto te vervoeren en vervolgens te verzwaren met kettingen en vervolgens in de Biesbosch in het water te gooien.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde:

Medeplegen van moord.

ten aanzien van het 2 primair bewezenverklaarde:

Medeplegen van een lijk wegmaken met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft in eerste aanleg gevorderd dat verdachte ter zake van medeplegen van moord en medeplegen van het onttrekken van een lijk aan de nasporing wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 jaren. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van het haar tenlastegelegde. Het openbaar ministerie is in hoger beroep gekomen. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte terzake van medeplegen van moord en medeplegen van het onttrekken van een lijk aan de nasporing wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 jaren.

Het hof acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur leiden- de navolgende feiten en omstandigheden.

Volgens een tevoren beraamd plan werd [slachtoffer] op 26 mei 2004 om het leven gebracht. Verdachte wist dat [medeverdachte 1] voornemens was [slachtoffer] van het leven te beroven, bij welk voornemen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zich eerder al hadden aangesloten. Zij heeft zich niet van dit voornemen gedistantieerd doch, integendeel, ook een rol genomen bij het plannen, voorbereiden en uitvoeren van de moord, het wegmaken van het lijk en het wegmaken van alle sporen.

Het nemen van het leven van een ander is een zo ernstig strafbaar feit dat daarvoor alleen een vrijheidsbenemende straf van lange duur in aanmerking komt. Door de dood van [slachtoffer] is de nabestaanden onpeilbaar leed toegebracht. Door het doen verdwijnen van haar lichaam is nog meer leed veroorzaakt, nu de nabestaanden twee weken in onzekerheid hebben verkeerd over de vraag of [slachtoffer] nog in leven was. Daarbij hebben zij niet op een waardige manier afscheid kunnen nemen van haar, omdat haar stoffelijk overschot, mede tengevolge van het feit dat het langere tijd in het water had gelegen, ernstig aangetast was. Overtuigend blijkt uit de slachtofferverklaring dat de nabestaanden van [slachtoffer] ernstige psychische schade hebben ondervonden. Aan te nemen valt dat zij die schade nog lang, zo niet de rest van hun leven, zullen ervaren.

Door feiten als het onderhavige wordt (algemener gesteld) behalve de nabestaanden ook de rechtsorde op ernstige wijze geschokt en worden grote verontrusting en gevoelens van onveiligheid in de samenleving veroorzaakt.

Moord, zoals in het onderhavige geval met feit 1 bewezen is verklaard, behoort tot de ernstigste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent en is naar zijn aard een misdrijf dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeer lange duur rechtvaardigt.

Het hof heeft kennis genomen van de straffen die zijn opgelegd aan [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]. Bij de bepaling van de duur van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf neemt het hof in aanmerking dat het aandeel van verdachte bij de moord op [slachtoffer] en het wegmaken van haar lichaam geringer is geweest dan dat van haar mededaders. Dat verschil moet naar het oordeel van het hof tot uitdrukking komen in de strafoplegging. Ten gunste van verdachte neemt het hof voorts in aanmerking dat verdachte, blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie, haar betreffende, niet eerder veroordeeld is geweest voor een strafbaar feit.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen en gelet op straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, acht het hof de oplegging van een langdurige gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Nu de verdachte voor de feiten wordt veroordeeld en de rechtsorde (ook na ruim vier jaar) geschokt moet worden geacht door de moord van [slachtoffer] ziet het aanleiding om - zoals door de advocaat-generaal is gevorderd - de gevangenneming van verdachte te bevelen, welk bevel afzonderlijk zal worden geminuteerd.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 38.373,78. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor een bedrag van €9.762,01.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Het bedrag is door de verdediging niet betwist met een onderbouwd verweer. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Op grond van artikel 51a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kunnen erfgenamen van een overledene een vordering tot schadevergoeding indienen voor terzake een hun onder algemene titel verkregen vordering. Daarnaast is in artikel 108, tweede lid, van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek bepaald dat indien iemand die ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is, overlijdt, de aansprakelijke verplicht is aan degene te wiens laste de kosten van lijkbezorging zijn gekomen, deze kosten te vergoeden. Deze persoon wordt eveneens in artikel 51a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering genoemd. Het hof begrijpt dat de benadeelde partij zich in beide hoedanigheden heeft gesteld.

Op grond van bovenstaande bepalingen is het hof van oordeel dat de door de benadeelde partij, te weten [benadeelde partij], gevorderde kosten voor de crematie, als kosten van lijkbezorging, voor toewijzing in aanmerking komen.

Voor het overige is de vordering naar het oordeel van het hof niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Hieromtrent merkt het hof op dat ondanks het feit dat in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht enkel wordt gesproken over de verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer, het hof van oordeel is dat gelet op de strekking van de wetsbepaling en het systeem van de wet, de term slachtoffer zo moet worden uitgelegd dat hieronder ook de personen als bedoeld in artikel 51a, tweede lid, Wetboek van Strafvordering zijn begrepen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24c, 36f, 47, 57, 151 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.

Bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]:

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij, [benadeelde partij], te betalen een bedrag van € 6.537,40 (zesduizend vijfhonderdzevenendertig euro en veertig cent) met dien verstande dat indien en voor zover haar mededaders betalen verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd.

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde partij], in haar vordering voor het overige niet ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

€ 2.319,08.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, [benadeelde partij], een bedrag te betalen van € 6.537,40 (zesduizend vijfhonderdzevenendertig euro en veertig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 62 (tweeënzestig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voorzover de mededaders van verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Aldus gewezen door

mr J.A.W. Lensing, voorzitter,

mr H.G.W. Stikkelbroeck en mr B.P.J.A.M. van der Pol, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr N.D. ten Elshof, griffier,

en op 11 juli 2008 ter openbare terechtzitting uitgesproken.